ECLI:NL:RBROT:2026:6384

ECLI:NL:RBROT:2026:6384

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 13-05-2026
Datum publicatie 01-06-2026
Zaaknummer 10-334149-24 en TUL: 03-253607-18
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

De verdachte heeft met een vuurwapen geschoten op het slachtoffer, waardoor het slachtoffer tweemaal werd geraakt. De verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Omdat het beroep op noodweer wordt gehonoreerd, wordt de verdachte voor dit feit ontslagen van alle rechtsvervolging. De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het beschadigen van een auto, door deze auto tijdens het schieten richting het slachtoffer te raken. De verdachte wordt vrijgesproken van het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie, omdat daarvoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voorhanden is. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig dagen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10-334149-24

Parketnummer vordering tenuitvoerlegging (TUL): 03-253607-18

Datum uitspraak: 13 mei 2026

Datum zitting: 30 april 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres [adres] [postcode] [woonplaats] .

Advocaten van de verdachte: mrs. R.J. Jager en A. Boumanjal

Officier van justitie: mr. R.J.E. Planken

Kern van het vonnis

De verdachte heeft met een vuurwapen geschoten op het slachtoffer [slachtoffer 1] , waardoor [slachtoffer 1] tweemaal werd geraakt. De verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Omdat het beroep op noodweer wordt gehonoreerd, wordt de verdachte voor dit feit ontslagen van alle rechtsvervolging.

De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het beschadigen van een auto, door deze auto tijdens het schieten richting [slachtoffer 1] te raken.

De verdachte wordt vrijgesproken van het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie, omdat daarvoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voorhanden is.

De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig dagen.

1. Tenlastelegging

De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat

1.

hij op 14 oktober 2024 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, meermalen van een korte afstand die [slachtoffer 1] met een vuurwapen, althans een op een vuurwerp gelijkend voorwerp, in diens been en/of arm, althans het lichaam, heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 14 oktober 2024 te Rotterdam, een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1

- van categorie III, en/of

- van categorie II onder 1 van de Wet wapens en munitie,

en/of

voor dit vuurwapen geschikte munitie voorhanden heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 14 oktober 2024 te Rotterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (Nissan Micra, kenteken [kentekennummer] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 2] , toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

2. Vrijspraak feit 2

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het onder feit 2 ten laste gelegde voorhanden hebben van zowel een vuurwapen als munitie.

Oordeel van de rechtbank

Aan de verdachte is onder feit 2 ten laste gelegd dat hij op 14 oktober 2024 een vuurwapen ofwel van categorie II dan wel van categorie III van de Wet wapens en munitie en voor dit vuurwapen geschikte munitie voorhanden heeft gehad.

Deze verdenking houdt verband met het schietincident, zoals onder feit 1 ten laste is gelegd. Weliswaar kan worden vastgesteld dat de verdachte over een vuurwapen de beschikking heeft gehad en dat hij dat vuurwapen ook heeft gebruikt, maar dat vuurwapen is niet aangetroffen. Het dossier bevat geen enkele specifieke informatie over het door de verdachte gebruikte vuurwapen. Wat betreft de ten laste gelegde munitie bevat het dossier slechts globale informatie over de vier op en nabij de plaats delict aangetroffen patroonhulzen en daarmee dus slechts over onderdelen van munitie. Er is kennelijk geen volledige, aan de verdachte te linken munitie aangetroffen. De rechtbank acht onder deze omstandigheden dat het onder feit 2 ten laste gelegde, te weten het voorhanden hebben van een vuurwapen ofwel van categorie II dan wel van categorie III van de Wet wapens en munitie en voor dit vuurwapen geschikte munitie niet wettig en overtuigend is bewezen.

De verdachte zal daarom van het onder feit 2 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

3. Bewijs feiten 1 en 3

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten 1 en 3.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit voor de feiten 1 en 3.

Oordeel van de rechtbank

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de poging tot doodslag op het slachtoffer [slachtoffer 1] (feit 1) en het beschadigen van een personenauto (feit 3). De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.

De bewezenverklaring van de feiten 1 en 3 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.

1. Verklaring van de verdachte

Ik had een aantal doodsbedreigingen gekregen. Ik had daarvan gehoord via vrienden en bekenden. Ik had veel stress en angst.

Ik werd gebeld door een vriend die mij zou ophalen. Ik liep naar beneden. Ik had een wapen bij mij. Ik zag mijn vriend niet. Ik wilde teruglopen naar mijn flat. Iemand riep mij, ik hoorde mijn naam. Ik schrok. Ik keek rechts van mij en zag twee jongens in het zwart gekleed met handschoenen. De eerste jongen deed zijn handen in zijn zakken en zat te frommelen. Ik hoorde een klik. Ik keek en zag bij die jongen de achterkant en bovenkant van een vuurwapen in zijn hand. Het ging toen heel snel. Ik liep naar achter, die jongen was dichtbij. Ik trok het vuurwapen en was in paniek, ik was bang en handelde uit instinct. Ik denk dat ik twee keer heb geschoten.

U zegt mij dat de bestuurder, [slachtoffer 1] , twee keer is geraakt.

Hij was dichtbij, op een afstand van zo’n twee, drie meter.

2. Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachteMijn vrienden zeiden dat ik werd gezocht en dat mensen mij dood wilde hebben. Ik vroeg hen willen zij mij dood of willen ze mij wat aan doen? “Nee echt dood hebben.”

Dus die vriend belde mij: “Ik kom langs” en ik zei: “Nee” en hij zei: “Ja wel want we gaan uit de buurt.” Hij zei: “Ik ben er met 1 minuut.” Ik zei: “Okay is goed” en ik ging naar buiten. Ik dacht dat als ik buiten was, dat hij er zou zijn. Ik ging naar buiten. Ik nam mijn wapen mee. Waarom? Ik liep de afgelopen periode door de doodsbedreigingen met een wapen. Die vriend van mij zei: “Hier heb je een wapen,

want dan kan je jezelf verdedigen.” Ik was echt bang voor mijn leven.

Wat voor wapen was het?

Het was een handvuurwapen.

3. Proces-verbaal van de rechter-commissaris, verklaring [medeverdachte]

U zegt mij dat wij op 14 oktober 2024 stonden op de [naam locatie] . U vraagt mij op wie ik aan het wachten was. Ik kreeg foto's en de opdracht die dag om iemand te intimideren en bang te maken.

De opdracht was dat diegene geknuppeld en geïntimideerd moest worden. Hij moest mishandeld worden. U vraagt mij of dat allemaal hetzelfde is of dat intimideren nog iets anders is. Ja, ik moest hem stevig aanpakken. U vraagt mij wat het plan was. Ik moest hem opwachten en op het moment dat ik hem zag moest ik de opdracht uitvoeren.

U vraagt mij of ik voorwerpen had meegenomen. Ik had een ijzeren luchtdrukwapen

meegenomen dat lijkt op een pistool. Van een afstand zou je kunnen denken dat het een echt vuurwapen was.

U vraagt mij of ik uiteindelijk iets met het vuurwapen heb gedaan. Toen ik in de auto zat liep degene op de foto's langs de auto en ik herkende hem. Toen was ik uitgestapt

met een wapenstok in mijn linkerhand. In mijn rechterzak had ik het luchtdrukwapen.

Ik riep diegene. Hij draaide zich om en liep naar mij toe. Hij zag dat ik die wapenstok in mijn handen had en toen pakte ik het wapen uit mijn zak. Hij zag dat en toen hij dat zag was er een snel iets. Het ging snel. Ik zag dat hij zijn vuurwapen trok en het vuur opende.

4. Proces-verbaal van de politieOp 14 oktober 2024 kreeg ik, verbalisant, het verzoek om te gaan naar de [naam locatie] te Rotterdam. Aldaar zou iemand zijn neergeschoten.

Aan de [naam locatie] zag ik een Ford Ka op de parkeerplaats staan. Ik zag dat er

een manspersoon op de grond zat naast het voertuig, aan de bestuurderszijde. Dit bleek later het slachtoffer [slachtoffer 1] te zijn.

5. Proces-verbaal van de politie

Bij nader onderzoek van zijn verwondingen zagen wij, verbalisanten, dat het slachtoffer een schotwond in zijn linkerbeen had, ongeveer 15 centimeter onder de knie, in zijn kuit. Verder zagen wij dat het slachtoffer ook gewond was aan de binnenkant van zijn

linkerarm, ongeveer 10 centimeter onder zijn ellebooggewricht.

6. Proces-verbaal van de politie

Op 15 oktober 2024 was ik, verbalisant, in het Erasmus Medisch Centrum om in gesprek te gaan met het slachtoffer [slachtoffer 1] . Ik hoorde [slachtoffer 1] het volgende verklaren: “Ik ben in mijn arm en been geschoten.”

7. Proces-verbaal van de politie

Door getuige [naam getuige] werden camerabeelden ter beschikking gesteld. Dit betroffen beelden van een camera die, vanuit een woning op de 3e etage, uitkeek op het parkeerterrein voor de flat aan de [naam locatie] te Rotterdam. Ik hoorde dat de camera ook geluid opnam. Ik zag dat de beelden waren aangeleverd van 14 oktober 2024.

Op 15 oktober 2024 bekeek ik, verbalisant, de aangeleverde camerabeelden.

Ik zag dat om 16:35:07 uur vanaf de rechterkant in beeld een witte bestelbus langs kwam rijden. Ik zag daar achteraan een persoon, vanuit dezelfde richting, aan kwam lopen. Ik zag dat deze persoon in een vlot tempo aan kwam lopen. Ik zag dat deze persoon in een rechte lijn vlak voor de geparkeerde auto langsliep. Ik zag dat deze persoon donkergekleurde bovenkleding en een lichtgekleurde broek droeg.

Ik zag dat om 16:35:43 uur, wanneer de persoon die zojuist langs liep aan de linkerzijde bijna uit beeld raakte, zowel het bestuurdersportier als het bijrijdersportier werd geopend. Ik zag dat om 16:36:43 uur de bestuurder en de bijrijder allebei uit de geparkeerde auto stapten.

Ik zag dat om 16:36:33 uur de bestuurder voor de geparkeerde auto langs naar de bijrijderskant liep. Ik zag dat de bijrijder vervolgens de auto in leek te bukken en weer overeind kwam. Ik zag dat om 16:36:54 uur links in beeld een persoon aan kwam lopen, uit de richting van de Favrestraat.

Ik zag dat om 16:37:00 uur de bestuurder terug liep naar de bestuurderskant van de auto. Ik zag dat hij bij de linkervoorzijde van de auto bleef staan. Ik zag de persoon die van links aan kwam lopen, op de geparkeerde auto en de bestuurder afliep. Ik zag dat de persoon donkergekleurde bovenkleding droeg en een lichtgekleurde broek.

Ik zag dat om 16:37:07 uur de bestuurder een stap/beweging in de richting van de persoon met de lichtgekleurde broek deed. Ik hoorde op datzelfde moment snel achter elkaar drie harde knallen, die klonken als schoten. Ik zag dat de persoon met de lichtgekleurde broek tijdens de knallen weer achteruit rende.

Ik zag dat de persoon met de lichtgekleurde broek wegrende. Toen de persoon een eind was weggerend, hoorde ik nog een vierde knal.

8. Proces-verbaal van de politie

Op 14 oktober 2024 kwamen wij, verbalisanten, naar aanleiding schietincident, voor forensisch onderzoek aan op de locatie [naam locatie] te Rotterdam.

Het onderzoek vond plaats op een openbare parkeerplaats aan de [naam locatie] in

Rotterdam. Voor de parkeerplaats is de [naam flat] gesitueerd.

Ter plaatse zagen wij dat zich aan de voorzijde van de parkeerplaats, twee pylonen bevonden. Wij zagen dat zich onder pylon 1 een afgevuurde huls bevond.

Verder zagen wij op straat ter hoogte van een witte Hyundai nog een afgevuurde huls.

De speurhond, getraind op explosieven, munitie, hulzen en wapens, heeft nog twee afgevuurde hulzen gevonden ter hoogte van een Ford Fiesta en een Chevrolet Matiz.

Direct rechts van de auto van het slachtoffer stond een zwarte Nissan Micra met het

Nederlandse kenteken [kentekennummer] geparkeerd. Wij zagen dat hier zich een doorschotbeschadiging aan de rechter achterzijde van de auto bevond, ter hoogte van de achterruit. In de auto zagen wij tevens een doorschotbeschadiging in de hoofdsteun

gesitueerd aan de rechterachterzijde. Verder zagen wij een inschotbeschadiging in het linker achterportier, die in lijn liep met de doorschotbeschadiging van de hoofdsteun.

9. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever [slachtoffer 2]

Op 14 oktober 2024, om 17.20 uur, parkeerde ik mijn auto op de parkeerplaats voor de flat op de [naam locatie] in Rotterdam. Ik heb de auto toen onbeschadigd en in goede orde achtergelaten.

Op 14 oktober 2024, om 21.00 uur, had ik contact met een medewerker van de

politie, die vroeg of ik naar beneden kon komen met de sleutel van mijn auto. De politie ging een onderzoek starten omdat er een schietpartij was geweest, hierbij was er een kogel door de rechter achterdeur van mijn auto heen geschoten. De schade aan de auto was de rechter achterdeur, linker achterdeur en de hoedenplank. De schade kwam door de kogel.

Bewijsmotivering

3.3.2.1. Standpunt verdediging

De verdediging heeft wat betreft de onder 1 ten laste gelegde poging tot doodslag bepleit dat van een doelbewuste, op de dood gerichte handeling geen sprake is. Integendeel, het handelen van de verdachte duidt op handelen in een split second, zonder gerichtheid op een persoon, laat staan op een specifiek lichaamsdeel, en met het oog op het ontkomen aan een zeer dreigende situatie. Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte op het moment dat hij, om zichzelf te verdedigen, meerdere keren met een vuurwapen schoot in de richting van het slachtoffer [slachtoffer 1] , willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard, ook niet in voorwaardelijke zin, dat [slachtoffer 1] zou overlijden; de opzet op de (mogelijke) dood van [slachtoffer 1] ontbreekt. De verdachte dient ten aanzien van dit feit te worden vrijgesproken.

Wat betreft feit 3 dient de verdachte vrijgesproken te worden van de vernieling van de personenauto, omdat de verdachte op het moment dat hij met zijn vuurwapen meerdere keren schoot om zichzelf te verdedigen, daarbij onbedoeld de personenauto raakte. Niet bewezen kan worden dat verdachte daarmee deze auto opzettelijk heeft beschadigd.

3.3.2.2. Bewezenverklaring feit 1

Uit de hiervoor onder 2.3.1. gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte twee keer met een vuurwapen in de richting van het slachtoffer [slachtoffer 1] heeft geschoten waardoor [slachtoffer 1] vervolgens twee schotwonden opliep.

Uit de hiervoor opgenomen beschrijving van de camerabeelden van de [naam locatie] in Rotterdam volgt dat de verdachte, terwijl hij wegliep van twee mannen, meerdere schoten loste in de richting van die mannen; onder wie dus [slachtoffer 1] , die door twee kogels werd geraakt. De omstandigheid dat [slachtoffer 1] hierbij werd geraakt in niet-vitale lichaamsdelen, is

– gegeven het voorgaande – een gelukkige toevalligheid die echter niet aan het handelen van de verdachte is te danken. Door lukraak in de richting van het slachtoffer te schieten, terwijl hij zelf wegloopt, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer 1] dodelijk zou treffen. Er is dan ook sprake van voorwaardelijk opzet op de poging tot doodslag van [slachtoffer 1] .

Het verweer wordt verworpen.

3.3.2.3 Bewezenverklaring feit 3

De rechtbank acht de onder feit 3 ten laste gelegde vernieling van de Nissan Micra wettig en overtuigend bewezen gelet op de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen.. Door op een parkeerterrein in zijn vlucht te schieten richting zijn belagers, heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de beschadiging van de Nissan Micra. De verdachte heeft door zijn handelen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij omliggende auto’s, in dit geval specifiek de in de tenlastelegging bedoelde Nissan Micra, zou beschadigen.

Het verweer wordt verworpen.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

1.

hij op 14 oktober 2024 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet, meermalen van een korte afstand die [slachtoffer 1] met een vuurwapen, in diens been en arm, althans het lichaam, heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 14 oktober 2024 te Rotterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (Nissan Micra, kenteken [kentekennummer] ), toebehorende aan [slachtoffer 2] , heeft beschadigd,.

4. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

1.

poging tot doodslag;

3.

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Strafbaarheid van feit 1

Beroep op rechtvaardigingsgrond

De verdediging heeft wat betreft de onder 1 ten laste gelegde poging tot doodslag bepleit dat de verdachte, omdat hij handelde uit noodweer, moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De verdachte had zich immers te verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn lijf. Hij was bekend met de tegen hem geuite doodsbedreigingen en werd op 14 oktober 2024, nadat hij zijn woning had verlaten, geconfronteerd met twee in het zwart geklede, bewapende mannen die hem bij zijn naam riepen en op hem afliepen. Het vuurwapen dat de verdachte vervolgens gebuikte, droeg hij bij zich vanwege de door hem ervaren en niet op voorhand onaannemelijke dreiging.

Vanuit het perspectief van de verdachte op dat moment, onder de extreme druk en omstandigheden waarin hij mocht menen dat hij zijn leven zou (kunnen) verliezen, is het afvuren van een vuurwapen niet slechts voorstelbaar, maar ook juridisch verdedigbaar en voldoet het aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Standpunt van de officier van justitie

Aan de verdachte komt geen beroep op noodweer toe. Uit de van het dossier deel uitmakende videobeelden blijkt dat de verdachte recht op de twee mannen afliep en dat op het moment dat de mannen een eerste beweging richting de verdachte maken er al wordt geschoten door de verdachte. Van een, voorafgaand aan dit schieten, ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding als bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht, was op dat moment geen sprake. Subsidiair was het schieten door de verdachte op dat moment niet geboden voor de noodzakelijke verdediging. Er was voor de verdachte een reëel alternatief: hij had kunnen weglopen, de andere kant op. Daarnaast had de verdachte op andere, minder ingrijpende wijze kunnen handelen, bijvoorbeeld door alleen te dreigen met het vuurwapen of door in de lucht te schieten, in plaats van richting de mannen.

Oordeel van de rechtbank

Voor een geslaagd beroep op noodweer moet het door verdachte begane feit zijn begaan om dat het geboden was voor de ‘noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding’. Van een “ogenblikkelijke” aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding.

De rechtbank gaat op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden:

De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij al enige tijd voorafgaand aan 14 oktober 2024, werd bedreigd met de dood en dat hij bang was en angst had. Hij was die dag door een vriend gebeld die hem op zou komen halen. De verdachte had een vuurwapen bij zich. Hij zou buiten op die vriend wachten, maar die vriend is niet gekomen. In plaats daarvan werd hij opgewacht door twee mannen in zwarte kleding met handschoenen. De eerste jongen deed zijn handen in zijn zakken en zat te frommelen. De verdachte hoorde een klik en zag bij die jongen de achterkant en bovenkant van een vuurwapen in zijn hand. Hij heeft toen in paniek zijn vuurwapen getrokken en geschoten, waarbij hij het slachtoffer heeft geraakt. Daarna is hij weggerend.

Deze lezing van de gebeurtenissen wordt ondersteund door de bewijsmiddelen. In de eerste plaats de hiervoor als bewijsmiddel 3 opgenomen verklaring van [medeverdachte] , de man waarvan de verdachte zegt dat hij bij hem een vuurwapen zag. Deze verklaart immers (bij de rechter-commissaris) onder meer het volgende: U zegt mij dat wij op 14 oktober 2024 stonden op de [naam locatie] . U vraagt mij op wie ik aan het wachten was. Ik kreeg foto's en de opdracht die dag om iemand te intimideren en bang te maken.

De opdracht was dat diegene geknuppeld en geïntimideerd moest worden. Hij moest mishandeld worden. U vraagt mij of dat allemaal hetzelfde is of dat intimideren nog iets anders is. Ja, ik moest hem stevig aanpakken. U vraagt mij wat het plan was. Ik moest hem opwachten en op het moment dat ik hem zag moest ik de opdracht uitvoeren.

U vraagt mij of ik voorwerpen had meegenomen. Ik had een ijzeren luchtdrukwapen

meegenomen dat lijkt op een pistool. Van een afstand zou je kunnen denken dat het een echt vuurwapen was.

U vraagt mij of ik uiteindelijk iets met het vuurwapen heb gedaan. Toen ik in de auto zat liep degene op de foto's langs de auto en ik herkende hem. Toen was ik uitgestapt

met een wapenstok in mijn linkerhand. In mijn rechterzak had ik het luchtdrukwapen.

Ik riep diegene. Hij draaide zich om en liep naar mij toe. Hij zag dat ik die wapenstok in mijn handen had en toen pakte ik het wapen uit mijn zak. Hij zag dat en toen hij dat zag was er een snel iets. Het ging snel. Ik zag dat hij zijn vuurwapen trok en het vuur opende.

De rechtbank voegt hier nog aan toe dat dus blijkt dat de verdachte op het moment dat hij door de twee mannen die hem opwachtten, werd geroepen, ook daadwerkelijk heeft gezien dat een van hen een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn hand had. En wat daar verder ook van zij, volgens vaste rechtspraak is het zich alvast ter voorbereiding op een aanranding op voorhand van een (afweer)wapen voorzien, op zichzelf toelaatbaar te achten, zelfs als het gebezigde wapen illegaal in handen is.

Tenslotte wordt de lezing van verdachte voorts ondersteund door het proces-verbaal van bevindingen van de camerabeelden, zoals dat hiervoor is opgenomen onder 3.3.1

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van de verdachte en dat de daartegen door hem gevoerde verdediging noodzakelijk en geboden was. De rechtbank is van oordeel dat er voor verdachte in de gegeven omstandigheden geen reële mogelijkheid was zich aan deze situatie te onttrekken door bijvoorbeeld weg te rennen. De rechtbank is voorts van oordeel dat de verdachte door zijn handelwijze de grenzen van de noodzakelijke verdediging niet heeft overschreden. Er bestond voor hem op dat moment een reële dreiging met een vuurwapen, waarop hij heeft gereageerd door ook een vuurwapen te trekken en te schieten. Het enkele feit dat verdachte zelf een vuurwapen bij zich droeg, staat een geslaagd beroep op noodweer niet in de weg. Dit brengt mee dat het beroep op noodweer wordt gehonoreerd, en dat de verdachte voor feit 1 wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.

5. Straf

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor de feiten 1, 2 en 3 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar met aftrek van voorarrest.

Oordeel van de rechtbank

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het onder 3 bewezenverklaarde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Feiten waarop de straf en maatregel zijn gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het beschadigen van een personenauto, door met een vuurwapen te schieten in de richting van deze auto, met meerdere in- en doorschotbeschadigingen tot gevolg.

Een kwalijk feit, omdat de verdachte aldus de eigenaar van de personenauto het ongestoorde gebruik van zijn eigendom heeft ontnomen. Daarnaast is het in dit specifieke geval een ernstig feit, omdat de verdachte de vernieling heeft begaan door te schieten met een vuurwapen op een openbare parkeerplaats, gelegen in de nabijheid van een flatgebouw.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 27 maart 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.

Oplegging straf

Gelet op de ernst van het onder 3 bewezenverklaarde, strafbare feit en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Aan de verdachte wordt een gevangenisstraf van dertig dagen opgelegd.

6. Vordering tot tenuitvoerlegging

Vordering

De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van zeven maanden, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen.

Oordeel van de rechtbank

Het nu bewezen feit is tijdens de proeftijd gepleegd. Door het plegen van het feit heeft de verdachte zich niet gehouden aan de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen.

De rechtbank ziet toch af van de tenuitvoerlegging, omdat toewijzing van de vordering en daarmee de gevolgen voor de verdachte niet in verhouding staan tot de omstandigheden waaronder de verdachte het bewezen feit heeft begaan. De vordering wordt dus afgewezen.

7. Wettelijke voorschriften

De beslissingen zijn gebaseerd op de artikelen 41, 45, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissingen

De rechtbank:

Vrijspraak

verklaart niet bewezen dat de verdachte het feit 2 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 3, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feiten;

stelt vast dat het bewezenverklaarde feit 1 geen strafbaar feit oplevert en ontslaat de verdachte voor dat feit van alle rechtsvervolging;

stelt vast dat het bewezenverklaarde feit 3 een strafbaar feit oplevert en verklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde feit 3 strafbaar;

Straf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 30 (dertig) dagen;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Voorlopige hechtenis

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst;

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (03-253607-18)

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de in het vonnis van 7 april 2021 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

9. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. van der Groen, voorzitter,

en mrs. C.M. Derijks en Y. Peters, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Meulendijk, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 13 mei 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J. van der Groen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand