ECLI:NL:RBROT:2026:6421

ECLI:NL:RBROT:2026:6421

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 06-02-2026
Datum publicatie 02-06-2026
Zaaknummer 10-242818-21
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging doodslag door het slachtoffer Nederveen met een mes in zijn bovenlichaam te steken. Beroep op (putatief) noodweer(exces) slaagt niet. Strafoplegging: een gevangenisstraf 104 dagen en een taakstraf van 180 uur.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10-242818-21

Datum uitspraak: 6 februari 2026

Datum zitting: 23 januari 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats], [geboorteland],

ingeschreven op het adres [adres 1], [postcode] [plaatsnaam],

Advocaat van de verdachte: mr. T. Arkesteijn

Officier van justitie: mr. H. du Croix

Benadeelde partij: [benadeelde partij]

Advocaat van de benadeelde partij: mr. P.R. Hogerbrugge

1. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – [slachtoffer] heeft geprobeerd te doden door hem met een mes in zijn bovenlichaam te steken.

De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat

hij op of omstreeks 9 september 2021 te Schiedam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in zijn zij, althans zijn bovenlichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering en dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. Bewijs

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het ten laste gelegde feit. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het feit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

Oordeel van de rechtbank

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte heeft geprobeerd het [slachtoffer] te doden door hem met een mes te steken in zijn borstkas. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.

De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.

1. Verklaring van de verdachte

[slachtoffer] (hierna: aangever) viel mij aan. We gingen met elkaar vechten. Ik heb toen een mes gepakt. Ik wilde hem bang maken. Op dat moment heb ik hem geraakt.

2. Proces-verbaal van de politie

Bij het openen van dit videobestand zag ik dat deze camera in de woning stond. Ik zag dat de camera achter het raam stond aan de voorzijde van de woning. Ik zag dat deze camera zicht had op de openbare weg gelegen aan de voorzijde van de woning. Ik zag dat linksonder in het scherm de datum en tijdstip zichtbaar waren. Om 17:09:19 uur zag ik dat [slachtoffer] zich omdraaide en weer in de richting van het bankje rende. Ik zag dat achter [slachtoffer], [verdachte] kwam aan gerend. Ik zag dat [slachtoffer] in zijn rechterhand een mes vasthield. Ik zag dat [slachtoffer] het bankje oppakte en deze tussen [verdachte] en hem in zette. Ik zag dat [verdachte] zijn rechter arm omhoog deed en een steekbeweging maakte in de richting van [slachtoffer]. Ik hoorde dat er werd geroep “Hij heeft een mes!” Ik zag dat [verdachte] met zijn gehele bovenlichaam over de leuning van het bankje hing. Ik zag dat hij daarbij zijn rechterarm en zijn rechterhand, waar het mes inzat, met een snelle beweging naar beneden deed. Ik zag dat, na deze steekbeweging, er bloed zat op het mes wat [verdachte] in zijn handen had.

3. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer]

Ik ben op 9 september 2021 te Schiedam gestoken met een mes. Nou die jongen, dat is een Poolse jongen, die liep op ons af en zag ik hem met een mes in zijn hand. Het was een keukenachtig steekmes. Ik zag dat hij een stekende beweging met het mes maakte richting mij. Ik zag toen dat het mes mijn borst inging. Ik voelde dit ook. Ik ben naar het ziekenhuis gebracht. Ik bleek te zijn geraakt in mijn long. Mijn hart was op een fractie na niet geraakt. Er zit nu een drain in mijn long en ik moet nog een aantal dagen in het ziekenhuis blijven.

4. Schriftelijk stuk, bevattende medische informatie betreffende [benadeelde partij] van 29 oktober 2021, opgemaakt door forensisch arts [naam 1], inhoudende:

S Informatie ontvangen van traumachirurg van Erasmus Medisch Centrum over opname op de afdeling cardiologie van 09-09-2021 tot en met 14-09-2021.

O Op 09-09-2021 was er sprake van:

- Een steekverwonding van +/- 3 cm in grootte vanaf de linker zijde van de borstkas doorlopend in de borstkas tot aan het hartzakje. In het steektraject was sprake van verwonding van het weefsel van de linker long

- Een klaplong van een gedeelte van de linker long,

- Bloed in de linker zijde van de borstholte.

