RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11611542 CV EXPL 25-7605
datum uitspraak: 22 mei 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. D.P. Kant,
tegen
[gedaagde]
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
- de dagvaarding van 14 maart 2025, met bijlagen;
- het antwoord, met bijlage;
- de aanvullende bijlagen 3 t/m 10 van [eiseres] ;
- de e-mail van 26 maart 2026 waarmee mr. [naam] zich als gemachtigde van [gedaagde] heeft onttrokken.
Op 20 april 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren [eiseres] en haar gemachtigde aanwezig. [gedaagde] is niet verschenen.
2. De beoordeling
Wat is de kern?
[eiseres] was eigenaar van een auto met kenteken [kenteken] . Vanaf 1 februari 2024 heeft [eiseres] de auto ter beschikking gesteld aan [gedaagde] die vanaf die datum in de auto heeft gereden. Op 18 april 2024 is de auto op naam van [gedaagde] gezet. In de periode tussen 1 februari 2024 en 18 april 2024 heeft [gedaagde] een aantal keer foutief geparkeerd waardoor parkeerboetes voor een bedrag van in totaal € 604,44 aan [eiseres] zijn opgelegd.
[eiseres] stelt dat zij op 1 februari 2024 een mondelinge koopovereenkomst heeft gesloten met [gedaagde] voor de verkoop van de auto voor een bedrag van € 750,-. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] hiervan slechts € 373,- betaald. [eiseres] eist in deze procedure daarom betaling van het openstaande deel van de koopsom van € 377,-. Daarnaast eist [eiseres] een bedrag van € 475,-, welk bedrag ziet op de door haar betaalde parkeerboetes die nog niet door [gedaagde] aan haar zijn voldaan. In totaal eist [eiseres] dan ook een bedrag van € 852,- te vermeerderen met wettelijke rente en proceskosten.
[gedaagde] is het niet eens met de eis van [eiseres] . Volgens haar heeft zij geen koopovereenkomst met [eiseres] gesloten, maar heeft zij slechts gebruik gemaakt van de auto in ruil voor betaling van de wegenbelasting en de verzekeringspremie. De aan [eiseres] opgelegde parkeerboetes heeft zij al aan [eiseres] betaald.
De kantonrechter wijst de eis van [eiseres] toe. Hierna wordt uitgelegd waarom de kantonrechter tot deze beslissing gekomen is.
[gedaagde] moet de resterende koopsom van € 377,- betalen
De vraag die de kantonrechter moet beantwoorden, is of partijen een koopovereenkomst hebben gesloten met betrekking tot de auto. Alleen in dat geval is [gedaagde] (het restant van) de koopsom verschuldigd. [eiseres] draagt de stelplicht en bewijslast van de stelling dat partijen een koopovereenkomst met betrekking tot de auto hebben gesloten en daarbij een koopprijs van € 750,- zijn overeengekomen (artikel 150 Rv). [eiseres] is namelijk de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van die koopovereenkomst, te weten het bestaan van een betalingsverplichting van [gedaagde] .
De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] voldoende heeft onderbouwd dat zij de door haar gestelde koopovereenkomst met [gedaagde] heeft gesloten en dat [gedaagde] ter voldoening van de koopprijs een bedrag van € 373,- aan haar heeft betaald. [eiseres] heeft ter onderbouwing van haar standpunt immers een aantal WhatsApp-berichten ingediend waarin wordt gesproken over een verkoop van de auto aan [gedaagde] voor een bedrag van € 750,- (aanvullende bijlage 3 van [eiseres] ). Daarnaast volgt uit de door [eiseres] ingediende bijlagen dat [gedaagde] op 20 februari 2024 een bedrag van € 350,- aan [eiseres] heeft betaald, waarvan een bedrag van € 77,- zag op een aan [eiseres] opgelegde parkeerboete (aanvullende bijlage 4). Daaruit volgt bovendien dat [eiseres] [gedaagde] op 20 februari 2024 een bericht heeft gestuurd met de tekst “Je hebt me nu 273 betaald voor die auto”, waarop [gedaagde] heeft gereageerd met de tekst “Bon” (aanvullende bijlage 4). Ten slotte blijkt uit die bijlagen dat [gedaagde] op 21 juni 2024 nog een bedrag van € 100,- aan [eiseres] heeft betaald (aanvullende bijlage 5).
[gedaagde] heeft het bestaan van de koopovereenkomst naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gemotiveerd betwist. [gedaagde] heeft slechts betoogd dat zij de auto mocht gebruiken in ruil voor het betalen van de wegenbelasting en de verzekeringspremie, maar zij heeft deze stellingen niet onderbouwd. Die stellingen stroken ook niet met de door [eiseres] ingediende WhatsApp-berichten. De kantonrechter stelt daarom vast dat [eiseres] en [gedaagde] een koopovereenkomst hebben gesloten op grond waarvan [gedaagde] de auto voor een koopprijs van € 750,- heeft gekocht en dat [gedaagde] daarvan slechts een bedrag van € 373,- heeft betaald. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [gedaagde] nog een bedrag van € 377,- (€ 750,- -/- € 373,-) aan [eiseres] moet betalen.
[gedaagde] moet de parkeerboetes van € 474,69 betalen
[gedaagde] betwist niet dat zij parkeerboetes voor een totaalbedrag van € 604,44 heeft veroorzaakt, maar zij betoogt dat zij die parkeerboetes al aan [eiseres] heeft betaald. Ter onderbouwing van dit verweer heeft [gedaagde] een bijlage overgelegd waaruit blijkt dat zij meerdere betalingen aan [eiseres] heeft gedaan. [eiseres] heeft in haar dagvaarding erkend dat [gedaagde] in totaal een bedrag van 129,75 aan parkeerboetes aan haar heeft betaald (namelijk een bedrag van € 77,- en een bedrag van € 52,75). Zij heeft ter zitting voor alle overige betalingen van [gedaagde] toegelicht dat deze geen betrekking hadden op de parkeerheffingen. Die betalingen zagen volgens [eiseres] op de verzekeringspremie, de koopsom van de auto, aankopen bij Shein en een aantal door [gedaagde] veroorzaakte snelheidsboetes. Daarmee heeft [eiseres] voldoende gemotiveerd betwist dat [gedaagde] de door haar gevorderde parkeerboetes al aan haar heeft voldaan. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [gedaagde] nog een bedrag van € 474,69,- (€ 604,44 -/- € 129,75) aan parkeerboetes aan [eiseres] moet betalen.
[gedaagde] moet rente betalen
De door [eiseres] gevorderde rente wordt toegewezen, omdat [eiseres] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. De kantonrechter wijst de wettelijke rente toe vanaf 8 februari 2025, omdat [eiseres] [gedaagde] per brief van 24 januari 2025 in de gelegenheid heeft gesteld om het door haar verschuldigde bedrag binnen veertien dagen na ontvangst van die brief aan haar te betalen. Dit betekent dat [gedaagde] het door haar verschuldigde bedrag op uiterlijk 7 februari 2025 aan [eiseres] moest betalen en vanaf 8 februari 2025 in verzuim was.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 93,- aan griffierecht, € 288,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 144,-) en € 72,- aan nakosten. Dat is in totaal € 453,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. Er worden geen dagvaardingskosten toegewezen, omdat [eiseres] met een toevoeging procedeert en daarom geen dagvaardingskosten hoefde te betalen.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 851,69 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 8 februari 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 453,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M.E. Vos en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026.
67789