Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-341742-23
Datum uitspraak: 13 april 2026
Datum zitting: 30 maart 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 2002 in [geboorteplaats]
ingeschreven op het adres
[adres], [postcode] [plaatsnaam].
Advocaat van de verdachte: mr. M. Jonk
Officier van justitie: mr. R.P.L. van Loon
Benadeelde partij: [benadeelde partij]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. L. Janse
Kern van het vonnis
Bewezen is dat de verdachte seks heeft gehad met het destijds vijftienjarige slachtoffer. De rechtbank verwerpt het beroep van de verdediging op afwezigheid van alle schuld en veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 60 dagen, waarvan 59 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, en tot een taakstraf van 240 uur.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - ontuchtige handelingen heeft gepleegd met een toen vijftienjarig meisje, welke handelingen mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam.
De volledige tenlastelegging houdt in dat
hij op of omstreeks 13 november 2023 te Rotterdam, met [naam slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2]-2008, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam slachtoffer], te weten- het brengen en/of houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, penis in de mond en/of vagina van die [naam slachtoffer] en/of- het zoenen van die [naam slachtoffer].
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het ten laste gelegde feit.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde feit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte ontuchtige handelingen heeft verpleegd met het toen vijftienjarige slachtoffer, welke handelingen mede bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Verklaring van de verdachte
Ik was op 13 november 2023 de bestuurder van een Kia die geparkeerd stond aan de Marconistraat in Rotterdam. Naast mij zat een meisje dat ik voor die avond niet kende. We hebben seks gehad. Zij heeft mij gepijpt en ik ben met mijn penis in haar vagina geweest.
2. Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachte
Het meisje zoende mij op mijn mond. Het was een tongzoen.
Het pijpen was de eerste handeling. Nadat zij haar kleding uittrok, was er het neuken. Toen zoenden we en hadden we seks. Ik ben klaargekomen.
3. Proces-verbaal van de politie, informatief gesprek [naam slachtoffer]
[naam slachtoffer] en haar vriendin [naam] waren in de avond van 12 november 2023 in Rotterdam. Ze werden aangesproken door twee jongens in een witte Volkswagen en zijn ingestapt en naar de haven in Rotterdam gereden. Daar kwam nog een andere jongen in een auto. In de auto heeft [naam slachtoffer] de bestuurder gepijpt en heeft hij haar gepenetreerd op de bijrijdersstoel.
4. Proces-verbaal van de politie
Op 13 november 2023 rond 04.55 uur reden wij over de Marconistraat in Rotterdam. Ik zag een Kia staan. Ik zag een man achter het stuur zitten en een meisje op de bijrijdersstoel. De man gaf mij een paspoort met de volgende gegevens: [verdachte] geboren op [geboortedatum 1] 2002 in [geboorteplaats]. Het meisje gaf mij haar postcode, huisnummer en naam. Ik zag in het politiesysteem de volgende gegevens: [naam slachtoffer] geboren op [geboortedatum 2] 2008. Ik hoorde dat [naam slachtoffer] zei dat de man waarmee zij zojuist samen in de auto zat met zijn geslachtsdeel haar lichaam was binnengedrongen. Ik hoorde dat [naam slachtoffer] zei dat zij [verdachte] niet kende. Dat zij deze avond samen met [naam] op straat liep toen zij [verdachte] en zijn vrienden tegenkwamen.
Bewijsmotivering
De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat het gebruik van de verklaring van het slachtoffer voor het bewijs geen schending oplevert van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Uit vaste jurisprudentie volgt dat de verdediging in beginsel het recht heeft om een belastende verklaring te kunnen toetsen. De rechter-commissaris heeft echter het verzoek van de verdediging om het slachtoffer te horen als getuige, afgewezen vanwege haar gezondheidstoestand. Omdat het aan effectieve ondervragingsmogelijkheden heeft ontbroken, moet worden beoordeeld of het bewijs in beslissende mate (sole and decisive) berust op deze verklaring. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is, omdat de verklaring in voldoende mate wordt ondersteund door de bekennende verklaring van de verdachte en de bevindingen van de politie, die het slachtoffer en de verdachte samen heeft aangetroffen.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
hij op 13 november 2023 te Rotterdam, met [naam slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2]-2008, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam slachtoffer], te weten- het brengen en houden en bewegen van zijn, verdachtes, penis in de mond en vagina van die [naam slachtoffer] en- het zoenen van die [naam slachtoffer].
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Beroep op schulduitsluitingsgrond
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege afwezigheid van alle schuld, omdat de verdachte er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat het slachtoffer seksueel volwassen was.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen geslaagd beroep op afwezigheid van alle schuld kan doen. Er zijn geen dusdanig bijzondere omstandigheden dat de verdachte ervan mocht uitgaan dat het slachtoffer ten tijde van het strafbare feit ouder was dan zij daadwerkelijk was.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat de wetgever de leeftijdsgrens van zestien jaar mede in artikel 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht heeft opgenomen om de lichamelijke en seksuele integriteit te beschermen van zulke jonge mensen. In het algemeen moet ervan worden uit gegaan dat zij dat zelf niet goed genoeg kunnen en dat zij niet goed kunnen overzien wat zij op seksueel gebied doen. Daarom is iemand volgens de wet ook strafbaar als hij – zoals hier het geval is – niet wist dat de ander nog geen 16 jaar oud was en zelfs helemaal geen seks wilde hebben met iemand van die leeftijd. Deze beschermingsgedachte maakt dat de ruimte voor een beroep op afwezigheid van alle schuld zeer beperkt is en slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden gehonoreerd. Degene die seks heeft, heeft een zeer vergaande onderzoeksplicht om de echte leeftijd van de ander te achterhalen. In dit geval is het erbij gebleven dat het slachtoffer tegen de verdachte zou hebben gezegd dat zij 17 jaar was. De verdachte heeft verder niets gedaan om dat te controleren. Nu de verdachte haar niet kende en hij haar midden in de nacht op straat heeft ontmoet, was het aan hem geweest om meer onderzoek te doen naar haar werkelijke leeftijd voordat hij seks met haar had. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de verdediging.