E Op 09-09-2021 werd er op de spoedeisende hulp een drain (een kunststof slang die via de huid in de long wordt ingebracht ter afvloed van lucht, bloed of vocht) in de borstkas geplaatst ter behandeling van de klaplong en het bloed in de borstholte, Betrokkene werd opgenomen op de afdeling cardiologie, Op 13-09-2021 werd de drain uit de borstkas verwijderd. Op 14-09-2021 werd betrokkene uit het ziekenhuis ontslagen in een verbeterde medische toestand.

P Genezingsduur ten minste 6 weken. Dit letsel moet beschouwd worden als potentieel levensbedreigend letsel. Indien eenmaal een klaplong is ontstaan dan blijft er een verhoogde kans op spontane herhaling bestaan.

Bewijsmotivering

De rechtbank stelt op basis van bovenstaande bewijsmiddelen vast dat de verdachte het slachtoffer met een mes heeft gestoken. Hierbij is het slachtoffer geraakt in de linkerzijde van zijn borstkas. Uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat de verdachte het slachtoffer heeft willen doden. Wel oordeelt de rechtbank dat sprake is van het voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer nu de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zijn handelen tot de dood van het slachtoffer kon leiden. Hierbij is van belang dat de verdachte met kracht met een mes heeft gestoken in het bovenlichaam van het slachtoffer, hetgeen heeft te gelden als een kwetsbaar onderdeel van het lichaam. Dat blijkt ook uit de forensische medische verklaring waarin is aangegeven dat het letsel in potentie dodelijk was.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

hij op of omstreeks 9 september 2021 te Schiedam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in zijn zij, althans zijn bovenlichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering en dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

3. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

poging tot doodslag

Strafbaarheid van het feit en van de verdachte

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem een beroep op (putatief) noodweer(exces) toekomt. Verdachte was eerder door aangever meerdere keren geslagen en door diens moeder met een metalen voorwerp op zijn hoofd geslagen. De verdachte hoorde zijn zwangere vriendin gillen en zowel aangever en zijn moeder waren in het huis van de verdachte binnengedrongen. Deze situatie leverde een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding op en hij mocht zich hiertegen verdedigen op de wijze zoals hij dat heeft gedaan. Subsidiair bepleit de verdediging dat indien het door de verdachte toegepaste geweld disproportioneel was, dit geplaatst moet worden in de hevige gemoedsbeweging die de verdachte op dat moment had. In het geval de rechtbank van oordeel is dat geen sprake was van een reële dreiging, dan was er sprake van putatief noodweer(exces). Door zijn eerdere ervaringen en door wat hij zag en hoorde was hij ervan overtuigd dat zijn vriendin en schoonmoeder en later hijzelf gevaar liepen.

Indien de rechtbank van oordeel is dat van noodweer in welke vorm dan ook geen sprake is, dan stelt de verdediging dat er sprake is geweest van psychische overmacht met verwijzing naar het psychologisch rapport dat over verdachte is opgemaakt. Gelet op de kwetsbare persoonlijkheidsstructuur bij verdachte kon en behoefde hij geen weerstand te bieden aan de langdurige intimidaties, bedreigingen en het eerder uitgeoefende geweld van de buren.

Oordeel van de rechtbank

3.2.1.1. Noodweer(exces)?

Voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) moet allereerst vast komen te staan dat er sprake is geweest van een noodweersituatie: een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van, de verdachte, dan wel de zwangere vriendin van verdachte. Hiervan is ook sprake indien er een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo’n aanranding bestaat. Daarbij geldt dat uit objectieve omstandigheden moet kunnen worden afgeleid dat iemand daadwerkelijk op het punt staat om tot de aanval over te gaan. De enkele vrees daarvoor is onvoldoende. Een beroep op noodweer kan niet worden aanvaard wanneer de gedragingen van de verdachte op grond van zijn bedoelingen of op grond van de uiterlijke verschijningsvorm naar de kern bezien als aanvallend moeten worden aangemerkt.

Onder meer uit beelden van camera’s die afkomstig zijn van [adres 2] blijkt het volgende. Rond 17:05 uur vindt er een gevecht tussen meerdere mensen plaats, waaronder tussen het slachtoffer en de verdachte. Vervolgens is het enkele minuten rustig. Het eerste incident was hiermee geëindigd. Om 17:08:50 loopt de vriendin van de verdachte richting de woning van het slachtoffer en roept iets tegen zijn moeder. Vervolgens gaan aangever en zijn moeder kort de hal van de woning in van de verdachte. De verdachte staat op dat moment in de badkamer. Hij hoort zijn vriendin gillen, pakt een mes in de keuken en loopt hiermee naar de hal. Vervolgens zag hij dat de buurvrouw zijn vriendin aan haar haren trok. Toen zij verdachte met het mes zag, liet zij het haar van zijn vriendin los en verliet zij samen met haar zoon de woning van de verdachte. Het slachtoffer beweegt nog even naar voren naar de verdachte, maar rent daarna naar een bankje, struikelt en zet dat tussen hem en de verdachte. Vervolgens maakt de verdachte een stekende beweging naar aangever en raakt het slachtoffer met een mes in zijn borstholte.

