RECHTBANK ROTTERDAM
Wrakingskamer
zaaknummer: C/10/713014 HA RK 26-15
Beslissing van 4 februari 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] , wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. M.C. van der Kolk,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1. De procedure
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de kantonzaak (Mulder) met nummer 11624748 \ MB VERZ 25-2421. Die zaak betreft een beroep tegen de beslissing van de officier van justitie. Het dossier van deze zaak is ter beschikking gesteld van de wrakingskamer.
Het verloop van de procedure blijkt verder uit het schriftelijke wrakingsverzoek van 25 december 2025.
2. De ontvankelijkheid van het verzoek
Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Het richt zich tegen de rechter die een zaak behandelt en is toegekend aan een partij die wil voorkomen dat een rechter (nog langer) bemoeienis met de zaak zal hebben. Dat doel kan niet meer worden bereikt als de rechter al een einduitspraak gedaan heeft, omdat de behandeling van de zaak daarmee is geëindigd.
Op 13 november 2025 heeft de rechter in de hiervoor omschreven procedure een uitspraak gegeven. Die uitspraak is een eindbeslissing, waarmee de behandeling van de zaak door de rechter is geëindigd.
Het wrakingsverzoek is op 30 december 2025 door de rechtbank ontvangen. Dat is dus nadat de rechter in de hoofdzaak een einduitspraak heeft gedaan. Hieruit volgt dat de rechter de zaak niet meer behandelde op het moment dat het verzoek tot wraking is gedaan. Verzoeker is daarom kennelijk niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking van de rechter.
Overigens stelt verzoeker in zijn wrakingsverzoek dat hij niet op de hoogte is gesteld dat de zitting, ondanks een eerder andersluidend bericht, op 16 oktober 2025 doorgang zou vinden. Uit het dossier komt naar voren dat de zitting niet op 16 oktober 2025, maar op 30 oktober 2025 heeft plaatsgevonden. De in de uitspraak genoemde (oorspronkelijk geplande) zittingsdatum van 16 oktober 2025 is dus onjuist. Voor zover verzoeker de oproep voor de zitting van 30 oktober 2025 niet zou hebben ontvangen en hij werd overvallen door de uitspraak, levert ook dit naar het oordeel van de wrakingskamer geen verschoonbare reden op om alsnog te kunnen worden ontvangen in het verzoek. Het wrakingsverzoek is immers ruim een maand later dan de uitspraakdatum ingediend.
Verzoeker zal op die grond, met toepassing van het bepaalde in artikel 8, lid 2, aanhef en onder d, van het Wrakingsprotocol van deze rechtbank, niet-ontvankelijk worden verklaard in het verzoek.
3. De beslissing
De rechtbank:
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking.
Deze beslissing is gegeven door mr. P. Joele, voorzitter, mr. W.P.M. Jurgens en mr. F.P.J. Schoonen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V.A. Versloot, griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.