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straffen
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft als 21-jarige man seks gehad met een meisje van toen vijftien jaar en bijna vier maanden oud. Hierdoor heeft hij een inbreuk gemaakt op de lichamelijke, seksuele en geestelijke integriteit van iemand die daar vanwege haar leeftijd nog niet zelf verstandig mee kon omgaan. De verdachte heeft zich enkel laten leiden door de bevrediging van zijn eigen seksuele behoefte. De rechtbank houdt er aan de andere kant rekening mee dat de verdachte het meisje niet heeft gedwongen tot seks en dat hij niet wist dat zij jonger was dan zestien jaar.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 20 februari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Rapport van de reclassering
In het rapport van Reclassering Nederland van 12 maart 2024, dat is aangevuld op 11 december 2025, staat het volgende. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte verlopen zonder opmerkelijke problematiek. Zijn situatie qua huisvesting, dagbesteding en financiën is stabiel, hij heeft goed contact met zijn gezin van herkomst en sociale netwerk en er lijken zich geen problemen af te spelen op het vlak van middelengebruik of geestelijke gezondheid. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag en er wordt geen noodzaak gezien tot het inzetten van verdere interventies.
Redelijke termijn
De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 13 november 2023, omdat de verdachte toen is verhoord. Tot aan dit vonnis is een periode van twee jaar en vijf maanden verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. Daarom heeft dit gevolgen voor de op te leggen straf.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel noodzakelijk. Gelet op de omstandigheden van het feit, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn vindt de rechtbank in dit geval echter dat een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf volstaat.
De rechtbank ziet namelijk iemand voor zich die op wederzijds vrijwillige basis seks heeft gehad met een meisje van net geen zestien jaar oud, maar dat niet beoogde, en die zijn leven op orde heeft. Het taakstrafverbod van artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht verbiedt het de rechter echter om voor dit strafbare feit een taakstraf op te leggen, behalve als de rechter daarnaast ook een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf oplegt. De rechtbank beperkt die onvoorwaardelijke vrijheidsstraf tot het absolute minimum van één dag. Voor een zwaardere straf is naar haar oordeel geen reden vanuit het oogpunt van vergelding of afschrikwekkend effect.
Alles afwegend legt de rechtbank een gevangenisstraf op van zestig dagen. Van deze gevangenisstraf legt zij 59 dagen voorwaardelijk op. De voorwaardelijke gevangenisstraf heeft als doel duidelijk te maken dat seks met iemand die nog geen zestien jaar is, op zich een ernstig strafbaar feit is. Daarnaast legt de rechtbank aan de verdachte een taakstraf van 240 uur op, te vervangen door 120 dagen hechtenis indien de verdachte de taakstraf niet (goed) uitvoert.
5. Vordering van de benadeelde partij
Vordering [benadeelde partij]
heeft als benadeelde partij € 5.000 als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering, omdat op grond van de onderbouwing niet kan worden vastgesteld welk aandeel de verdachte heeft gehad in het ontstaan van eventuele psychische schade.
Oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de verdachte als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Uit de onderbouwing van de vordering volgt dat de benadeelde partij onder andere vanwege dit strafbare feit EMDR-therapie volgt.
Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 3000. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die rechters in vergelijkbare gevallen hebben toegekend. De rechtbank heeft als vertrekpunt genomen de ‘Rotterdamse Schaal’(categorie 15.2 onder c met een bandbreedte van € 1.500 tot € 6.000), een ordening van smartengeldbedragen bij lichamelijk letsel en andere persoonsaantastingen. De rechtbank heeft ook rekening gehouden met het feit dat niet alle psychische schade die bij de benadeelde partij is ontstaan, toegerekend kan worden aan het handelen van de verdachte. De benadeelde partij volgde voorafgaand aan het feit al psychische behandeling en uit het dossier volgt dat er op de ten laste gelegde datum meerdere gebeurtenissen hebben plaatsgevonden waardoor bij de benadeelde partij psychische schade kan zijn ontstaan. Gelet daarop wordt de benadeelde partij in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. De beoordeling van dat deel van de vordering vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk om bewijslevering. De behandeling daarvan levert een onevenredige belasting van het strafproces op. Dit deel van de vordering kan daarom bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 13 november 2023.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 1.042,- aan advocaatkosten.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de Staat moet betalen en de Staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 30 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
6. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straffen zijn gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.
7. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straffen
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 60 (zestig) dagen;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat van deze gevangenisstraf 59 (negenenvijftig) dagen niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
Taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte, aan [benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 3000 (drieduizend euro), als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 13 november 2023 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 1042 aan advocaatkosten en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 3000 (drieduizend euro) te betalen, en de wettelijke rente vanaf 13 november 2023 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 30 (dertig) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft vergoed.
8. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.S. Flikweert, voorzitter,
en mrs. L. Stevens en F. van Laanen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.M. Voorwinden, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 13 april 2026.
Mr. Van Laanen is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.