Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 09-316534-25
Datum uitspraak: 24 maart 2026
Datum zitting: 10 maart 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats]
ingeschreven op het adres [adres] te ( [postcode] ) [woonplaats] ,
gedetineerd in [naam P.I.] .
Advocaat van de verdachte: mr. H.W. van Eeuwijk
Officier van justitie: mr. F.J. van der Putten
Kern van het vonnis
De verdachte wordt veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van 94,1 gram MDMA. De verdachte heeft dit bekend. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 maand.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - 94,1 gram MDMA voorhanden heeft gehad. De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:
hij op of omstreeks 25 oktober 2025 te ’s-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 94,1 gram MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet, aanwezig heeft gehad.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het feit.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van het feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat:
hij op of omstreeks 25 oktober 2025 te ’s-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 94,1 gram MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, aanwezig heeft gehad.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
1. Verklaring van de verdachte
2. Proces-verbaal van de politie
3. Deskundigenverslag
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het feit worden veroordeeld voor een gevangenisstraf van 4 maanden.
Standpunt van de verdediging
Aan de verdachte moet op grond van de LOVS-richtlijnen een kortere straf worden opgelegd.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van een ruime hoeveelheid harddrugs. Het aanwezig hebben van een dergelijke hoeveelheid harddrugs is een ernstig strafbaar feit. Harddrugs zoals MDMA zijn schadelijk voor de volksgezondheid en het gebruik ervan kan leiden tot verslaving en diverse lichamelijk en psychische problemen. Daarnaast gaat de handel in harddrugs veelal gepaard met andere vormen van criminaliteit, zoals geweldsdelicten en vermogenscriminaliteit. Door een dergelijke hoeveelheid harddrugs aanwezig te hebben, heeft de verdachte bijgedragen aan het in stand houden van dit illegale circuit.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 4 februari 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.
Rapport van de reclassering
In het rapport van Reclassering Nederland van 18 februari 2026 staat het volgende.
Er kan gesproken worden van een hardnekkig delictpatroon. Een delictvrije periode van twee jaar heeft dit patroon niet blijvend kunnen doorbreken. Er is sprake van dagelijks middelengebruik, een instabiele woonsituatie, het ontbreken van een bestendig inkomen en een substantiële schuldenlast. Daarnaast zijn er zorgen over het psychosociaal functioneren van de verdachte. In het verleden is geprobeerd door middel van verschillende reclasseringstoezichten en ambulante behandelingen stabiliteit te creëren, maar alle eerdere interventies mochten niet baten. De verdachte verklaart gemotiveerd te zijn voor reclasseringsbegeleiding, maar de reclassering plaatst nadrukkelijk kanttekeningen bij de oprechtheid hiervan. De praktijk wijst uit dat de verdachte de bijzondere voorwaarden herhaaldelijk niet naleeft. De reclassering adviseert daarom een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen, nu zij geen mogelijkheden meer ziet om de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit, het strafblad van de verdachte en de praktische omstandigheden waarin verdachte zal verkeren als hij in vrijheid wordt gesteld is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Na zijn detentie heeft de verdachte geen adres waar hij zich kan vestigen. De verdachte heeft hierdoor geen oproepingsadres. Dit maakt een eventuele taakstraf in de praktijk lastig uit te voeren. Hierbij weegt mee dat de verdachte in het verleden maar één van de vier reclasseringstoezichten positief heeft afgerond en dat het laatste reclasseringstoezicht negatief is afgesloten omdat de verdachte onbereikbaar was voor de reclassering.
Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Daarom wordt een gevangenisstraf van 1 maand opgelegd.
5. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
6. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 1 (een) maand;
7. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.M. van der Leeden, voorzitter,
en mrs. M.I. Blagrove en M.S. Polet, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S. Hoebe, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 24 maart 2026.
Mrs. Van der Leeden en Hoebe zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.