RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: [nummer]
Uitspraak van 1 juni 2026
In de zaak van
[verzoeker 1] en
[verzoeker 2],
wonende te [adres], [postcode] te [plaatsnaam],
verzoekers.
1. De procedure
Verzoekers hebben op 6 mei 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 6 mei 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 13 mei 2026.
De rechter heeft aanleiding gezien om het verzoek – vanwege de vraag of de beoogde schuldhulpverlener valt onder het in artikel 47 Wet op het consumentenkrediet (Wck) bedoelde verbod – door de meervoudige kamer van de rechtbank te laten behandelen. Partijen zijn hiervan per e-mailbericht van 12 mei 2026 op de hoogte gesteld.
Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders B.V. heeft namens verweersters voorafgaand aan de zitting op 13 mei 2026 aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.
Ter zitting van 13 mei 2026 zijn verschenen en gehoord:
Ter zitting van 13 mei 2026 heeft de rechtbank de zaak inhoudelijk behandeld en vervolgens geschorst en bepaald dat de zaak – op een nader te bepalen datum – zal worden hervat.
In de oproepbrief van 13 mei 2026 heeft de rechtbank de hervatting van de mondelinge behandeling bepaald op 20 mei 2026.
Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders B.V. heeft namens verweersters voorafgaand aan de zitting op 18 mei 2026 aan de rechtbank te kennen gegeven het eerdere standpunt uit het verweerschrift van 13 mei 2026 te handhaven. Ook hebben zij te kennen gegeven niet ter zitting te verschijnen.
Ter zitting van 20 mei 2026 zijn verschenen en gehoord:
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweersters te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 maart 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers ten uitvoer te leggen.
Verzoeker heeft – sinds kort – weer inkomen uit loondienst. Daarvoor had verzoeker een onderneming, maar de inkomsten daaruit waren nihil. Ook verzoekster ontvangt inkomsten uit loondienst. Ter zitting hebben verzoekers verklaard dat de gezamenlijke inkomsten voldoende zijn om de lopende huurtermijnen te kunnen voldoen. De huur bedraagt € 1.642,97 per maand. De huurtermijn van mei 2026 is tijdig op 29 april 2026 voldaan. Daarnaast zal budgetbeheer bij [naam stichting] worden opgestart, waardoor voldoende aannemelijk is dat de lopende huurtermijnen ook tijdig zullen worden voldaan.
Verzoekers worden bijgestaan door [naam stichting], in de vorm van budgetbeheer. Ook zal [naam stichting] onderzoeken of het mogelijk is om met de schuldeisers van verzoekers tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Desgevraagd heeft de advocaat van verzoekers het standpunt ingenomen dat [naam stichting] bevoegd is dit buitengerechtelijke schuldhulpverleningstraject uit te voeren, omdat [naam stichting] een persoon of instantie is als bedoeld in artikel 48 Wck. De advocaat is hiertoe als volgt gekomen.
De professionele beschermingsbewindvoerder die een buitengerechtelijk schuldhulpverleningstraject heeft begeleid, is bevoegd een verklaring als bedoeld in artikel 285, eerste lid, onder f Fw af te geven. Dit kan de professionele beschermingsbewindvoerder ook doen voor personen ten aanzien van wie hij niet door de kantonrechter tot beschermingsbewindvoerder is benoemd. [naam 3] noch de memorie van toelichting daarvan geeft aanleiding te oordelen dat de beschermingsbewindvoerder de concreet benoemde beschermingsbewindvoerder van de betrokken persoon moet zijn. Uit de memorie van toelichting blijkt het volgende: “Nu aan professionele curatoren en bewindvoerders in de zin van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek kwaliteitseisen worden gesteld (…) ligt het in de rede ook deze curatoren en bewindvoerders onder de uitzondering van artikel 48, tweede lid van de wet op het consumentenkrediet te brengen.” De wetgever benadrukt hiermee (1) professionaliteit, (2) kwaliteitseisen en (3) praktische schuldhulpverlening. De tekst van artikel 48 Wck spreekt simpelweg van ‘bewindvoerders ingevolge artikel 1:435, lid 7 BW’, zonder nadere beperkingen.
Artikel 1:435, zevende lid, BW gaat niet over het uitvoeren van schuldhulpverlening of schuldbemiddeling. Het is uitsluitend een kwaliteitseis voor benoeming van een professioneel beschermingsbewindvoerder voor drie of meer personen. Het artikel zegt daarbij niets over een vereiste van benoeming voor schuldhulpverlening. De verwijzing in artikel 48, eerste lid, onder c Wck naar artikel 1:435, zevende lid, BW laat zien dat de wetgever betekenis heeft toegekend aan deze professionele kwaliteitsborging. Deze verwijzing heeft dan ook als enige functie te identificeren wie als een professioneel beschermingsbewindvoerder kan worden aangemerkt. De rechtbank Rotterdam heeft in een eerdere uitspraak deze visie bevestigd.
Gelet op het voorgaande is [naam stichting] een entiteit die dient te worden aangemerkt als een professioneel beschermingsbewindvoerder en als zodanig is geregistreerd. Daarmee zijn zij gekwalificeerd als een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48 Wck en dus bevoegd om een zogeheten 285 Fw verklaring af te geven voor hun cliënten. Ook voor cliënten voor wie zij niet als beschermingsbewindvoerder zijn benoemd.
