ECLI:NL:RBROT:2026:6374

ECLI:NL:RBROT:2026:6374

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 22-05-2026
Datum publicatie 01-06-2026
Zaaknummer 10-190159-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

De verdachte wordt veroordeeld voor een poging tot doodslag van drie personen en het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen met daarin munitie. Tussen de verdachte en een van de slachtoffers heeft een confrontatie plaatsgevonden bij een café in Rotterdam. De verdachte is op enig moment door het slachtoffer in zijn buik gestoken en heeft in het café met een vuurwapen in zijn richting geschoten. Daarbij zijn twee willekeurige niet bij de confrontatie betrokken cafébezoekers, geraakt. Door zo te handelen heeft de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van deze drie slachtoffers bewust aanvaard. Het beroep op noodweer(exces) wordt verworpen omdat de verdachte gedurende het conflict anders had kunnen en moeten handelen. Van een hevige gemoedsbeweging bij de verdachte is geen sprake geweest. Het beroep op psychische overmacht wordt ook verworpen, omdat niet is gebleken van een drang waartegen de verdachte geen weerstand had kunnen en hoeven bieden. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar, met aftrek van het voorarrest. De twee ingediende vorderingen van de benadeelde partijen worden volledig toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10-190159-25

Datum uitspraak: 22 mei 2026

Datum zitting: 11 mei 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres [adres 1] , [postcode 1] in [woonplaats] ,

gedetineerd in de penitentiaire inrichting in [detentieplaats] .

Advocaat van de verdachte: mr. K. Blonk

Officier van justitie: mr. T. van den Bergh

Benadeelde partijen: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3]

Advocaat van de benadeelde partij [slachtoffer 1] : mr. M.N.A.J. de Vroom

Advocaat van de benadeelde partij [slachtoffer 3] : mr. F.J.M. Hamers

Kern van het vonnis

De verdachte wordt veroordeeld voor een poging tot doodslag van drie personen en het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen met daarin munitie. Op 21 juni 2025 heeft tussen de verdachte en een van de slachtoffers een confrontatie plaatsgevonden bij een café in Rotterdam. De verdachte is op enig moment door het slachtoffer in zijn buik gestoken en heeft in het café met een vuurwapen in zijn richting geschoten. Daarbij zijn twee willekeurige niet bij de confrontatie betrokken cafébezoekers, geraakt. Door zo te handelen heeft de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van deze drie slachtoffers bewust aanvaard. Het beroep op noodweer(exces) wordt verworpen omdat de verdachte gedurende het conflict anders had kunnen en moeten handelen. Van een hevige gemoedsbeweging bij de verdachte is geen sprake geweest. Het beroep op psychische overmacht wordt ook verworpen, omdat niet is gebleken van een drang waartegen de verdachte geen weerstand had kunnen en hoeven bieden. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar, met aftrek van het voorarrest. De twee ingediende vorderingen van de benadeelde partijen worden volledig toegewezen.

1. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – heeft gepoogd de heer [slachtoffer 1] , de heer [slachtoffer 2] en mevrouw [slachtoffer 3] van het leven te beroven, dan wel (heeft gepoogd) zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en – samen met de medeverdachte – een vuurwapen met daarin munitie voorhanden heeft gehad.

De volledige tenlastelegging houdt in dat:

1. primair

hij op of omstreeks 21 juni 2025 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] van het leven te beroven, meermalen met een vuurwapen op/richting [slachtoffer 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. subsidiair

hij op of omstreeks 21 juni 2025 te Rotterdam, aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een schotwond en/of meerdere doorboringen van de dikke darm en/of dunne darm heeft toegebracht, door meermalen met een vuurwapen op/richting [slachtoffer 1] te schieten;

1. meer subsidiair

hij op of omstreeks 21 juni 2025 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen met een vuurwapen op/richting [slachtoffer 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 primair

hij op of omstreeks 21 juni 2025 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3]

van het leven te beroven, meermalen met een vuurwapen op/richting die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 subsidiair

hij op of omstreeks 21 juni 2025 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen met een vuurwapen op/richting [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3

hij op of omstreeks 21 juni 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,

- een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Colt, model Government Competition, kaliber .45 auto, en/of

- munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III, te weten zeven kogelpatronen, kaliber .45 ACP, voorhanden heeft gehad.

