RECHTBANK ROTTERDAM
Wrakingskamer
zaaknummer: C/10/716681 HA RK 26-231
Beslissing van 23 april 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[naam bedrijf] B.V.,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats],
hierna te noemen: de verzoekster,
vertegenwoordigd door: mr. M. Taheri.
strekkende tot de wraking van
mr. C.J. Frikkee,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1. De procedure
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de kantonzaak met nummer 12038159 VZ VERZ 25-7414. Die zaak betreft een arbeidsgeschil tussen de verzoekster en [naam] . Het dossier van deze zaak is ter beschikking gesteld van de wrakingskamer.
Het verloop van de procedure blijkt verder uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek van verzoekster, ontvangen op 17 maart 2026;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 7 april 2026;
- de e-mail van de verzoekster met bijlage van 9 april 2026.
Bij de mondelinge behandeling is namens de verzoekster mr. Taheri verschenen. De rechter heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling laten weten niet te kunnen verschijnen.
2. De ontvankelijkheid van het verzoek
Aan de orde is de vraag of het wrakingsverzoek tijdig is gedaan, namelijk zodra de feiten en omstandigheden waarop het wrakingsverzoek is gegrond, aan de verzoekster bekend waren geworden – zoals artikel 37 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vereist.
De zitting die aanleiding gaf tot het wrakingsverzoek heeft plaatsgevonden op 10 maart 2026, terwijl het wrakingsverzoek op 17 maart 2026 is ingekomen. Op grond van de toelichting zoals die ter zitting van de wrakingskamer van 9 april 2026 namens de verzoekster is gegeven, is de wrakingskamer echter van oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De verzoekster wordt derhalve in haar wrakingsverzoek ontvangen.
3. De inhoud van het wrakingsverzoek en de reactie van de rechter daarop
De verzoekster heeft het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd. De rechter heeft kennelijk de producties van verzoekster niet (in voldoende mate) bestudeerd. Wellicht door onvoldoende dossierkennis is de rechter in een tunnelvisie terechtgekomen, (mede) waardoor zij de schijn van vooringenomenheid en/of partijdigheid heeft gewekt. In dit verband wordt onder andere gewezen op het volgende: - Door te oordelen dat de buitengerechtelijke vernietiging niet zal slagen én dat bij het verleende ontslag op staande voet stappen zijn gemist, is de rechter niet meer toegekomen aan de beoordeling of de (overige) ontslaggronden het ontslag wellicht konden dragen. Bovendien heeft de rechter de mogelijkheid van het leveren van nader bewijs weggenomen, doordat de rechter reeds thans heeft aangegeven wat haar (eind)oordeel omtrent het ontslag is.
- Door verzoekster niet in de gelegenheid te stellen om alle ontslaggronden nader toe te lichten, heeft de rechter voorts het beginsel van hoor en wederhoor geschonden. Daar komt bij dat de rechter, die klaarblijkelijk al tot een beslissing was gekomen, naar verwachting achteraf zal trachten te motiveren waarom ook de onbesproken gebleven gronden het ontslag niet kunnen dragen. Hierdoor heeft de rechter in strijd met artikel 6 EVRM de behandel- en beslisvolgorde gewijzigd.
- Bij haar oordeel dat de buitengerechtelijke vernietiging geen stand zal houden, heeft de rechter voorts miskend dat de wederpartij niets daaromtrent in het petitum van haar verzoekschrift had verzocht; de rechter heeft met andere woorden het petitum ten nadele van verzoekster uitgebreid.
- Op verschillende onderdelen (bijvoorbeeld over wat een sollicitant wel en niet hoeft mede te delen over het vertrek bij de vorige werkgever, de uitleg van het begrip ‘de geschiktheid missen tot de arbeid waarvoor de werknemer zich heeft verbonden’ en wanneer alle aangevoerde dringende redenen bewezen zullen moeten worden) heeft de rechter de wet op onbegrijpelijke wijze ten nadele van de verzoekster uitgelegd, wat maakt dat er serieus getwijfeld kan worden aan de juiste toepassing van artikel 6 EVRM in onderhavige procedure en aan de onbevangenheid van de rechter.
Daarnaar gevraagd is op de wrakingszitting namens de verzoekster bevestigd dat het wrakingsverzoek er in essentie op neerkomt dat de rechter tijdens de mondelinge behandeling een oordeel heeft gegeven, waarbij zij onvoldoende heeft opengestaan voor een andere visie en waarbij zij de verzoekster op geen enkele wijze de ruimte heeft gegeven om haar eigen argumenten naar voren te brengen. Daarmee heeft de rechter de schijn van vooringenomenheid gewekt.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.
4. De beoordeling
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem of haar bekend zijn geworden.
De omstandigheden die verzoekster heeft aangevoerd, bieden geen aanwijzing voor het oordeel dat de rechter door haar persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig is.
Vervolgens moet worden onderzocht of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, toch een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoekster geuite vrees dat de rechter jegens haar een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoekster van belang, maar is deze niet doorslaggevend.
De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is.
De door de verzoekster naar voren gebrachte argumenten vallen naar het oordeel van de wrakingskamer alle te categoriseren onder oordeelsvorming, regievoering en/of bejegening.
Oordeelsvorming In civiele zaken, arbeidszaken daaronder begrepen, is het niet ongebruikelijk dat op de mondelinge behandeling wordt onderzocht of partijen zelf tot een oplossing kunnen komen, zonder dat een vonnis wordt gewezen. Daarbij is het geven van een voorlopig oordeel (gevraagd of ongevraagd) mogelijk, zeker als dat kan bijdragen tot het oplossen van het geschil of een deel daarvan.
Een tijdens de zitting door de rechter gegeven voorlopig oordeel over het geschil kan in beginsel geen grond voor wraking vormen. Het middel van wraking kan niet worden benut om de juistheid van een (voorlopig) oordeel inhoudelijk aan de orde te stellen. Als dit ter zitting gegeven (voorlopig) oordeel uitmondt in een vonnis, kan daarvan desgewenst in hoger beroep worden gegaan. Uitgangspunt is dat het een rechter, zeker tijdens een mondelinge behandeling, vrij moet staan om partijen voor te houden wat hij tot dan toe uit de processtukken en hetgeen hierover ter zitting is toegelicht, heeft afgeleid. Ook als een rechter een bepaald standpunt niet goed weergeeft of in het geheel niet benoemt, betekent dat niet dat hij niet onpartijdig of vooringenomen is. Partijen hebben er belang bij te vernemen hoe de rechter tegen de zaak aankijkt en wat zijn opvattingen zijn, zodat zij, voordat vonnis wordt gewezen, eventuele misvattingen nog kunnen corrigeren, hun argumenten kunnen aanscherpen en/of hun proceskansen kunnen inschatten ten behoeve van eventuele schikkingsonderhandelingen. Een dergelijke handelwijze geeft blijk van een onderzoekende en transparante houding van de rechter; hoor en wederhoor wordt ermee gediend.
Dit kan anders zijn als het (voorlopig) rechtsoordeel zo onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat de beslissing door vooringenomenheid is ingegeven. De wrakingskamer ziet in de feiten en omstandigheden die de verzoekster heeft aangevoerd echter geen aanwijzingen dat dit zich heeft voorgedaan. Uit de gang van zaken zoals beschreven in het proces-verbaal van 10 maart 2026 - waarvan de verzoekster niet heeft gesteld dat die onjuist is - is de wrakingskamer niet gebleken dat de verzoekster haar zaak onvoldoende voor het voetlicht heeft kunnen brengen. Evenmin blijkt daaruit een tunnelvisie van de rechter. De rechter gaf blijkens het proces-verbaal ook uitdrukkelijk aan: “Maar dat betekent nog niet dat de vorderingen van mevrouw in deze procedure volledig voor het oprapen liggen.”
Regievoering Het behoort tot de taak van de rechter om op basis van de processtukken kritische vragen te stellen. In de wijze van vraagstelling komt de rechter een grote mate van vrijheid toe. Als de rechter aan de ene partij kritische vragen stelt, betekent dat nog niet dat de rechter ook kritische vragen moet stellen aan de wederpartij. Ook de hoeveelheid vragen hoeft niet gelijk te zijn. In het geval dat de rechter bepaalde zaken onduidelijk vindt, staat het de rechter vrij om daarover (kritische) vragen te stellen. Dat kan in dit geval voor de verzoekster onverwacht zijn gekomen en een gevoel geven van onevenwichtigheid, maar dat betekent niet dat daaruit voortvloeit dat de rechter vooringenomen is. De wrakingskamer kan uit de gestelde vragen, zoals die zijn opgenomen in het proces-verbaal, geen vooringenomenheid afleiden.
Bejegening
Voor zover verzoekster heeft willen betogen dat de rechter haar onheus heeft bejegend door haar telkens te onderbreken en zich verwijtend jegens haar gemachtigde op te stellen, blijkt daarvan niets uit het proces-verbaal. Voor zover de verzoekster de uitlatingen van de rechter wel op die wijze heeft ervaren, kan zij over de bejegening door de rechter een klacht indienen bij het gerechtsbestuur. Bejegeningsklachten leveren echter in beginsel geen grond voor wraking op.
Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat de feiten en omstandigheden die verzoekster ter onderbouwing van het wrakingsverzoek naar voren heeft gebracht, ook in onderlinge samenhang bezien, geen grond opleveren voor wraking. De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- verklaart de verzoekster ontvankelijk in haar verzoek;
- wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door mr. P. Joele, voorzitter, mr. S.C.C. Hes-Bakkeren en mr. W.J.M. Diekman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V.A. Versloot, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.