Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-322254-25
Datum uitspraak: 10 maart 2026
Datum zitting: 10 maart 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres de [adres 1] , [postcode] te [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. T. Sönmez
Officier van justitie: mr. S. Stein
Benadeelde partij: [benadeelde 1] en [benadeelde 2]
Kern van het vonnis
De verdachte heeft, samen met twee medeverdachten, een bezorger beroofd van contant geld. Een van de medeverdachten was zelf ook aan het werk als bezorger en heeft de verdachte en een andere medeverdachte geïnformeerd over het contante geld. Bij het wegnemen van het geld is ook geweld gebruikt. De verdachte heeft bekend dit te hebben gedaan. Centraal stond de vraag welke straf moet volgen voor dit ernstige feit. De rechtbank legt een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden op, dit betekent dat de verdachte niet terug naar de gevangenis hoeft. De rechtbank legt daarnaast een forse taakstraf op.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat – samen met twee anderen een diefstal met geweld heeft gepleegd. De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
hij op of omstreeks 24 november 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging meteen ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van 4.215 euro, althans enig geldbedrag, toebehorende aan[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en):- het onverhoeds opentrekken van de deur van de bijrijderskant/passagierszijde van de bestelbus, waarin die [slachtoffer 1] zat,- het tegen die [slachtoffer 1] schreeuwen: “Geef jullie geld’,- het opentrekken van het dashboardkastje van de bestelbus,- (vervolgens) toen die [slachtoffer 1] dit wilde beletten die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, in het gezicht te slaan en/of te stompen,- het uit de bestelbus trekken van die [slachtoffer 1] en/of- het slaan en/of stompen van de [slachtoffer 1] op/tegen het lichaam en/of arm(en) en/of be(e)n(en) en/of het hoofd.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het feit.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van het feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een diefstal met geweld in vereniging. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
1. Proces-verbaal van de politie, aangifte van [slachtoffer 1]
2. Verklaring van de verdachte
3. Proces-verbaal van de politie, verklaring [medeverdachte 1]
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
hij op of omstreeks 24 november 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van 4.215 euro, althans enig geldbedrag, toebehorende aan[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en):- het onverhoeds opentrekken van de deur van de bijrijderskant/passagierszijde van de bestelbus, waarin die [slachtoffer 1] zat,- het tegen die [slachtoffer 1] schreeuwen: “Geef jullie geld’,- het opentrekken van het dashboardkastje van de bestelbus,- (vervolgens) toen die [slachtoffer 1] dit wilde beletten die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, in het gezicht te slaan en/of te stompen,- het uit de bestelbus trekken van die [slachtoffer 1] en/of- het slaan en/of stompen van de [slachtoffer 1] op/tegen het lichaam en/of arm(en) en/of be(e)n(en) en/of het hoofd.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, die diefstal gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straffen
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft betoogd dat het niet wenselijk is dat de verdachte terug naar de gevangenis zou moeten. Verder moet rekening gehouden worden met de jonge leeftijd van de verdachte en het feit dat hij al enige tijd in detentie heeft gezeten. Daarom wordt door de verdediging verzocht om een taakstraf met daarnaast een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die hij al in voorarrest heeft doorgebracht.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich samen met twee vrienden schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld door het slachtoffer [slachtoffer 2] van geld te beroven en hierbij geweld te gebruiken tegen het slachtoffer [slachtoffer 1] . De verdachte ontving een berichtje van medeverdachte [medeverdachte 2] , die op dat moment samen met [slachtoffer 1] als bezorger aan het werk was, dat er een contant geldbedrag in de bus lag. De verdachte is samen met medeverdachte [medeverdachte 1] naar de locatie van de bus gereden om het geldbedrag te stelen. Toen [slachtoffer 1] dit probeerde te voorkomen is er geweld gebruikt, door hem uit de bus te trekken en meerdere malen te slaan en stompen tegen het hoofd en lichaam. Het slachtoffer heeft hierdoor letsel opgelopen en tot weken na het feit te kampen gehad met gevoelens van angst, boosheid en frustratie. Hij voelde zich nog enige tijd onveilig tijdens zijn werk en had moeite met het vertrouwen van mensen, nu dit vertrouwen door een collega, bij wie hij zicht tijdens het werk veilig had moeten voelen, beschaamd werd. Dit soort feiten, gepleegd in het openbaar, veroorzaken niet alleen bij het slachtoffer, maar ook in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid. Hoewel de verdachten verklaren dat dit een impulsieve actie was, hebben zij wel samen het plan bedacht en uitgevoerd, kennelijk zonder stil te staan bij de gevolgen voor vooral het slachtoffer [slachtoffer 1] . Diefstal met geweld is een ernstig feit en de rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 4 februari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.
Rapport van de reclassering
Uit het rapport van Reclassering Nederland van 13 februari 2026 blijkt kort gezegd dat er een aantal factoren lijken te hebben meegespeeld die de verdachte tot het plegen van het strafbare feit hebben aangezet. Zo had hij in die periode geen werk en inkomsten, had hij depressieve gevoelens en zat hij in een neerwaartse spiraal. Net als de medeverdachten, heeft de verdachte vooral impulsief gehandeld om snel geld te verdienen en lijkt dit een eenmalige actie. Het risico op recidive wordt daarom ingeschat als laag-gemiddeld. Inmiddels loopt er een reclasseringstoezicht en is er sprake van een positieve ontwikkeling bij de verdachte. Het contact met zijn ouders is verbeterd, hij heeft werk en inkomen, zijn dag- en nachtritme is verbeterd en hij is actief aan het sporten. Het reclasseringstoezicht draagt daaraan bij. Daarom ziet de reclassering meerwaarde in een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, inzetten voor dagbesteding en inzicht geven in zijn sociale netwerk. De reclassering vindt het niet nodig dat het contactverbod met de medeverdachten wordt voortgezet. Verder is getoetst of het adolescentenstrafrecht van toepassing moet zijn. De reclassering concludeert dat dit niet noodzakelijk is, mede vanwege het ontbreken van de noodzaak voor het opleggen van interventies die enkel in het jeugdstrafrecht toe te passen zijn.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten ten aanzien van een straatroof. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Voor een straatroof wordt een gevangenisstraf van 6 maanden als uitgangspunt gegeven.
De rechtbank houdt verder rekening met de jonge leeftijd van de verdachte en deelt het standpunt van de verdediging dat het niet wenselijk is dat de verdachte terug moet naar de gevangenis. Uit het reclasseringsadvies blijkt dat het feit uit impulsiviteit is gepleegd en dat de kans op herhaling klein is. De rechtbank vindt het van belang dat de verdachte zijn leven verder vorm kan geven. Verder ziet de rechtbank dat de verdachte spijt heeft van zijn daad en heeft de verdachte verantwoordelijkheid genomen voor wat hij heeft gedaan.
Daarom wordt een gevangenisstraf van 180 dagen opgelegd. Van deze gevangenisstraf worden 157 dagen voorwaardelijk opgelegd.
Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, zodat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. De rest van de gevangenisstraf wordt voorwaardelijk opgelegd. De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.
Daarnaast vindt de rechtbank, met het oog op de vergelding, dat de verdachte ook nog een (forse) taakstraf moet uitvoeren. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank vooral rekening met de ernst van het feit. Daarom wordt ook een taakstraf van 180 uur opgelegd.
5. Vordering van de benadeelde partijen
Vordering [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]
Het slachtoffer [slachtoffer 1] heeft als benadeelde partij € 4.500 als vergoeding voor immateriële schade gevorderd. Daarnaast heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een vergoeding van € 2.464,50 aan materiele schade. De benadeelde partijen hebben verzocht de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] kan, gelet op vergelijkbare zaken, worden toegewezen tot een bedrag van € 3.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] kan, ondanks dat een machtiging van vertegenwoordiging ontbreekt, volledig worden toegewezen. Er is geen reden om te twijfelen aan het feit dat de indiener het slachtoffer mocht vertegenwoordigen. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank wat betreft de benadeelde partijen, maar merkt daarbij wel op dat de vergoeding voor benadeelde partij [slachtoffer 1] gematigd zou moeten worden, gelet op vergelijkbare gevallen.
Oordeel van de rechtbank
[slachtoffer 2]
De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat niet is gebleken dat de indiener van het formulier ‘verzoek tot schadevergoeding’ was gemachtigd het slachtoffer te vertegenwoordigen. De vordering kan opnieuw worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
[slachtoffer 1]
De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen en is op andere wijze in zijn persoon aangetast. Zoals blijkt uit de verklaring opgenomen in het schade onderbouwingsformulier heeft de beroving hem erg aangegrepen, want hij heeft zich nog lange tijd onveilig en alerter op het werk gevoeld en vertrouwt mensen minder snel.
Hij voelt zich in zijn veiligheid en persoonlijke integriteit aangetast. De diefstalvormde daarmee een ernstige inbreuk op de persoonlijke integriteit van de benadeelde partij.
Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 1.500,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van €1.500,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] moet betalen.
Hoofdelijke veroordeling
De verdachte heeft het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders gepleegd. Zij zijn daarom allen hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededaders de schadevergoeding (voor een deel) hebben betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 24 november 2025.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 15 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
6. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straffen zijn gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
7. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straffen
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 180 (honderdtachtig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat 157 (honderd zevenenvijftig) dagen van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 (drie) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte (een van) de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen 3 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres [adres 2] te [plaats] of telefonisch via [telefoonnummer] ;
2. de verdachte zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van dagbesteding in de vorm van betaald werk of een opleiding met een vaste structuur, zolang de reclassering dat nodig vindt;
3. de verdachte de reclassering gedurende de proeftijd inzicht geeft in zijn sociale contacten;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
Taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst;
Vorderingen benadeelde partijen
verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de benadeelde partij [benadeelde 1] , te betalen een bedrag van € 1.500,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 24 november 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] aan de staat € 1.500,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 24 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 15 (vijftien) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij of zijn mededaders de schade aan de benadeelde partij of aan de staat hebben vergoed.
8. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.M. van der Leeden, voorzitter,
en mrs. M.I. Blagrove en M.S. Polet, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S. Hoebe, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 10 maart 2026.
Mrs. Van der Leeden en Hoebe zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.