2. Bewijs

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten 1 primair, 2 primair en 3. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor feit 1 primair en feit 2, voor zover dit ziet op de heer [slachtoffer 2] . De verdediging heeft zich ten aanzien van de feiten 2 primair (ten aanzien van mevrouw [slachtoffer 3] ) en 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

Oordeel van de rechtbank

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte heeft gepoogd de heer [slachtoffer 1] , de heer [slachtoffer 2] en mevrouw [slachtoffer 3] van het leven te beroven en – samen met de medeverdachte – een vuurwapen met daarin munitie voorhanden heeft gehad. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3. De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en, ten aanzien van feit 1 en 2, de onderstaande bewijsmotivering.

1. Verklaring van de verdachte

Op 21 juni 2025 ben ik in de avond naar Café [naam horecagelegenheid] in Rotterdam gegaan. Er was een karaoke avond georganiseerd waar veel mensen op af waren gekomen. Ik word ook wel [bijnaam verdachte] genoemd. Bij het café heb ik de medeverdachte, de heer [medeverdachte] , gezien. Ik heb mijn tasje met daarin het vuurwapen aan [medeverdachte] gegeven. Later heb ik mijn tasje met het vuurwapen voor het café van [medeverdachte] teruggepakt. Vervolgens ben ik terug gerend naar de ingang van het café. Ik ben door de deur van het café naar binnen gegaan. [slachtoffer 2] stond ook binnen bij de ingang. Hij is op mij afgekomen. Op dat moment heb ik het vuurwapen afgevuurd. Ik heb het tasje met het vuurwapen daarna onder een auto gelegd.

2. Proces-verbaal van de politie

Camerabeelden van Café [naam horecagelegenheid] in Rotterdam (CAM01 en CAM03) van 21 juni 2025:

Om 00:34:01 uur (tijdstempel beelden: 02:40:01 uur) zie ik, verbalisant, dat een persoon met snelheid naar binnen komt in Café [naam horecagelegenheid] . Deze persoon bleek later te zijn genaamd: [slachtoffer 2] . Ik zie dat [slachtoffer 2] naar links beweegt en daar uit beeld verdwijnt. Ik weet dat aan de linkerzijde van de camera zich een ruimte bevindt waar gokkasten staan. Om 00:34:04 uur (tijdstempel beelden: 02:40:04 uur) is te zien dat [verdachte] via de deur binnen komt. Er is duidelijk te zien dat [verdachte] een vuurwapen in zijn rechterhand vast heeft en deze gericht houdt in de richting vanwaar [slachtoffer 2] heen was gelopen. Ik zie dat meerdere bezoekers van het café bij de deur weg gaan en naar rechtsonder in beeld lopen. Er zitten op dat moment twee mensen bij een tafel vlakbij de ingang van het café. Zij zitten met hun rug naar de ingang van het café ten tijde dat [verdachte] met een vuurwapen naar binnen komt. Deze twee mensen blijken later opgenomen te zijn in het ziekenhuis met een schotwond.

3. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 3]

Op 21 juni 2025 was ik in Café [naam horecagelegenheid] in Rotterdam. Ik stond nabij de ingang met [slachtoffer 1] . Ik zag dat er buiten het café tumult was. Ik zag dat iemand de toegangsdeur probeerde dicht te houden. Ik zag dat een man met een vuurwapen vanaf buiten naar binnen probeerde te komen via deze toegangsdeur. Ik zag dat de man zijn hand met het vuurwapen door een kleine opening bij de toegangsdeur kreeg en hoorde dat de man één of twee keer schoot. Ik voelde direct dat ik geraakt was. Ik voelde een brandende pijn in mijn linkerzij. Ik zag en voelde dat er warm bloed over mijn linkerzij stroomde.

4. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 1]

Op 21 juni 2025 was ik in Café [naam horecagelegenheid] in Rotterdam. Ik zag twee personen heen en weer rennen. Het leek alsof zij ruzie met elkaar hadden. Ik zag dat beide mannen vanaf buiten het café probeerden binnen te komen. Ik zag dat persoon 2 het café binnenkwam. Ik zag dat een andere bezoeker van het café probeerde de deur dicht te houden voor persoon 1. Uiteindelijk lukte het persoon 1 om toch het café binnen te komen. Ik liep naar achteren en toen hoorde ik twee harde knallen. Ik voelde op dat moment heel veel pijn aan mij linker heup.

5. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 2]

Op 21 juni 2025 was ik in Café [naam horecagelegenheid] in Rotterdam. ‘ [bijnaam verdachte] ’ kwam binnenlopen met zijn pistool. Hij haalde hem naar achter en ik zag dat hij schoot. Ik hoorde de knallen en ik zag de vonken. De schoten waren op mij gericht.

6. Deskundigenverslag, FARR-verklaring [slachtoffer 3]

Gegevens ErasmusMC traumachirurg over opname op 21-06-2025. Wond, door de chirurg beschreven als schotwond, links onder de ribben boog en links naast de wervelkolom.

7. Deskundigenverslag, FARR-verklaring [slachtoffer 1]

Gegevens ErasmusMC over opname van 21-06-2025 tot 23-07-2025. Verwonding, benoemd als schotwond, ter hoogte van de linker heup met doorboring van de dikke darm 2 keer en de dunne darm 3 keer en bloeduitstorting tussen buikholte en rug. Er is een spoedoperatie verricht om het darmletsel te repareren en op 29-06-2025 een heroperatie. De kogel is verwijderd. Geschatte genezingsduur bij ongecompliceerd beloop 6 weken met kans op terugkerende buikproblemen.

8. Proces-verbaal van de politie

Camerabeelden Team Technisch Toezicht (B3039 Aleidisstraat Rotterdam) van 21 juni 2025. Omstreeks 00:34:07 uur is te zien dat [verdachte] aan komt rennen. Te zien is dat [verdachte] tussen twee geparkeerde voertuigen stopt en kort bukt. Omstreeks 00:43:28 uur is te zien dat [medeverdachte] de Witte van Haemstedestraat oploopt en dat hij tussen twee geparkeerde voertuigen stopt. Te zien is dat [medeverdachte] tussen deze twee geparkeerde voertuigen bukt en opstaat. Te zien is dat dit de twee geparkeerde voertuigen zijn waar [verdachte] eerder op de avond ook even stilstond en bukte. Te zien is dat [medeverdachte] een voorwerp in zijn hand heeft en ernaar kijkt.

9. Schriftelijk stuk, kennisgeving van inbeslagname

Plaats: [adres 2] , [postcode 2] Rotterdam (kelderbox)

Datum: 23 juni 2025

Beslagene: [medeverdachte]

Woonplaats: [adres 2] , [postcode 2] Rotterdam

Inbeslaggenomen voorwerpen:

Goednummer: [nummer proces-verbaal 1]

Object: Vuurwapen (Pistool) met patroonmagazijn

Goednummer: [nummer proces-verbaal 2]

Object: 7 stuks kogelpatronen uit patroonmagazijn

10. Proces-verbaal van de politie

Goednummer: [nummer proces-verbaal 1]

Object: Vuurwapen (Pistool) met patroonmagazijn

Het inbeslaggenomen voorwerp is een pistool met patroonmagazijn van het merk Colt, model Government Competition in het kaliber .45 auto. Derhalve is dit pistool een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2, lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie.

