RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/700963 / JE RK 25-1148
Datum uitspraak: 19 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west,
gevestigd te Dordrecht, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam vader] ,
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 1] ,
[naam moeder] ,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 2] .
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[gezinshuisvader] en [gezinshuismoeder],
hierna te noemen: de gezinshuisvader en de gezinshuismoeder,
tezamen ook te noemen: de gezinshuisouders,
[naam 1] ,
ambulant medewerker van het Kind en Jongerencentrum (K&J Centrum),
hierna te noemen: de ambulant medewerker.
1. Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van 15 december 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
de briefrapportage van de GI van 11 januari 2026;
Op 19 januari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
de vader;
de gezinshuismoeder;
de ambulant medewerker;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [naam 2] en [naam 3] .
De moeder en de gezinshuisvader zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder en de gezinshuisvader juist zijn opgeroepen.
Kort voor de zitting hebben de gezinshuisouders een document ingezonden, ontvangen op 19 januari 2025. De kinderrechter en de belanghebbenden hebben van de (volledige) inhoud ervan geen kennis meer kunnen nemen.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft vier nachten per week bij de vader en drie nachten per week bij de gezinshuisouders.
Bij beschikking van 24 juni 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 6 juni 2026 (zijn meerderjarigheid).
Bij beschikking van 15 december 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten een gezinsgerichte voorziening, verlengd tot 28 februari 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
3. Het aangehouden verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Hierop is al beslist. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van een jaar. Over de periode tot 28 februari 2026 is al beslist. Nu moet nog beslist worden over de periode tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot 6 juni 2026.
4. De standpunten
De GI brengt ter zitting het volgende naar voren. De GI hoort en ziet de frustratie en de noodkreet bij de vader en de gezinshuishoudens. De vertegenwoordigers van de GI waren bij de vorige zitting ook aanwezig en zij hebben toen de situatie intern teruggekoppeld. Ondanks dat is er nog steeds geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar, terwijl die in deze situatie hard nodig is.
De vader brengt ter zitting het volgende naar voren. De vorige jeugdbeschermer is zonder iets te laten weten in de zomervakantie weggegaan. De kinderen zijn de dupe van het falen van de jeugdzorgorganisatie. De vader heeft pas op 27 december jongstleden gehoord dat [minderjarige] weg moet bij het gezinshuis. De vader zit nu op een punt dat hij niet meer weet wat hij moet doen. Als [minderjarige] naar het gezinshuis in [plaatsnaam] gaat moet hij zijn zusje [naam 4] missen. Daarnaast is de vader bang dat het daar ook fout gaat en dat er dan weer niemand is om [minderjarige] te ondersteunen.
De gezinshuismoeder heeft als informant ter zitting het volgende naar voren gebracht. Het gezinshuis is begonnen met het zoeken naar een vervolgplek voor [minderjarige] nadat [minderjarige] zelf met deze vraag kwam. [minderjarige] gaf aan dat hij op zijn achttiende graag zelfstandig wil zijn waarna het gezinshuis op zoek is gegaan naar een passende vervolgplek. De gezinshuisouders hebben samen met de gedragswetenschapper en [minderjarige] meerdere gesprekken gevoerd om te onderzoeken waar [minderjarige] het liefst wil wonen na zijn achttiende verjaardag. De gezinshuisouders hebben een gezinshuis in [plaatsnaam] gevonden wat een geschikte plek voor [minderjarige] lijkt. Hier kan [minderjarige] zijn stageplek en zijn sociaal netwerk behouden. Deze plek wordt echter tegengehouden door de vader en zijn schoonzus. De jeugdbescherming zou naar een andere plek zoeken maar dit is niet van de grond gekomen. De noodzaak was er toen ook nog niet dat [minderjarige] per direct moest vertrekken, maar de gezinshuisouders vonden het wel goed om [minderjarige] verschillende opties voor te houden. De gezinshuisouders hebben zich door het ontbreken van de zorg vanuit de GI eenzaam gevoeld in dit traject. Daarbij lopen de gezinshuisouders er tegenaan dat [minderjarige] steeds verder van hen af beweegt. [minderjarige] stelt zich onbegeleidbaar op waardoor de gezinshuisouders geen grip op hem hebben. Het grootste omslagpunt was het moment dat de vorige jeugdbeschermer [naam 5] met [minderjarige] een gesprek had waarin hij aangaf dat hij met ambulante begeleiding bij de vader weer zou toewerken naar thuisplaatsing. Sindsdien is [minderjarige] zich anders gaan gedragen.
De ambulant medewerker heeft als informant ter zitting het volgende naar voren gebracht. De ambulant medewerker is – na opdracht van de GI – in oktober 2025 ingestapt om te helpen met de begeleiding van [minderjarige] . De vorige jeugdbeschermer heeft een intakegesprek gehad met de ambulant medewerker, maar hierna nooit meer gereageerd op zijn belletjes. De ambulant medewerker merkt op dat in overleggen met de GI en de gezinshuisouders er weinig wordt opgeschreven in de notulen, terwijl daar juist belangrijke informatie in zou moeten staan. De ambulant medewerker is van mening dat het gezinshuis in [plaatsnaam] onder de huidige omstandigheden de beste plek is voor [minderjarige] . Tegelijkertijd begrijpt hij ook dat [minderjarige] zijn zusje niet wil achterlaten. Ook is het voor de vader spannend als [minderjarige] van zijn zusje wordt gescheiden. De ambulant medewerker laat weten dat de gezinshuisouders voor onduidelijkheid zorgen; hij stelt vraagtekens bij wat in het gezinshuis gebeurt. De ambulant medewerker heeft dagelijks contact met [minderjarige] . De ambulant medewerker kan niet vaststellen waar het vandaan komt dat [minderjarige] overvraagd lijkt te worden. Daarbij zitten er veel gaten in het dossier waardoor iedereen meer wantrouwend naar de hulpverlening en het gezinshuis is geworden. Ook komt de moeder met gezag bij de ambulant medewerker op de lijn omdat ze informatie wil, terwijl de GI haar naar de bureaudienst verwijst, wat geen oplossing biedt.
5. De beoordeling
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel – alles afwegende – dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de hierna vermelde duur noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding.
Tussen alle betrokkenen staat niet de vraag ter discussie of de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] moet worden verlengd. De vraag is wat de meest geschikte plek is voor [minderjarige] en wanneer hij zou moeten overgaan richting meer zelfstandigheid. Tijdens de zitting van 15 december 2025 is geconstateerd dat [minderjarige] niet langer in het huidige gezinshuis kan blijven. Volledige terugplaatsing bij de vader bleek toen niet mogelijk. Overwogen is in de beschikking van 15 december 2025 dat de GI debet is aan het ontstaan van de patstelling ten gevolge van een gebrek aan regievoering. De situatie op dat moment bracht veel onzekerheid met zich, zowel voor [minderjarige] , als voor de vader, als voor de gezinshuisouders. Op dit moment is er echter nog steeds sprake van een impasse. De GI blijkt tot op heden de regie niet gepakt te hebben; een vaste jeugdbeschermer is nog steeds niet beschikbaar. Door het ontbreken van de regie vanuit de GI verkeert iedereen nog al lange tijd in grote onzekerheid.
Ter zitting is namens de GI aangegeven dat na de vorige zitting intern aandacht is gevraagd voor de situatie van [minderjarige] . Echter, ook dit heeft niet geleid tot een vaste jeugdbeschermer en tot strakke regie. Uit de notulen van 4 december 2025 blijkt dat het gezinshuis al bijna twee jaar aangeeft dat zij de zorg voor [minderjarige] niet langer kunnen dragen. Hierop lijkt door de GI niet adequaat gehandeld te zijn. Uit genoemde notulen blijkt ook dat er veel verwarring bestaat tussen alle betrokkenen. En ondertussen blijven de misverstanden en ergernissen tussen de vader en [minderjarige] enerzijds en de gezinshuisouders anderzijds oplopen. Dit valt zeer te betreuren omdat iedereen van goede wil is, maar er de nodige miscommunicatie is. De kinderrechter vindt het zeer zorgelijk dat dit niet door de GI is opgepakt. Dit is des te belangrijker omdat het gezinshuis ook de zorg heeft over een oudere en jongere zus van [minderjarige] . Dat maakt het des te urgenter om de verhoudingen tussen alle betrokkenen goed te houden.
Ten tijde van de zitting van 19 januari 2026 lijkt het het meest voor de hand te liggen dat [minderjarige] de overstap gaat maken naar het gezinshuis in [plaatsnaam] . Het zou in het belang van [minderjarige] zijn als dit in harmonie en met steun van alle betrokkenen gaat. Ook is het belangrijk dat [minderjarige] zich geen zorgen maakt over zijn jongere zusje dat bij de gezinshuisouders blijft wonen. Dit alles vraagt per direct een vaste jeugdbeschermer voor het gezin die stevig de regie pakt.
Gelet op de bestaande problematiek kan de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing niet voor de resterende duur toewijzen. Zowel voor [minderjarige] als voor zijn zussen moet vinger aan de pols gehouden worden. De kinderrechter zal daarom de machtiging opnieuw voor een korte periode verlengen en het meer verzochte aanhouden.
De kinderrechter verzoekt de GI uiterlijk een week voor de hierna vermelde zittingsdatum in een rapportage uitleg te geven over de gang van zaken en de binnen de GI gemaakte keuzes ten aanzien van het gezin Drok. Ook verzoekt de kinderrechter dan informatie over de stand van zaken op dat moment. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat op de komende zitting de/een manager van het team waar [minderjarige] (en zijn zussen) onder valt (vallen) aanwezig dient te zijn om de bestaande vragen ter zitting over de situatie van [minderjarige] (en zijn zussen) te kunnen beantwoorden.
[minderjarige] is voor de volgende zitting ook weer uitgenodigd. Hij hoeft echter niet te komen, aangezien de volgende zitting kort op de zitting van vandaag is. [minderjarige] mag de kinderrechter ook een brief of e-mailbericht sturen, als hij dat prettiger vindt. De kinderrechter kan hem ook bellen als hij zijn telefoonnummer doorgeeft. De keuze is aan [minderjarige] .
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening tot 1 april 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
en alvorens verder te beslissen:
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
roept het management van de GI, de dan betrokken jeugdbeschermer van de GI, de belanghebbenden en de informanten op te verschijnen tijdens de zitting van de Rechtbank Rotterdam in het gerechtsgebouw aan het Wilhelminaplein 100/125 te Rotterdam, op dinsdag 3 maart 2026 om 13:00 uur, om nader op het verzoek te worden gehoord;
de zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter;
verzoekt de GI uiterlijk een week voor de zittingsdatum de hiervoor verzochte informatie aan te leveren (met afschrift daarvan aan de belanghebbenden);
verzoekt de griffier [minderjarige] uit te nodigen voor voornoemde zitting.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2026 door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in aanwezigheid van S.M.J. van de Griend als griffier, en op schrift gesteld op 22 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.