Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-366516-24
Datum uitspraak: 10 maart 2026
Datum zitting: 10 maart 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1991 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven op het adres [adres] te ( [postcode] ) [woonplaats] .
Officier van justitie: mr. F.J. van der Putten
Benadeelde partij: [benadeelde]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. A.R. Hamers
Kern van het vonnis
De verdachte heeft, toen zij zelf 29 jaar was, gedurende een aantal maanden seksueel contact gehad met het destijds 15-jarige slachtoffer. Ook heeft zij het slachtoffer in die periode een filmpje gestuurd met seksuele inhoud.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij - samengevat – ontuchtige handelingen heeft gepleegd met het slachtoffer terwijl het slachtoffer pas 15 jaar was. Ook beschuldigt de officier van justitie de verdachte ervan dat zij aan het slachtoffer in diezelfde periode een filmpje heeft gestuurd waarop seksuele handelingen te zien waren. De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
1
zij in of omstreeks de periode van 1 juli 2020 tot en met 22 oktober 2020 te Bergschenhoek, althans in Nederland, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2004, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten door
- die [slachtoffer] te tongzoenen en/of te zoenen,
- die [slachtoffer] in de nek te zoenen en/of te bijten,
- de borst van die [slachtoffer] te bijten en/of
- ( over de kleding) de bovenbenen en/of de vulva van die [slachtoffer] te betasten.
2 primair
zij op of omstreeks 2 september 2020 te Bergschenhoek, althans in Nederland, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2004, van wie zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat zij de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, met ontuchtig oogmerk ertoe heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen, door die [slachtoffer] via social media (WhatsApp) een filmpje toe te sturen waarop te zien is dat zij, verdachte, masturbeert;
2 subsidiair
zij op of omstreeks 2 september 2020 te Bergschenhoek, althans in Nederland, een afbeelding, een voorwerp en/of een gegevensdrager bevattende een afbeelding, waarvan de vertoning schadelijk was te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar, te weten een video waarop zij, verdachte, masturbeerde heeft verstrekt, aangeboden en/of vertoond aan een minderjarige, van wie zij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze jonger was dan zestien jaar, te weten aan [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2004.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor feit 1 en feit 2 primair.
Conclusie van de verdediging
De verdachte heeft zich ten aanzien van de feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte ontucht heeft gepleegd met iemand jonger dan 16 jaar en dat zij hetzelfde slachtoffer, waarvan de verdachte ook wist dat zij jonger dan 16 jaar was, heeft bewogen getuige te zijn van een filmpje met seksuele handelingen. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
1. Verklaring van de verdachte
2. Proces-verbaal van de politie, aangifte [slachtoffer]
3. Proces-verbaal van de politie, onderzoek telefoon slachtoffer
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 1
zij in of omstreeks de periode van 1 juli 2020 tot en met 22 oktober 2020 te Bergschenhoek, althans in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2004, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten door
- die [slachtoffer] te tongzoenen en/of te zoenen,
- die [slachtoffer] in de nek te zoenen en/of te bijten,
- de borst van die [slachtoffer] te bijten en/of
- ( over de kleding) de bovenbenen en/of de vulva van die [slachtoffer] te betasten.
Feit 2 primair
zij op of omstreeks 2 september 2020 te Bergschenhoek, althans in Nederland, [slachtoffer] , geboren op 22 oktober 2004, van wie zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat zij de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, met ontuchtig oogmerk ertoe heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen, door die [slachtoffer] via social media (WhatsApp) een filmpje toe te sturen waarop te zien is dat zij, verdachte, masturbeert.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1
met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd
Feit 2 primair
een persoon, van wie hij weet dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, met ontuchtig oogmerk ertoe bewegen getuige te zijn van seksuele handelingen
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straffen
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen, met aftrek van voorarrest en waarvan 269 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarbij moeten de door de reclassering voorgestelde bijzondere voorwaarden worden opgelegd. Daarnaast vordert de officier van justitie een taakstraf voor de duur van 180 uur.
Standpunt van de verdediging
De verdachte refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft, toen zij zelf 29 jaar was, ontuchtige handelingen gepleegd met een minderjarig meisje en haar ertoe bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen. Zij heeft daarbij misbruik gemaakt van de omstandigheid dat het slachtoffer vanwege haar thuissituatie door een moeilijke periode ging, haar seksualiteit en geaardheid nog aan het ontdekken en ontwikkelen was en tegen de verdachte – op dat moment haar softbalcoach- opkeek. Daarnaast was er sprake van een groot leeftijdsverschil tussen de verdachte en het slachtoffer. De verdachte heeft geen oog gehad voor de ongelijke (machts)verhouding en mogelijke gevolgen voor het slachtoffer en dit rekent de rechtbank de verdachte aan. Het lijkt er op dat zij ten tijde van de feiten niet inzag dat haar handelen onaanvaardbaar en schadelijk voor het slachtoffer was. Mogelijk speelde haar overmatige drankgebruik daarin een rol maar dat is geen excuus. Dat het slachtoffer indertijd vanuit een zekere verliefdheid meeging in een relatie die steeds meer een seksueel karakter kreeg, doet ook niet af aan de verwerpelijkheid van het handelen van de verdachte. Zij had het slachtoffer in bescherming moeten nemen en contact dat verder ging dan een normaal contact tussen een coach en leerling, af moeten houden. Uit de door het slachtoffer voorgedragen de slachtofferverklaring blijkt wat de gevolgen van het handelen van de verdachte voor haar zijn geweest en dat zij er tot op heden nog last van ondervindt. De verdachte heeft bij dit alles kennelijk niet stilgestaan en heeft haar eigen behoeften voorop gesteld.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 4 februari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.
Rapport van de reclassering
In het rapport van Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) van 22 december 2025 staat het volgende. De verdachte was in de tenlastegelegde periode seksueel zeer actief, er was sprake van fors alcoholgebruik en zij werkte en sportte overmatig. Dit leek voort te komen uit een laag zelfbeeld en een vermijdende copingstijl, wat wellicht samen kan hangen met het feit dat de verdachte als kind seksueel misbruikt is. Tegenwoordig heeft de verdachte inzicht in de gevolgen voor het slachtoffer en het foute aan haar handelen. De verdachte heeft ondertussen een fulltime baan en is gestopt met (overmatig) sporten en coachen. Wel bestaan er nog een aantal zorgen over de verdachte. Zij heeft schulden en woont daardoor nog bij haar ouders. Vanwege deze zorgen en de relatie tussen het psychosociaal functioneren en het delict, wordt een ambulante behandeling aangeraden. De reclassering adviseert daarom een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling en het vermijden van contact met minderjarigen.
Oplegging straffen
Straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf in beginsel passend en bovendien is het taakstrafverbod aan de orde. Bij het bepalen van de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
De rechtbank vindt -mede gelet op het tijdsverloop- een voorwaardelijke gevangenisstraf in dit geval op zijn plaats. Daarom wordt een gevangenisstraf van 90 dagen opgelegd, waarvan 89 dagen voorwaardelijk.
De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd, behalve het vermijden van contact met minderjarigen. Het is voor de verdachte gezien haar werk en familie lastig om aan deze voorwaarde te voldoen. Bovendien gaat er van de algemene voorwaarde voldoende afschrikwekkende werking uit om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw seksueel contact met minderjarigen te zoeken. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.
Verder is een taakstraf passend. Daarom wordt een taakstraf van 100 uur opgelegd.
5. Vordering van de benadeelde partij
Vordering [slachtoffer]
heeft als benadeelde partij voor beide feiten € 5.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast heeft zij een bedrag van € 2.000,- als nader te onderbouwen schade gevorderd.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van het gedeelte van de vordering dat ziet op nader te onderbouwen schade dient de benadeelde niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De verdachte heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van de strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij is namelijk op andere wijze in haar persoon aangetast.
Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 1.250,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt (waaronder de duur en de intensiteit) en de leeftijd van de benadeelde partij. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 1.250,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Ten aanzien van de gevorderde toekomstige, dan wel nader te onderbouwen schade wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard, nu deze schade niet is gespecificeerd. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 1 juli 2020.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 12 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
6. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straffen zijn gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 247 en 248d (oud) van het Wetboek van Strafrecht.
7. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 primair, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straffen
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 90 (negentig) dagen;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat van deze gevangenisstraf 89 (negenentachtig) dagen niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
2. de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De toezichthouder meldt de verdachte aan. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en seksueel grensoverschrijdend gedrag;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
Taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 100 (honderd) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde] (feit 1 en 2) te betalen een bedrag van € 1.250,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 juli 2020 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feit 1 en 2); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor de feiten 1 en 2 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde] aan de staat € 1.250,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 juli 2020 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 12 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
8. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.M. van der Leeden, voorzitter,
en mrs. M.I. Blagrove en M.S. Polet, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S. Hoebe, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 10 maart 2026.
Mrs. Van der Leeden en Hoebe zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.