3. Het verweer
Verweersters hebben zich – kort samengevat – op het volgende standpunt gesteld. Verzoekers huren sinds 15 augustus 2024 hun appartement voor een huurprijs van € 1.642,97 per maand. Met verzoekers werden meerdere betalingsregelingen getroffen, maar geen van de betalingsregelingen werd nagekomen. Ook hebben verzoekers al meerdere malen aangegeven dat budgetbeheer zal worden opgestart; hier is tot heden niets van terecht gekomen. Verzoekers hebben bij verweersters aangegeven te zullen verhuizen naar een andere woning, maar door de zwangerschap van verzoekster is dit niet doorgegaan. De huurtermijnen van maart en april 2026 zijn niet voldaan. De huurtermijn van mei 2026 is op 29 april 2026 tijdig voldaan. De totale huurachterstand bedraagt tot en met mei 2026 ruim € 17.000,-. Daar komt nog bij dat verzoekers – al langere tijd – ernstige en structurele overlast aan omwonenden veroorzaken. Verweersters hebben hierdoor geen enkel vertrouwen in een schuldhulpverleningstraject. Ook hebben verweersters er geen vertrouwen in dat verzoekers – gelet op de hoogte van de huur en het inkomen van verzoekers – de lopende huurtermijnen kunnen voldoen. De gevraagde voorziening zal dan ook moeten worden afgewezen.
4. De beoordeling
(i) Bedreigende situatie
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekers een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 maart 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers en een kopie van het exploot van 1 april 2026 hebben overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweersters op 12 mei 2026 zullen overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekers, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekers enerzijds en de schuldeisers, in dit geval verweersters, anderzijds. Voordat de rechtbank deze belangenafweging maakt, dient zij eerst te beoordelen of [naam stichting] kwalificeert als een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, Wck.
(ii) Schuldbemiddeling uitgevoerd door persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, Wck
Sinds 1 januari 2019 is in artikel 287a, zevende lid, Fw opgenomen dat een verzoek dwangakkoord wordt afgewezen als de schuldbemiddeling niet wordt uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, Wck. In artikel 287b, derde lid, Fw is deze bepaling van overeenkomstige toepassing verklaard. Dit houdt in dat een verzoek als het onderhavige dient te worden afgewezen indien de schuldbemiddeling niet zal worden uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, Wck. Beoogd is om gedurende het moratorium (ex artikel 287b Fw) een minnelijk traject af te ronden zoals bedoeld in artikel 285, eerste lid, onder f Fw. Als het minnelijk traject niet slaagt, kan daarna een Wsnp-verzoek (ex artikel 284 Fw) of een verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord (ex artikel 287a Fw) worden ingediend. Tegen deze achtergrond dient te worden aangenomen dat het minnelijk traject dat zal volgen op een moratoriumverzoek (of dat moet worden afgerond gedurende een moratoriumverzoek) moet worden uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, onder b, c of d van de Wck (overeenkomstig artikel 285, eerste lid, onder f Fw).
In artikel 48, derde lid, onder c van de Wck wordt onder meer gesproken over bewindvoerders ingevolge artikel 1:435, zevende lid, BW. Deze bepaling ziet op professionele beschermingsbewindvoerders en daarmee op de entiteit [naam stichting]. [naam stichting] biedt namelijk ook diensten aan als professioneel beschermingsbewindvoerder in de zin van artikel 1:435, zevende lid, BW en wordt als zodanig ook benoemd door de kantonrechter. Hiermee moet [naam stichting] geacht worden te voldoen aan het kwaliteitsvereiste. Het voorgaande maakt dat [naam stichting], op grond van artikel 48, eerste lid, onder c Wck bevoegd is een buitengerechtelijke regeling te beproeven en daarmee kwalificeert als een persoon of instelling als bedoeld in dat artikel. Daar komt nog bij dat [naam stichting] lid is van de NVVK en daarmee gebonden is aan diens normen. Dit betekent dat de rechtbank toekomt aan de eerder genoemde belangenafweging.
(iii) Belangenafweging
Het belang van verzoekers bestaat erin dat zij in de huurwoning kunnen blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekers kan worden doorlopen.
Het belang van verweersters bestaat erin dat zij het vonnis van 20 maart 2026 ten uitvoer kunnen leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekers zwaarder te wegen dan het belang van verweersters. Verzoekers genereren voldoende inkomen om de lopende huurtermijnen te kunnen voldoen. De huurtermijn van mei 2026 is tijdig op 29 april 2026 voldaan. Daarnaast is budgetbeheer opgestart, waardoor voldoende is gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan.
Ten aanzien van het verweer inzake de overlast die verzoekers zouden veroorzaken, oordeelt de rechtbank dat dit niet meegewogen kan worden in de beoordeling van dit verzoekschrift. De rechtbank neemt immers als uitgangspunt het ontruimingsvonnis van de kantonrechter van 20 maart 2026. In dit vonnis is bepaald dat de betalingsachterstand ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling tot ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. In dit vonnis is overlast niet als grond opgenomen voor de ontbinding.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweersters in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zullen verzoekers gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van hun verzoeken tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kunnen verzoekers te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 20 maart 2026 op verzoek van verweersters uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekers gelegen aan de [adres], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 6 mei 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekers de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoeken ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mrs. M.C. Snel-van den Hout, E.A. Vroom en M. Aukema, rechters, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op1 juni 2026.