RECHTBANK ROTTERDAM
Wrakingskamer
zaaknummer: C/10/711014 / HA RK 25-1169
Beslissing van 9 februari 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te Barendrecht,
hierna te noemen: verzoeker,
gemachtigde [naam],
strekkende tot de wraking van
mr. G.P. Kleijn,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1. De procedure
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de bestuurszaken met nummers 25/762, 25/3818 en 25/4507. Die zaken betreffen beroepen van verzoeker tegen uitspraken van de inspecteur van de Belastingdienst op bezwaren van verzoeker. De dossiers van deze zaken zijn ter beschikking gesteld aan de wrakingskamer.
Het verloop van de procedure blijkt verder uit:
het schriftelijke wrakingsverzoek van verzoeker van 26 november 2025;
het schrijven van verzoeker van 27 november 2025 met wrakingsgronden;
de schriftelijke reactie van de rechter van 4 december 2025.
Bij de mondelinge behandeling zijn verzoeker en zijn hiervoor genoemde gemachtigde verschenen. De rechter had voorafgaand aan de mondelinge behandeling laten weten niet te zullen verschijnen.
2. Het wrakingsverzoek
Verzoeker heeft -samengevat- het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. I. Het FSV-dossier was ruim drie jaar en vijf maanden geleden al bekend in Rotterdam met een ander procedurenummer en is intussen meerdere keren tussen de rechtbanken Den Haag en Rotterdam heen en weer gegaan. In de procedures bij de rechtbank bleek Den Haag ook een oordeel te vellen over de FSV-registraties zonder dat zij beschikte over dit FSV-dossier. Hierin was de rol van de teamvoorzitter Bestuursrecht ook van belang.
De rechter, die als oud-vicepresident van de Rechtbank Den Haag dicht bij het gerechtsbestuur Den Haag en de teamvoorzitter Bestuursrecht staat, maakte tot 1 april 2025 onderdeel uit van team Bestuursrecht Den Haag. De (schijn van) partijdigheid moet worden voorkomen. Haagse rechters gaan over hun eigen dossier in de Rechtbank Rotterdam oordelen en een eerlijke behandeling lijkt bij voorbaat illusoir.
II. De publiciteit over de liegende rechter van stichting 'De verbeelding' met foto van de rechter op X, het nog steeds geconstateerde gebrek aan beroepsgegevens van de rechter op rechtspraak.nl en het feit dat de rechter procesbeslissingen in zijn eigen procedure niet kende, zijn dermate stuitend en recent, dat belanghebbende in alle redelijkheid er geen vertrouwen in heeft dat de rechter als onafhankelijke en professionele rechter eindelijk dit FSV geschil in een instantie (zonder hoger beroep) in goede justitie zal gaan behandelen. De schijn van partijdigheid is evident en verschoning door de rechter in deze procedures lijkt eerder een kwestie van tijd te zijn.
III. In de brief van 19 november 2025 voorziet de rechter zelf in dit verzoek om een voorlopige voorziening door te suggereren dat de spoedeisendheid niet aan de orde is en een en ander ‘mogelijk’ ook op de zitting van 4 december 2025 kan worden besproken. Het woord 'mogelijk’ suggereert vooringenomenheid in deze netelige kwestie, die al jaren tussen twee rechtbanken heen en weer zwierf. Dit terwijl het verzoek om een voorlopige voorziening juist was gericht op verdagen van de zitting van 4 december 2025 om een volledige dossierbehandeling en de werking van artikel 6 EVRM op zitting mogelijk te maken.
De zitting van 27 mei 2025 is mede op verzoek van belanghebbende en gemachtigde uitgesteld omdat de zaken en dossiers 25/3818 en 25/4507 nog niet volledig waren. Hierna besloot de rechtbank deze lijn te volgen en genoemde zaken te voegen. In de lijn van een behoorlijke procesorde ligt het voor de hand dat wie A zegt, ook B moet zeggen en een integraal dossier ingevolge artikel 8:42 Awb dient te laten overleggen door verweerder(s). Met de toon in de brief van 19 november 2025 van de rechter wordt de schijn gewekt hier geen 'zin an’ te hebben en de zaak zo spoedig mogelijk op zitting af te willen ronden. De schijn dat snelheid en afronden belangrijker is dan zorgvuldigheid en een behoorlijke procesorde blijkt ipso facto uit de toon en inhoud van deze brief.
IV. Uit de brief van 19 november 2025 van de rechter kan worden vastgesteld:
- Dat het plausibel is dat niet alle correspondentie door de rechter volledig is gelezen en/of moedwillig als zodanig onjuist is geïnterpreteerd, wat partijdigheid bewijsbaar maakt.
- Uit de correspondentie blijkt nadrukkelijk welke informatie ontbreekt in alle genoemde procedures. De opmerking van de rechter in de brief van 19 november jl. dat uit de correspondentie niet kan worden opgemaakt over welke stukken het gaat, is daarom apert onjuist. Ipso facto is hier sprake van een partijdig standpunt door de rechter.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten; bij brief van 4 december 2025 heeft hij op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.
3. De beoordeling
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden, die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
De omstandigheden die verzoeker heeft aangevoerd bieden geen aanwijzing voor het oordeel dat de rechter door zijn persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig is.
Vervolgens moet worden onderzocht of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, toch een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoeker van belang, maar is deze niet doorslaggevend.
De wrakingskamer is van oordeel dat dit laatste niet het geval is; zij zal hierna per wrakingsgrond uitleggen waarom.
Wrakingsgrond I : de rechter is oud vicepresident van de rechtbank Den HaagVerzoeker stelt dat de rechter tot 1 april 2025 onderdeel uitmaakte van het team Bestuursrecht en dicht bij het gerechtsbestuur van de rechtbank Den Haag staat. Als Haagse rechters in de Rechtbank Rotterdam over hun eigen dossiers gaan oordelen, lijkt een eerlijke behandeling bij voorbaat illusoir.
De omstandigheid dat een rechter betrokken is geweest in een andere procedure van verzoeker is op zichzelf geen grond voor toewijzing van een wrakingsverzoek. De rechter wordt ook in dat geval vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen. Niet gebleken is van concrete feiten of omstandigheden waaruit vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan worden afgeleid. De omstandigheid dat het hier om een seniorrechter gaat – door verzoeker met een obsolete term aangeduid als vicepresident – doet hier niet aan af. Hetgeen door de verzoeker op dit punt is aangevoerd, vormt geen grond voor wraking.
Wrakingsgrond II: de rechter is geen onafhankelijke en professionele rechter Verzoeker stelt onder andere onder verwijzing naar publicaties van Stichting de Verbeelding waarin de rechter wordt aangeduid als ‘de liegende rechter’, dat hij er in alle redelijkheid geen vertrouwen in heeft dat de rechter als onafhankelijke en professionele rechter het FSV-geschil in één instantie en in goede justitie zal gaan behandelen.
Deze door verzoeker aangevoerde grond omvat slechts veronderstellingen en suggesties. Concrete feiten waaruit de rechtbank de vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden, ontbreken. Hetgeen door de verzoeker op dit punt is aangevoerd, vormt geen grond voor wraking.
Wrakingsgrond III : de brief van 19 november 2025: de rechter beslist zelf over het verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoeker stelt dat de rechter in de brief van 19 november 2025 zelf heeft voorzien in het verzoek om een voorlopige voorziening door te suggereren dat spoedeisendheid niet aan de orde is en dat een en ander ‘mogelijk’ ook op de zitting van 4 december 2025 kan worden besproken.
De wrakingskamer stelt voorop dat de beslissing van de rechter om het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet als spoedeisend te kwalificeren, daarbij verwijzend naar de zitting van 4 december 2025, een processuele beslissing is. Voor dergelijke beslissingen geldt dat onvrede over de genomen beslissing op zichzelf onvoldoende grond is voor wraking. Alleen indien de beslissing zo onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees voor een dergelijke vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden. Naar het oordeel van de wrakingskamer heeft verzoeker hiertoe evenwel geen feiten of omstandigheden gesteld. Het bepaalde in artikel 6 EVRM maakt niet dat de beslissing van de rechter als vooringenomen kan worden beschouwd. De beslissing van de rechter komt de wrakingskamer ook niet onlogisch voor gelet op het feit dat tussen het verzoek om een voorlopige voorziening en de reeds geplande zitting een tijdsbestek van slechts ongeveer twee weken zat. Hetgeen door de verzoeker op dit punt is aangevoerd, vormt derhalve geen grond voor wraking.
Wrakingsgrond IV: de brief van 19 november 2025: de rechter leest de stukken niet goed en de toonzetting van de brief suggereert vooringenomenheid.Verzoeker stelt dat uit de brief naar voren komt dat de rechter niet alle correspondentie volledig heeft gelezen en/of dat de rechter de correspondentie moedwillig onjuist heeft geïnterpreteerd, wat partijdigheid bewijsbaar maakt. De opmerking van de rechter in de brief van 19 november jl. dat uit de correspondentie niet kan worden opgemaakt over welke stukken het gaat is apert onjuist. Hier is sprake van een partijdig standpunt door de rechter.Ook door de toon in de brief van 19 november 2025 van de rechter wordt de schijn van partijdigheid gewekt. Het wekt de schijn dat snelheid en afronden belangrijker is dan zorgvuldigheid en een behoorlijke procesorde.
Naar het oordeel van de wrakingskamer is de strekking van de brief van 19 november 2025 dat de zitting van 4 december 2025 ook als regiezitting zou worden gebruikt en dat de verzoeker op die zitting naar voren kon brengen welke informatie c.q. stukken hij nog miste. Op dat moment was dus nog niet beslist op de verzoeken van verzoeker om toezending van stukken en voeging van stukken in de dossiers. Dat er toen nog onduidelijkheid was over completering van de dossiers, is geen omstandigheid die maakt dat sprake is van een schijn van vooringenomenheid. Ook de omstandigheid dat de rechter geen kennis had genomen van alle door de verzoeker ingestuurde berichten, verzoeken en stukken, leidt niet tot schijn van vooringenomenheid. Immers, op het moment van de brief van 19 november 2025 stond de zitting twee weken later gepland. Het is niet ongebruikelijk dat rechters gelet op hun rooster eerst kort voor de zitting de stukken doornemen die voor de beslissing van belang zijn.
Ten slotte is de omstandigheid dat naar de subjectieve beleving van verzoeker uit de toonzetting van de brief (waaronder uit het gebezigde woord “mogelijk”) schijn van vooringenomenheid zou kunnen worden afgeleid, evenmin voldoende als grond voor wraking.
Uit het vorenstaande volgt dat geen van de door verzoeker aangedragen wrakingsgronden slaagt. Het door hem ingediende wrakingsverzoek zal daarom worden afgewezen.
4. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot wraking af;
Deze beslissing is gegeven door mr. P. Joele, voorzitter, mr. W.P.M. Jurgens en mr. F.P.J. Schoonen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V.A. Versloot, griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.