Rechtbank Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-232076-25
Datum uitspraak: 20 maart 2026
Datum zitting: 6 maart 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1984 in [geboorteplaats],
ingeschreven op het adres: [adres], [postcode] [plaatsnaam],
thans verblijvende te [naam kliniek],
[adres kliniek].
Advocaat van de verdachte: mr. P.V. Hübner
Officier van justitie: mr. X.C. van Balen
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – zijn oom en oma heeft geprobeerd te doden dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hen met een kapmes in het lichaam te steken en hen te bijten en te slaan.
De volledige (gewijzigde) tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
hij op of omstreeks 3 september 2025 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal
- met een (kap)mes in de hals en/of de nek, althans het lichaam van die [slachtoffer 2] en/of in het oor en/of de wang en/of de hals, althans het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken en/of gesneden
- heeft gebeten in de armen van die [slachtoffer 1] en in de hand van die [slachtoffer 2] en
- heeft geslagen in het gezicht en op het hoofd, althans op het lichaam van die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 1],
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor poging doodslag van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]).
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor poging doodslag van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. De verdediging heeft zich ten aanzien van de beschuldiging die ziet op de poging zware mishandeling van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak
De poging doodslag waarvan de verdachte wordt beschuldigd is niet bewezen. De rechtbank stelt vast dat de verdachte [slachtoffer 2] met een mes in de hals heeft gesneden en dat hij [slachtoffer 1] in het oor en de wang heeft gesneden. Het dossier bevat echter onvoldoende informatie om vast te kunnen stellen in welke richting, met welke kracht en met welke intensiteit de verdachte heeft gesneden. Evenmin kunnen vaststellingen worden gedaan met betrekking tot de afstand tussen de verdachte enerzijds, en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] anderzijds. Ook over de botheid, dan wel scherpte van het mes bevat het dossier onvoldoende gegevens. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat er een aanmerkelijke kans op de dood was en dat de verdachte die kans bewust heeft aanvaard. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van de poging tot doodslag op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Hoewel wel bewezen is dat de verdachte [slachtoffer 1] heeft gebeten en geslagen, spreekt de rechtbank de verdachte ook daarvan vrij, omdat deze handelingen geen poging zware mishandeling opleveren.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte zwaar lichamelijk letsel heeft geprobeerd toe te brengen aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
1. Verklaring van de verdachte
2. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 1]
3. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 2]
3. Schriftelijk stuk
4. Schriftelijk stuk
5. Schriftelijk stuk
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
hij op 3 september 2025 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- met een mes in de hals van die [slachtoffer 2] en in het oor en de wang en van die [slachtoffer 1] heeft
gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
poging zware mishandeling, meermalen gepleegd
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf en maatregel
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 540 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 353 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en met oplegging van bijzondere voorwaarden zoals gesteld in het reclasseringsrapport en de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan. De officier van justitie vordert daarnaast opheffing van het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis bij de einduitspraak.
Standpunt van de verdediging
Bij een veroordeling is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest passend, en een voorwaardelijk deel van korter dan een jaar.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit. Op 3 september 2025 heeft de verdachte zijn oom en oma aangevallen met een mes, hetgeen heel beangstigend voor hen moet zijn geweest. De verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van hen beiden en hij heeft hen niet alleen fysiek pijn en nadeel toegebracht, maar ook psychisch, zoals blijkt uit de door de oom van de verdachte ter zitting voorgedragen slachtofferverklaring.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 11 februari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Rapporten van deskundigen en de reclassering
In de rapporten van [naam 1], psychiater, en [naam 2], klinisch psycholoog, van respectievelijk 1 en 2 december 2025 staat het volgende.
De deskundigen hebben vastgesteld dat als gevolg van (een ernstige stoornis in) cannabisgebruik de verdachte in een drugpsychose met daarbij paranoïde wanen verkeerde. De verdachte was ervan overtuigd dat zijn oma en oom betrokken waren bij de dood van zijn moeder en dat ze daarnaast ook hem wilden vermoorden. De paranoïde wanen waren veelomvattend en hebben zijn handelen ernstig beïnvloed, ook ten tijde van het ten laste gelegde feit. Omdat de verdachte er zich van bewust was dat zijn cannabisgebruik een slechte invloed op hem had en zijn achterdocht vergrootte, wordt door beide deskundigen geadviseerd hem het ten laste gelegde ten minste in sterk verminderde mate aan te rekenen. Het recidiverisico wordt als laag-matig beoordeeld. Naar het oordeel van de deskundigen is een klinische behandeling direct na zijn detentie noodzakelijk. De klinische behandeling dient om verdere abstinentie van cannabis te bewerkstelligen, de noodzaak van anti-psychotische medicatie te beoordelen en vorm te geven aan de resocialisatie.
Ter zitting heeft de verdachte uitgesproken dat hij graag behandeld wil worden, en dat hij het behoud van zijn werk erg belangrijk vindt en hoopt dat de duur van een klinische behandeling (zo) kort (mogelijk) zal zijn. De deskundigen benadrukken ook dat de duur van de klinische behandeling kritisch moet worden beoordeeld om het verlies van sociaal-maatschappelijk functioneren te voorkomen. De klinische behandeling dient te worden opgevolgd door een ambulant behandeltraject met de mogelijkheid tot bemoeizorg. Geadviseerd wordt deze behandeling in een forensisch kader te laten plaatsvinden omdat hier meer aandacht is voor recidivebeperking en omdat hier een meer gedwongen kader geboden kan worden met name ten aanzien van cannabisgebruik. Er wordt geadviseerd om bovenstaande behandeling in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel te laten plaatsvinden.
Op basis van genoemde rapporten, stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte een psychische stoornis bestond en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van het strafbare feit beïnvloedde. Het feit worden daarom in sterk verminderde mate aan de verdachte toegerekend.
In het rapport van Reclassering Nederland van 12 februari 2026 staat het volgende.
Als beschermende factor ziet de reclassering de inzet van de verdachte om aan zijn problemen rondom zijn verslaving en psychiatrische problemen te gaan werken. Ook de steun van zijn netwerk en het hebben van een vaste baan zijn beschermend. Echter zijn de psychische kwetsbaarheid en het niet zonder hulpverlening hebben kunnen stoppen met zijn cannabisgebruik een hoog risico. De reclassering neemt het advies dat een klinische opname noodzakelijk is, over uit het pro Justitia rapport. Tijdens de zitting is bekend geworden dat de verdachte op 9 maart 2026 in FPA Heiloo opgenomen kan worden. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met een proeftijd van 3 jaar en oplegging van de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling en een verbod op het gebruik van verdovende middelen.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. In deze zaak houdt de rechtbank daarnaast ook rekening met het feit dat de verdachte in psychische nood was en zowel hij als zijn oom om die reden de politie en de crisisdienst hadden ingeschakeld. De oom en de oma van de verdachte hebben hem vergeven. De straf is naast vergelding vooral gericht op het voorkomen van herhaling (preventie).
De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van het zwaardere delict poging doodslag en legt daarom een lichtere straf op dan geëist door de officier van justitie. Alles afwegend legt de rechtbank een gevangenisstraf van 360 dagen op, met aftrek van voorarrest. Van deze gevangenisstraf worden 173 dagen voorwaardelijk opgelegd. Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Dat betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. De rest van de gevangenisstraf wordt voorwaardelijk opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.De bijzondere voorwaarden zijn: een meldplicht bij reclassering, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling en een verbod op het gebruik van verdovende middelen.
Hoewel de deskundigen het recidiverisico op dit moment inschatten als laag-matig, moet er met het oog op de moeite die de verdachte heeft om van zijn cannabisverslaving af te komen, ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom is het belangrijk dat de bijzondere voorwaarden meteen gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat. De rechtbank verklaart de bijzondere voorwaarden om die reden dadelijk uitvoerbaar.
5. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14e, 45, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
6. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2.3.3 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 360 dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat 173 dagen van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
2. de verdachte zich gedurende de proeftijd voor maximaal 1 jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door FPA Heiloo of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname is op 9 maart 2026 gestart. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en verslavingsproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
3. de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door ambulante behandelinstelling Palier of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start aansluitend op de klinische opname. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en verslavingsproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
4. de verdachte gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst II (softdrugs) in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kan zijn urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van deze voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
beveelt dat de genoemde bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst.
7. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C. Sikkel, voorzitter,
en mrs. L. den Teuling en E.H.N. van Hees, rechters,
in tegenwoordigheid van C.A. van den Houwen, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 20 maart 2026.
Mr. L. den Teuling is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.