Goednummer: [nummer proces-verbaal 3]

Object: Munitie (Kogelpatroon)

Aantal/eenheid: 7 stuks

Bijzonderheden: Uit patroonmagazijn

De inbeslaggenomen voorwerpen betreffen 7 kogelpatronen, merk GFL, van het kaliber .45 acp. Deze kogelpatronen zijn munitie in de zin van artikel 1, onder 4° gelet op artikel 2, lid 2, categorie III van de Wet wapens en munitie.

Bewijsmotivering feit 1 en 2

Op basis van de hiervoor genoemde inhoud van de bewijsmiddelen staat vast dat de verdachte in een café waar zich meerdere personen bevonden ten minste eenmaal een vuurwapen heeft afgevuurd in de richting van de heer [slachtoffer 2] , terwijl de heer [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 3] in dat café op korte afstand van de heer [slachtoffer 2] stonden. Deze situatie ontstond nadat er eerst een confrontatie buiten tussen de verdachte en de heer [slachtoffer 2] was geweest, waarna de verdachte vervolgens een vuurwapen heeft gepakt en achter de heer [slachtoffer 2] aan het café is binnengegaan.

Door in een drukbezocht café op korte afstand met een vuurwapen te schieten in de richting van de heer [slachtoffer 2] , terwijl de heer [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 3] zich vlakbij de heer [slachtoffer 2] in dat café bevonden, bestond de aanmerkelijke kans op de dood van deze personen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de heer [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 3] daadwerkelijk zijn geraakt, beiden ter hoogte van de buikstreek, waar zich vitale lichaamsdelen bevinden. Bovendien wist de verdachte dat het café een kleinere ruimte betrof waar die avond veel mensen aanwezig waren, aangezien hij zich gedurende de avond in en rondom het café begaf en heeft verklaard dat er een karaoke avond was georganiseerd waar veel mensen op af waren gekomen. Desondanks heeft hij binnen in het café geschoten. Die gedraging van de verdachte kan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg, namelijk de dood, ook heeft aanvaard. Anders dan de verdediging acht de rechtbank ook het voorwaardelijk opzet op de dood van de heer [slachtoffer 1] en de heer [slachtoffer 2] bewezen. Het op zo’n korte afstand met een vuurwapen schieten in een druk café in waar zich meerdere personen bevinden, maakt volgens de rechtbank dat de verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door dit schot ook die mensen dodelijk getroffen kunnen worden. Dat die personen uiteindelijk niet zijn geraakt, of eerst zijn geraakt nadat de kogel door een ander slachtoffer is gegaan, maakt dit niet anders.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

1. primair

hij op 21 juni 2025 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met een vuurwapen richting [slachtoffer 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 primair

hij op 21 juni 2025 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]

van het leven te beroven, met een vuurwapen op/richting die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 3] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3

hij op 21 juni 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander, ,

- een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Colt, model Government Competition, kaliber .45 auto, en

- munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III, te weten zeven kogelpatronen, kaliber .45 ACP, voorhanden heeft gehad.

3. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de (meerdaadse samenloop van) volgende strafbare feiten op:

Feit 1 primair

poging doodslag;

Feit 2 primair

poging doodslag, meermalen gepleegd;

Feit 3

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet

wapens en munitie.

Strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Standpunt verdediging

De verdachte dient voor de tenlastegelegde geweldsdelicten (feit 1 en feit 2) te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Primair omdat de verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt. De verdachte is alvorens hij schoot, buiten voor het café in zijn buik gestoken met een mes door de heer [slachtoffer 2] . Subsidiair is sprake van noodweerexces. Bij de verdachte was sprake van een hevige gemoedsbeweging, waardoor hij met het vuurwapen heeft geschoten terwijl de noodweersituatie reeds geëindigd was. Meer subsidiair is er sprake van psychische overmacht omdat de verdachte door het steken handelde vanuit een acute psychische druk.

Standpunt van de officier van justitie

De verweren moeten worden verworpen. Los van de vraag op welk moment de verdachte zelf is gestoken geldt dat hij na de eerste confrontatie tussen hem en [slachtoffer 2] en na eerst zelf te zijn weggelopen alsnog [slachtoffer 2] weer heeft opgezocht door terug te gaan naar het café en in het café met een geladen vuurwapen op hem af te lopen en te schieten. Derhalve is er geen sprake van een noodweersituatie en dient het verweer op noodweer(exces) te worden verworpen. Evenmin is sprake van psychische overmacht.

Oordeel van de rechtbank

Op 21 juni 2025 heeft er tussen de verdachte en de heer [slachtoffer 2] een confrontatie plaatsgevonden bij Café [naam horecagelegenheid] in Rotterdam. Buiten voor het café ontstond een confrontatie waarbij de heer [slachtoffer 2] de verdachte op enig moment in zijn buik heeft gestoken met een mes en de verdachte in het café met een vuurwapen in de richting van de heer [slachtoffer 2] heeft geschoten. Voor een beroep op noodweer is vereist dat sprake is van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Vast staat dat de verdachte op enig moment door de heer [slachtoffer 2] is gestoken en dat een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding is. De rechtbank kan alleen niet vaststellen op welk moment de verdachte door de heer [slachtoffer 2] is gestoken. Er bestaan aanwijzingen dat de verdachte buiten voor het café is gestoken, maar er bestaan ook aanwijzingen dat de verdachte pas binnen in het café bij de ingang is gestoken. Op camerabeelden is te zien dat de heer [slachtoffer 2] op enig moment buiten het café met een versnelde pas komt aanlopen in de richting van de verdachte en hem vervolgens duwt óf steekt, waardoor de verdachte naar achter valt. De verdachte is vervolgens opgestaan, versnelt voor een paar meter in richting Middellandplein, stopt, draait om en is daarna langs de heer [slachtoffer 2] gelopen en een aantal meter de Witte van Haemstedestraat ingerend. De heer [slachtoffer 2] is achter de verdachte aangelopen, maar stopt na een aantal stappen en loopt dan terug in de richting van het café. De verdachte heeft er op dat moment voor gekozen om zijn tasje met daarin een vuurwapen – die hij eerder die avond aan de medeverdachte heeft gegeven – van de medeverdachte te pakken en met ferme pas terug te rennen in de richting van de ingang van het café, naar de heer [slachtoffer 2] toe. De heer [slachtoffer 2] is vervolgens het café binnengegaan en is, met op dat moment een mes in zijn hand, achteruit in de richting van de gokkasten gelopen. Meerdere getuigen hebben verklaard dat de verdachte heeft geprobeerd het café binnen te komen via de toegangsdeur, maar dat dit in eerste instantie niet is gelukt omdat die deur werd tegengehouden door iemand in het café. De verdachte is vervolgens toch binnengekomen en heeft daarbij het vuurwapen op de heer [slachtoffer 2] gericht. De heer [slachtoffer 2] heeft vervolgens een steekbeweging in de richting van de verdachte gemaakt en de verdachte heeft vervolgens ten minste eenmaal geschoten met het vuurwapen. Deze situatie – van het begin van de confrontatie buiten bij het café tot het moment van schieten – heeft in een zeer korte tijd plaatsgevonden. De tijd tussen het vallen van de verdachte en het lossen van het schot betreft minder dan een halve minuut. De rechtbank is – ondanks het korte tijdsverloop – van oordeel dat er meerdere momenten zijn dat de verdachte anders had kunnen en moeten handelen. Dit is zelfs het geval als de rechtbank de verklaring van de verdachte volgt en ervan uitgaat dat de verdachte al buiten het café is gestoken door de heer [slachtoffer 2] . De verdachte had zich aan deze aanranding kunnen en moeten onttrekken door weg te lopen van de heer [slachtoffer 2] . Onder de gegeven omstandigheden bestond daartoe voor de verdachte op meerdere momenten een reële en redelijke mogelijkheid, terwijl ook van de verdachte kon worden gevergd dat hij zou vluchten. Op het moment dat de verdachte opstaat na de confrontatie met [slachtoffer 2] , loopt hij eerst weg in de richting van het Middellandplein. Daarna rent de verdachte de Witte van Haemstedestraat in, langs en weg van de heer [slachtoffer 2] . Tenslotte bevond de verdachte zich voor een dichte deur van het café. Dit zijn allemaal momenten waarop de verdachte niet alleen kon vluchten, maar van de verdachte ook mocht worden verwacht dat hij zou vluchten, te meer nu de verdachte zelf een vuurwapen op zak had (hetgeen bovendien ook een ‘zwaarder’ wapen is dan het wapen dat de heer [slachtoffer 2] bij zich droeg). Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden wordt het beroep op noodweer daarom verworpen. Met betrekking tot het beroep op noodweerexces merkt de rechtbank op dat niet aannemelijk is geworden dat bij de verdachte sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging, waarin hij zijn handelingen heeft verricht. Dat de verdachte heeft verklaard kortsluiting, paniek en angst te hebben gehad is daarvoor onvoldoende. De stelling van de verdediging dat de verdachte uit ervaring wist hoe levensgevaarlijk een messteek kon zijn, omdat zijn vriend door een messteek om het leven is gekomen, maakt dat niet anders.

Het beroep op psychische overmacht wordt eveneens verworpen omdat naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. De enkele stelling dat de verdachte door gestoken te worden, verkeerde in een toestand van “grote paniek, pijn, angst, adrenaline en verwarring”, is daarvoor onvoldoende.

De verweren worden verworpen. De verdachte is strafbaar.

4. Straf

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor de feiten 1 primair, 2 primair en 3 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaar met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank tot een strafoplegging komt, wordt verzocht rekening te houden met de omstandigheden waaronder de verdachte het schot heeft gelost, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en zijn spijtbetuiging.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag met drie slachtoffers en het voorhanden hebben van een geladen vuurwapen en munitie. Dit zijn zeer ernstige feiten. Na een conflict met één van de slachtoffers heeft de verdachte in een drukbezocht café met een vuurwapen richting dit slachtoffer geschoten. Hierbij werden twee andere slachtoffers, die geen enkele betrokkenheid hadden bij het conflict, geraakt. Dat niemand dodelijk gewond is geraakt, mag een wonder heten en is verder ook te danken aan kundig medisch ingrijpen en niet aan het gedrag van de verdachte. Eén van de slachtoffers heeft als gevolg van het incident meerdere operaties moeten ondergaan en verbleef gedurende een maand in het ziekenhuis. Hij ondervindt nog steeds lichamelijke gevolgen van het schietincident. Een ander slachtoffer heeft, naast lichamelijk letsel, ernstige psychische klachten ontwikkeld. Uit haar ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt dat zij sinds het incident lijdt aan een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Zoals uit ervaring bekend is, leiden dergelijke vormen van geweld vaak tot langdurige en ingrijpende psychische en fysieke gevolgen, hetgeen in deze zaak duidelijk naar voren komt. Het bezit van een wapen leidt veelal tot gebruik daarvan, zoals ook in deze zaak opnieuw is gebleken. Het handelen van de verdachte heeft niet alleen ingrijpende gevolgen gehad voor de direct betrokken slachtoffers, maar draagt ook bij aan gevoelens van onveiligheid bij overige cafébezoekers en de samenleving in het algemeen, zeker omdat bij het shot willekeurige personen zijn geraakt.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 26 maart 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor vuurwapenbezit, maar niet in de afgelopen vijf jaar is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.

In het rapport van Reclassering Nederland van 15 oktober 2025 staat onder meer het volgende. De reclassering schat het recidiverisico in als laag en acht interventie of toezicht niet geïndiceerd. Op de meeste leefgebieden worden geen problemen gezien. De verdachte heeft inkomen uit werk, heeft een stabiele huisvesting en heeft een vriendin en drie kinderen. De reclassering adviseert dan ook bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.

Oplegging straf

Gelet op de ernst van de strafbare feiten is enkel een gevangenisstraf passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd. De rechtbank zal een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist. Daarbij houdt de rechtbank – meer dan de officier van justitie – rekening met het feit dat de verdachte zelf ook letsel heeft opgelopen doordat hij in zijn buik is gestoken die avond, door één van de slachtoffers. Hiervoor is de verdachte opgenomen geweest in het ziekenhuis en geopereerd. Door de raadsvrouw zijn ter zitting stukken overlegd waaruit blijk dat de verdachte hiervan tot op heden lichamelijke gevolgen ondervindt en onder behandeling staat. De rechtbank legt alles overwegend een gevangenisstraf van zeven jaar op, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

5. Vordering van de benadeelde partijen

Vorderingen

[slachtoffer 1] heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 4.086,80 als vergoeding voor materiële schade en € 30.500,00 als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[slachtoffer 3] heeft als benadeelde partij voor feit 2 € 1.059,22 als vergoeding voor materiële schade, € 12.500,00 als vergoeding voor immateriële schade en € 2.500,00 als vergoeding voor toekomstige schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] kunnen, met uitzondering van de gevorderde toekomstige schade van € 2.500,00, in zijn geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De benadeelde partijen moet niet-ontvankelijk verklaard worden in hun vorderingen, omdat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Subsidiair is verzocht de immateriële schadevergoeding ten aanzien van [slachtoffer 3] te matigen en haar ten aanzien van de nader te onderbouwen schade van € 2.500,00 niet-ontvankelijk te verklaren. Voor het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1]

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder feit 1 gepleegde strafbare feit. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 4.086,80 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit eveneens rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen. Die schade wordt naar billijkheid begroot op het gevorderde bedrag van € 30.500,00. Hierbij is rekening gehouden met de aard en ernst van het letsel. Verder is bij de begroting rekening gehouden met de onderbouwing op basis van de Rotterdamse schaal. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 30.500,00 als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente voor het gehele bedrag toe vanaf 21 juni 2025.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,00.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 173 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 3]

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder feit 2 gepleegde strafbare feit. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 1.059,22 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit eveneens rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen. Daarnaast heeft de benadeelde partij ook psychisch letsel opgelopen, hetgeen wordt meegewogen in de hoogte van de schade. De schade wordt naar billijkheid begroot op het gevorderde bedrag van € 12.500,00. Hierbij is rekening gehouden met de aard en ernst van het letsel, de reeds ondergane behandelingen en het feit dat de benadeelde partij nog steeds onder behandeling staat. De rechtbank heeft bij de begroting van de schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 12.500,00 als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren voor het resterende deel, te weten de nader te onderbouwen schade van € 2.500,00. Dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente voor het gehele bedrag toe vanaf 21 juni 2025.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,00.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 92 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

6. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 45, 47, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

7. Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 primair, 2 primair en 3, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 7 (zeven) jaar;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1]

veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1), te betalen een bedrag van € 34.586,80, bestaande uit € 4.086,80 als vergoeding van materiële schade en € 30.500,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 21 juni 2025 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] aan de staat € 34.586,80 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 21 juni 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 173 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed;

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 3]

veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 2), te betalen een bedrag van € 13.559,22, bestaande uit € 1.059,22 als vergoeding van materiële schade en € 12.500,00 als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 21 juni 2025 tot de dag van volledige betaling;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 2 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 3] aan de staat € 13.559,22 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 21 juni 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 92 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.

8. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.J.M. van Beckhoven, voorzitter,

en mrs. H.C. van Vuren en E.M. Moison, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.S. Brouwer, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 22 mei 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.J.M. van Beckhoven

Griffier

  • mr. E.S. Brouwer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand