Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-323672-25
Parketnummer vordering tenuitvoerlegging (TUL): 10-316020-24
Datum uitspraak: 11 maart 2026
Datum zitting: 11 maart 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2000 in [geboorteplaats] , ingeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] [plaatsnaam] .
Advocaat van de verdachte: mr. J.E.F.K. Liauw
Officier van justitie: mr. M.L.M. Kuijper
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij samen met een ander bijna 46 kilogram cocaïne heeft ingevoerd. Daarnaast heeft hij onbevoegd verbleven op het haventerrein. De volledige tenlastelegging houdt in dat
1.
hij op of omstreeks 28 november 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, waaronder zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 45,8 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
subsidiair
hij op of omstreeks 28 november 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
2.
hij op of omstreeks 28 november 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander, wederrechtelijk heeft verbleven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en overslag van goederen, te weten het terrein van Global Air Compass Marine Logistics, gelegen aan de [adres 2] .
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de feiten.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak
Feit 1 primair is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Bewezen is dat:
1. subsidiair
hij op 28 november 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten
2.
hij op of omstreeks 28 november 2025 te Rotterdam, tezamen met een ander, wederrechtelijk heeft verbleven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te weten het terrein van Global Air Compass Marine Logistics, gelegen aan de [adres 2] .
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
1. Verklaring van de verdachte
2. Proces-verbaal van de politie
3. Proces-verbaal van de politie
4. Proces-verbaal van de politie
5. Schriftelijk stuk
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1 subsidiair
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen door zich of een ander gelegenheid tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit
feit 2
het wederrechtelijk verblijven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het reclasseringsrapport en de dadelijke uitvoerbaarheid hiervan.
Standpunt van de verdediging
Bij een veroordeling is een straf gelijk aan het voorarrest passend.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
In de haven van Rotterdam, waar de verdachte zonder toestemming verbleef, heeft hij zich samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de invoer van harddrugs.
De rol van de verdachte bij de invoer is die van zogenaamde uithaler. Aan de ene kant is dat een belangrijke rol in het plegen van de georganiseerde, ondermijnende criminaliteit die de invoer van cocaïne is. De uithalersactiviteiten zijn immers van essentieel belang om het cocaïnetransport goed te laten verlopen en daarmee zijn uithalers een onmisbare schakel in de internationale transportketen van cocaïne. Dat deze rol belangrijk is blijkt ook wel uit de bedragen die verdiend kunnen worden met het uithalen.
Aan de andere kant is de rol van uithaler in het geheel beperkt. Het werk van de uithaler is niet meer en niet minder dan de cocaïne voor de eigenaren van die cocaïne uit de haven krijgen. Dat kan een grote of zoals in dit geval een relatief kleine partij blijken te zijn, voor de aard van de werkzaamheden maakt dat op zich geen groot verschil. Het is een bijzonder risicovolle klus waar andere betrokkenen in de keten hun handen niet graag aan vuilmaken.
Het ronselen van uithalers lijkt een eenvoudige taak. Uithalers zijn namelijk gemakkelijk inwisselbaar en bij ontdekking eenvoudig te vervangen.
Het uithalen is onderdeel van een breder maatschappelijk probleem: de georganiseerde criminaliteit is een val waarin vele (jonge) mensen trappen dan wel ongewild in terechtkomen. De verdachte is door anderen onder druk gezet om deze klus uit te voeren.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
- Strafblad
Uit het strafblad van 29 januari 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
- Rapport van de reclassering
In het rapport van de Reclassering Nederland van 6 maart 2026 staat het volgende. De verdachte heeft stabiele leefgebieden en heeft de afgelopen jaren veel zaken op orde gekregen, al dan niet met behulp van begeleiding. De verdachte was een lange periode in zijn jeugd bankslaper, maar heeft sinds twee jaar zijn eigen woning. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij reclassering, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, locatieverbod (met elektronisch toezicht) en een locatiegebod (met elektronisch toezicht).
De verdachte heeft op de zitting over zijn rol verklaard. Mede hierdoor heeft de verdachte laten zien dat hij besef heeft van zijn foute handelen. De verdachte wil zich nu focussen op een positieve toekomst.
Straf
De rechtbank legt alles afwegende een gevangenisstraf met een totaalduur van 18 maanden op. Daarvan wordt 12 maanden voorwaardelijk opgelegd. De totaalduur van de straf doet recht aan het element van leedtoevoeging dat gelet op de ernst van de feiten niet kan en mag ontbreken in de straf. Die totaalduur komt ook tegemoet aan de strafdoelen van preventie. De verdachte moet goed begrijpen dat bij herhaling in de toekomst het vergeldingsdeel in de straf steeds groter zal zijn en dat daarnaast een voorwaardelijke straf van 12 maanden boven zijn hoofd hangt. Voor anderen - onder meer jonge mensen - moet ook duidelijk zijn dat dit niet de weg is naar het grote geld en dat hoge straffen volgen als zij ook in de fout gaan.
Dat een groot deel van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk is, biedt de verdachte de kans om het anders te gaan doen. Daarbij wordt hij geholpen door de algemene en bijzondere voorwaarden. De algemene voorwaarde waarschuwt hem. Als hij weer in de fout gaat en strafbare feiten pleegt, kan het voorwaardelijke deel van 12 maanden gevangenisstraf alsnog worden tenuitvoergelegd. Dat kan bij herhaalde invoer en bij wederrechtelijk verblijf in de haven zoals nu bewezenverklaard, maar ook bij ieder ander strafbaar feit. De bijzondere voorwaarden moeten de verdachte ook helpen om het niet zover te laten komen. Houdt hij zich niet aan deze bijzondere voorwaarden, dan kan ook de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf volgen. Door de elektronische monitoring is de verdachte voor anderen minder aantrekkelijk om ingezet te worden bij delictgedragingen, zoals het uithalen van verdovende middelen. Voor het opleggen van de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden is geen wettelijke grondslag; de rechtbank legt dit niet op.
5. Vordering tot tenuitvoerlegging
Vordering
De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 2 maanden, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.
Oordeel van de rechtbank
De nu bewezen feiten zijn tijdens de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de feiten heeft de verdachte zich niet gehouden aan de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen.
Desondanks ziet de rechtbank, zoals ook gevorderd door de officier van justitie, van de tenuitvoerlegging af omdat die in combinatie met de opgelegde straf geen aanvullend strafdoel zou dienen. De vordering wordt dus afgewezen.
6. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57 en 138aa van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10a van de Opiumwet.
7. Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte het feit 1 primair heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 subsidiair en 2, zoals in hoofdstuk 2.3.2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat 12 maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk is aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf;
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 10-316020-24)
wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de in het vonnis van de politierechter te Rotterdam van 13 december 2024 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.
8. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.H. Janssen, voorzitter,
en mrs. D.M. Douwes en J. Langeveld, rechters,
in tegenwoordigheid van C.A. van den Houwen, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 11 maart 2026.
Mrs. Douwes en Langeveld zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.