Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-267589-25
Datum uitspraak: 11 februari 2026
Datum zitting: 5 februari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1982 in [geboorteplaats]
ingeschreven op het adres [adres], [postcode] [plaatsnaam],
gedetineerd in [naam detenteicentrum].
Advocaat van de verdachte: mr. G.R. Stolk
Officier van justitie: mr. N. van der Meij
Benadeelde partij: [benadeelde partij]
Gemachtigde van de benadeelde partij: [naam 1]
Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - [slachtoffer] onder bedreiging van een (op een gelijkend) vuurwapen een geldbedrag en zijn telefoon afhandig heeft gemaakt.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
hij op of omstreeks 2 oktober 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, goederen, te weten:
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het feit.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring
Bewezen is dat:
hij op 2 oktober 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, goederen, te weten:
die aan [slachtoffer] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door
Bewijsverweer
Anders dan door de verdediging is betoogd is de inbeslagname van de telefoon waarop het chatgesprek is aangetroffen rechtmatig. Op het moment van inbeslagname was er sprake van verdenking van een straatroof. In dat geval is de politie bevoegd om voorwerpen in beslag te nemen.
Bewijsmotivering en bewijsmiddelen
De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Verklaring van de verdachte
Op 2 oktober 2025 heeft [slachtoffer] € 14.950,- aan contant geld bij mij in Rotterdam opgehaald. Hij stopte dit in een buideltas.
2. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer] Op 2 oktober 2025 heb ik in Rotterdam een geldbedrag van € 14.950,- opgehaald bij [verdachte]. Vlak nadat ik naar buiten liep, kwam er iemand rennend op mij af. Ik zag een jongen en voelde dat hij mij van achteren vastpakte. Ik hoorde hem zeggen: ‘Geef me die buiktasje, geef me die buiktasje.’ Ik zag dat hij mijn zwarte tasje met daarin de 14950 euro, van mijn lichaam trok en mijn telefoon pakte. Ik hoorde dat hij vroeg: ‘Wat heb je meer, wat heb je meer’.
3. Proces-verbaal van de politieIk zag in een chat tussen de verdachte en ‘[naam 2]’ rondom de periode van de beroving het volgende:
Nadere bewijsmotivering
De aangever is op straat een groot geldbedrag afhandig gemaakt dat hem kort daarvoor door de verdachte was overhandigd. De verdachte heeft bovendien kort voor deze straatroof en na afloop daarvan een chatgesprek dat qua inhoud en qua tijdsverloop past op de feiten en omstandigheden rond die straatroof. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verdachte zo’n wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de straatroof, dat sprake is van medeplegen. Het door de verdediging aangevoerde alternatieve scenario dat het chatgesprek ging over samen sporten vindt de rechtbank niet aannemelijk.
Vrijspraakoverweging
Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat in onvoldoende mate komt vast te staan dat bij de bewezenverklaarde feiten een pistool (lees: een op een wapen gelijkend voorwerp) is gebruikt. De aangever kan het pistool niet zo goed omschrijven omdat het - zoals hij zelf zegt - allemaal heel snel ging. Op de videobeelden die er van de straatroof zijn, is geen pistool waar te nemen. Tegen die achtergrond blijft in het midden of een pistool is gebuikt of dat de aangever in die veronderstelling heeft verkeerd.
Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
medeplegen van diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest.
Standpunt van de verdediging
Bij een veroordeling is een straf gelijk aan het voorarrest passend.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een straatroof met geweld. Hierbij is een geldbedrag van bijna € 15.000,- en een telefoon buitgemaakt. De verdachte heeft niet zelf de beroving uitgevoerd, maar heeft een medeverdachte op de hoogte gesteld van het moment dat aangever naar buiten liep met het geldbedrag. Door de verdachte is inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever en misbruik van zijn vertrouwen in medemensen. Dergelijke berovingen zijn ernstig en veroorzaken sterke gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij in het algemeen en bij de slachtoffers in het bijzonder, zoals ook naar voren is gekomen uit de voorgedragen slachtofferverklaring ter zitting.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
- Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 6 januari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Hieruit volgt dat op een straatroof met licht geweld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden is gesteld. In de onderhavige zaak ziet de rechtbank echter aanleiding om hiervan af te wijken en een deel daarvan voorwaardelijk op te leggen. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden met aftrek van het voorarrest waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Vordering van de benadeelde partij
Vordering [benadeelde partij]
heeft als benadeelde partij voor feit 1 als vergoeding € 17.434,88 (materiële schade € 15.284,33 (€ 14.950,- aan geld en € 334,33 voor Samsung telefoon) en € 2.150,- als vergoeding voor immateriële schade) gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan in zijn geheel worden toegewezen.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 15.284,33 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Immateriële schade
Uit de overgelegde medische informatie blijkt dat sprake is van objectief vastgesteld geestelijk letsel. De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit dus rechtstreeks immateriële schade geleden.
Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 1.250,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 1.250,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 2 oktober 2025.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 111 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat 3 (drie) maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk is aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader(s), aan de [benadeelde partij]
, te betalen een bedrag van € 16.534,33, bestaande uit € 15.284,33 als vergoeding van materiële schade en € 1.250,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 2 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door een mededader (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;
bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
legt aan de verdachte voor het feit de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij] aan de staat € 16.534,33 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 2 oktober 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 111 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.H. Janssen, voorzitter,
en mrs. A.S. Flikweert en L.F.M. Venderbos, rechters,
in tegenwoordigheid van C.A. van den Houwen, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 11 februari 2026.
Mr. A.S. Flikweert is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.