Zo er al sprake zou zijn van een noodweersituatie voor de verdachte en/of zijn vriendin toen aangever en zijn moeder het huis van de verdachte binnen waren gegaan, dan is de rechtbank van oordeel dat die noodweersituatie in ieder geval is geëindigd op het moment dat de aangever en zijn moeder het huis van de verdachte weer verlieten. Aangever is toen weggerend en uiteindelijk achter het bankje gaan zitten. Ook zijn moeder is weggegaan. Door daarna alsnog de fysieke confrontatie met het slachtoffer op te zoeken en met het mes een stekende beweging in zijn richting te maken waarbij hij hem ook heeft geraakt, is de verdachte zelf als de aanvaller aan te merken. Daarom komt aan de verdachte geen beroep toe op noodweer of noodweer(exces).

3.2.1.2. Putatief noodweer(exces)?

Voor een geslaagd beroep op putatief noodweer is vereist dat de verdachte verschoonbaar heeft gedwaald over het bestaan van een noodweersituatie. Er moeten omstandigheden aannemelijk zijn die de verdachte redelijkerwijs aanleiding konden geven te veronderstellen dat hij dreigde te worden aangevallen.

Uit de feitelijke omstandigheden zoals hierboven omschreven vindt de rechtbank dat niet aannemelijk is geworden dat er omstandigheden waren die de verdachte redelijkerwijs aanleiding konden geven om te veronderstellen dat hij dreigde te worden aangevallen. Het beroep op putatief noodweer(exces) kan niet slagen.

3.2.1.3. Psychische overmacht?

Namens de verdachte is tot slot nog aangevoerd dat sprake is geweest van psychische overmacht. Hiervan is sprake wanneer de verdachte heeft gehandeld door een van buitenaf komende -met name psychische- drang waaraan hij redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden.

De rechtbank is van oordeel dat niet voldoende is onderbouwd dat feitelijk sprake was van een van buitenaf komende drang waaraan de verdachte in de context waarin het bewezenverklaarde zich heeft afgespeeld redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. De verwijzing door de verdediging naar het rapport van de psycholoog is hierbij niet voldoende. Het beroep op psychische overmacht wordt dan ook verworpen.

3.2.1.4. Toerekenbaarheid van het feit

Er heeft onderzoek plaatsgevonden naar de geestesvermogens van de verdachte door

[naam 2], psycholoog. Hij heeft zijn bevindingen gerapporteerd in het rapport van 23 maart 2022. De psycholoog heeft geconcludeerd dat er aanwijzingen zijn voor neurotische problematiek (onverwerkte belastende ervaringen) en voor intellectuele beperkingen. Deze problematiek was ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig en beïnvloedde zijn gedragskeuzes en gedragingen. Vanwege eerdere (onverwerkte) ervaringen van langdurige pesterijen was de verdachte gevoelig voor agressieve belaging en mede hierdoor ook minder opgewassen tegen stress en spanning. Hij voelde zich al langer bedreigd door de aangever en diens familie. De ervaren machteloosheid van weleer vanwege pesterijen (maar ook de onderdrukte agressie die hiermee gepaard ging) heeft zich gevoegd bij de boosheid over de actuele bedreigingen. Daarnaast was er angst dat zijn zwangere vriendin iets werd aangedaan. Geadviseerd wordt om de verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren.

De rechtbank volgt de conclusie van de deskundige en acht de verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar ten aanzien van het bewezenverklaarde.

Daarmee is geen sprake van een omstandigheid gelegen in de persoon van de verdachte die zijn strafbaarheid geheel uitsluit.

Er zijn voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte volledig uitsluiten.

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4. Straffen

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor het feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 104 dagen met aftrek van voorarrest. Daarnaast is een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden en een taakstraf van 120 uur subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis op zijn plaats.

Oordeel van de rechtbank

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging doodslag door het [slachtoffer] met een mes in zijn bovenlichaam te steken. Het bewezenverklaarde is een ingrijpende en trieste afloop van een langdurige burenruzie die zich ook al afspeelde lang voordat de verdachte introk bij zijn vriendin. Het slachtoffer is door het steekincident potentieel levensbedreigend gewond geraakt en is in het ziekenhuis behandeld aan zijn verwondingen. Ook daarna heeft het slachtoffer nog enige dagen in het ziekenhuis moeten verblijven om te herstellen.

Een delict als het onderhavige veroorzaakt gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de eerste plaats in de directe woonomgeving van partijen, maar ook breder in de samenleving. De rechtbank is tegelijkertijd ook niet blind voor de situatie die aan het steekincident vooraf is gegaan betrekking hebbend op de wijze waarop aangever en zijn familie onder de toepassing van geweld zijn omgegaan met de verdachte en zijn huisgenoten.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De verdachte heeft geen relevant strafblad.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reeds onder paragraaf 3.2.1.4 genoemde Pro Justitia-rapport van 23 maart 2022 en het rapport van de reclassering van 16 januari 2026. Laatstgenoemde instantie adviseert om bij een veroordeling een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden. De laatste jaren is het goed gegaan met verdachte en hij is al langere tijd verhuisd en dus niet meer woonachtig in de buurt van aangever.

Op te leggen straf

Gelet op de ernst van het feit kan in principe enkel worden volstaan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Echter, anders dan de officier van justitie, vindt de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf niet meer opportuun en komt tot een lagere strafoplegging dan door de officier van justitie geëist. De redelijke termijn is fors overschreden. Het feit dateert van ruim 5 jaar geleden. De verdachte is sindsdien niet meer op soortgelijke wijze in aanraking gekomen met politie of justitie en draagt op dit moment veel verantwoordelijkheden. Na een periode van dakloosheid heeft de verdachte met zijn gezin inmiddels een huurwoning weten te bemachtigen en heeft de verdachte laten zien dat hij voor een stabiele basis zorgt. Uit het opgemaakte rapport van de psycholoog blijkt dat verdachte heeft gehandeld onder invloed van een neurotische problematiek en dat mogelijk sprake is van intellectuele beperkingen. Het feit kan verdachte in enigszins verminderde mate worden toegerekend. De verdachte heeft tot slot voor het bewuste incident op die dag ook zelf behoorlijk letsel opgelopen doordat de aangever zich in het uitoefenen van geweld ook zeker niet onbetuigd heeft gelaten.

Alles afwegende vindt de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 104 dagen met aftrek van voorarrest en een taakstraf 180 uur passend.

5. Vordering van de benadeelde partij

Vordering [benadeelde partij]

heeft als benadeelde partij voor het feit € 3.353,00 (€ 375,- eigen risico,

€ 100,- vervanging kleding, € 186,- daggeldvergoeding, € 2125,- nader te onderbouwen schade, € 50,- reiskosten, € 517,- kosten mantelzorg) als vergoeding voor materiële schade en € 15.000,00 als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De kosten die zien op het eigen risico (€ 375,-), vervangende kleding (€ 100,-), daggeldvergoeding (€ 186,-) en reiskosten (€50,-) (niet betwist) vormen door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks ontstane materiële schade. De gevorderde nader te onderbouwen schade en de kosten mantelzorg zijn onvoldoende onderbouwd en de rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ook is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De rechtbank heeft gekeken naar soortgelijke zaken en de vergoedingen die daar zoal werden toegekend. De rechtbank acht matiging van het gevorderde bedrag op zijn plaats tot aan een bedrag van € 3000,-.

De rechtbank merkt op dat in dit geval ook sprake is van een bepaalde mate van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek. Om die reden zal de rechtbank, een eigen schuld percentage van 50% hanteren. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 1.500,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 2.211,-, vermeerderd met de wettelijke rente en de kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Ook wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

6. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straffen zijn gebaseerd op de artikelen 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

7. Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straffen

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 104 dagen;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Taakstraf

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;

beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen;

Voorlopige hechtenis

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst;

Vordering benadeelde partij

veroordeelt de verdachte, aan de [benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 2.211,-, bestaande uit € 711,- als vergoeding van materiële schade en € 1.500,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 9 september 2021 tot de dag van volledige betaling;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;

bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor het feit de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij] aan de staat € 2.211,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 9 september 2021 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 24 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.

8. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H. van den Heuvel, voorzitter,

mrs. H.C. van Vuren en E.M. Moison, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I. Bezemer, griffier

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 6 februari 2026.

Mr. H.C. van Vuren is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. H. van den Heuvel

Griffier

  • mr. I. Bezemer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand