Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Politierechter
Parketnummers: 83-036794-26
Datum uitspraak: 2 april 2026
Datum zitting: 2 april 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats]
ingeschreven op het adres [adres] [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. M.J.J.E. Stassen
Officier van justitie: mr. S.J. Wirken
Kern van het vonnis
De verdachte heeft een koe mishandeld door het dier vastgebonden aan een shovel naar buiten te slepen, nadat het dier onderuit was gegaan en niet meer op kon staan in de stal van het bedrijf waar de verdachte werkzaam was.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat – een koe heeft mishandeld.
De volledige tenlastelegging (hierna: beschuldiging) houdt in dat
1
hij, op 7 april 2025 en/of 8 april 2025 in Oud‐Alblas, gemeente Molenlanden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk,zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier, te weten een koe, pijn of letsel heeft veroorzaakt danwel de gezondheid of het welzijn van het dier heeft benadeeld, immers heeft hij, verdachte, genoemde koe, die zichtbaar gewond was aan een poot en die daardoor niet op kon staan, met een shovel aan de vastgebonden achterpoten weggesleept;
2
hij, op 7 april 2025 en/of 8 april 2025 in Oud‐Alblas, gemeente Molenlanden, althans in Nederland, opzettelijk, heeft gehandeld in strijd met artikel 6.2 lid 1 van de Wet dieren, immers vond het vervoer van dieren niet plaats conform het gestelde in artikel 8 en/of 9 en/of voorschriften 1 en 2 van Bijlage I, hoofdstuk I van Verordening (EG) nr. 1/2005, aangezien een koe werd vervoerd die gewond was en die niet in staat was op eigen kracht pijnloos te bewegen.
2. Geldigheid van de dagvaarding
Standpunt van de verdediging
De raadsman stelt dat hij ervan was uitgegaan dat het tweede feit zag op het vervoeren van de koe met de shovel.
Standpunt van de officier van justitie
Het dossier bevat een veterinaire verklaring waarin de camerabeelden zijn beschreven. De verbalisant schrijft op dat zij ziet dat de kreupelende koe in de eerste 18 seconden van de video een wittere kleur heeft dan de rest van de koeien. Het tweede feit ziet op het transporteren van deze kreupelende koe door de verdachte.
Oordeel van de politierechter
Zowel de verdediging als ook de politierechter hebben bij de voorbereiding van deze zaak niet begrepen op welke feitelijkheden het onder 2. tenlastegelegde zag. Uit het dossier blijkt onvoldoende waar de beschuldiging onder feit 2 op ziet. De dagvaarding voldoet daarmee niet aan de eisen die artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering daaraan stelt en is in zoverre nietig.
3. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de feiten 1 en 2. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1 en 2. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de politierechter
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte een koe heeft mishandeld. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 3.3.3.
De bewezenverklaring van feit 1 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Eigen waarneming van de politierechterOp de camerabeelden is te zien dat de verdachte met een shovel naar binnen komt rijden. Vervolgens is te zien dat een koe met de shovel naar buiten wordt getrokken.
2. Verklaring van de verdachte
Ik ben degene op de camerabeelden die met de shovel komt aanrijden en de koe wegsleept. Dit was in de ochtend nadat de koe de avond ervoor onderuit was gegaan.
3. Proces-verbaal van de opsporingsambtenaarIk zag in de video-opname dat een rund op de grond lag. Ik zag dat een shovel bestuurd door een man (hierna: persoon 1) naar binnen reed richting het hok met de runderen. Ik zag de shovel achterwaarts uit het hok rijden terwijl het dier werd voortgesleept naar buiten. Ik zag dat het rund zijn hoofd ophief en probeerde op te staan, maar dat de shovel niet stopte met het voorttrekken van het dier naar buiten. Het met een shovel over de vloer trekken van het rund heeft pijn, enorme stress en veel leed veroorzaakt.
4. Proces-verbaal van de politie, verklaring getuige [naam getuige 1]Ik herken de locatie in het filmpje als de stal van een verzamelcentrum in Oud-Alblas.
5. Proces-verbaal van de politie, verklaring getuige [naam getuige 2]Op 8 april 2025 heb ik een noodslachting verricht voor [naam bedrijf] .
6. Schriftelijk stukVisitebrief Naam: [naam bedrijf]Adres: Oud-Alblas. Datum: 8 april 2025Aankomsttijd: 11:30 uurVertrektijd: 11:45 uurDierenarts: [naam getuige 2]Koe onderuitgegaan, poot kapot, noodslachting.
Bewijsmotivering
Beroep op bewijsuitsluiting camerabeelden
De verdediging heeft bepleit dat de camerabeelden onrechtmatig zijn verkregen en een schending vormen van het recht op een eerlijk proces conform artikel 6 EVRM, waardoor de beelden dienen te worden uitgesloten van het bewijs.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie is van opvatting dat de camerabeelden op rechtmatige wijze zijn verkregen en kunnen worden gebezigd voor het bewijs.
Oordeel van de politierechter
De rechtbank is van oordeel dat de beelden inderdaad heimelijk zijn gemaakt door een actiegroep en vervolgens zijn verspreid op het internet. De rechtbank gaat niet mee in de vaststelling dat de beelden op een onrechtmatige manier zijn verkregen door het Openbaar Ministerie. Op het moment dat er beelden rondgaan van een mogelijk strafbaar feit, moet het Openbaar Ministerie daar onderzoek naar doen. De beelden zijn rechtmatig verkregen door het Openbaar Ministerie en kunnen worden gebruikt voor het bewijs. Het verweer wordt verworpen.
Pleegdatum en pleegplaats
De camerabeelden zijn opgenomen zonder beschrijving van datum en plaats. De praktiserende dierenarts van [naam bedrijf] heeft bij de politie verklaard dat hij op 8 april 2025 de noodslachting heeft verricht van een koe. De rechtbank stelt vast dat de koe is geslacht in de ochtend van 8 april 2025. De verdachte verklaart dat zijn aandeel plaatsvond in de ochtend van de dag van de slachting van de koe. De rechtbank leest hierin dat de verdachte het heeft over de avond van 7 april 2025. De beelden zijn opgenomen in de stal van het verzamelcentrum van [naam bedrijf] in Oud-Alblas.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
1
hij, op 8 april 2025 in Oud‐Alblas, gemeente Molenlanden, althans in Nederland, opzettelijk, met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier, te weten een koe, pijn of letsel heeft veroorzaakt danwel de gezondheid of het welzijn van het dier heeft benadeeld, immers heeft hij, verdachte, genoemde koe, die zichtbaar gewond was aan een poot en die daardoor niet op kon staan, met een shovel aan de vastgebonden achterpoten weggesleept.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
Feit 1
zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.1, eerste lid, van de Wet dieren.
Strafbaarheid van het feit en de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
5. Straffen
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten 1 en 2 worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren.
Standpunt van de verdediging
Primair wordt verzocht om cliënt vrij te spreken en subsidiair wordt verzocht om de taakstraf te matigen en geen voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Oordeel van de politierechter
Ernst en omstandigheden van het feit
In de stal van de veehouderij waar de verdachte werkzaam is, kon een koe kennelijk niet meer opstaan door een verwonde poot. De verdachte is met een shovel de stal ingereden, heeft de koe vastgebonden aan de shovel en heeft vervolgens met de shovel de koe de stal uitgesleept. Het dier heeft hierdoor onmiskenbaar veel onnodige pijn geleden. Dierenmishandeling is een ernstig feit. Dit klemt temeer in situaties waarin mensen die vanwege hun bedrijf met dieren omgaan. Van hen wordt een respectvolle houding verwacht ten opzichte van de levende wezens die aan hun zorgen zijn toevertrouwd. Een veehouder dient in alle respect, voorzichtigheid en zorgvuldigheid om te gaan met zijn dieren. Niet alleen is daar in deze zaak geen sprake van geweest, de mishandeling die plaatsvond was buitenproportioneel en klaarblijkelijk sadistisch van aard.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 5 februari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Overige persoonlijke omstandigheden
Het feit is aan het licht gekomen doordat camerabeelden van de mishandeling online zijn geplaatst. Hierdoor hebben de verdachte en het bedrijf waar hij werkt veel nadelige publiciteit ontvangen. De werkgever van de verdachte heeft zijn verantwoordelijkheid genomen door direct maatregelen te treffen, waardoor dit soort incidenten niet nog een keer kunnen voorkomen. Er hangen nu camera’s in de stallen en er worden regelmatig evaluaties gedaan om te kijken hoe het er in het bedrijf aan toe gaat. De maatregelen die zijn genomen, het ontbreken van een bewezenverklaring voor feit 2 en het feit dat verdachte ter terechtzitting oprechte spijt toonde en zijn verantwoordelijkheid in het geheel nam, leiden tot een lagere straf dan die de officier van justitie heeft gevorderd.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte is een taakstraf passend. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank ook rekening met hetgeen hierboven is overwogen. Daarom wordt een taakstraf van 120 uur opgelegd.
In verband met de ernst van het bewezenverklaarde strafbare feit en om te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt zal bovendien een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand worden opgelegd, met een proeftijd van twee jaren.
6. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straffen zijn gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2.1, 8.12 van de Wet dieren.
7. Beslissingen
De politierechter:
Voorvragen
verklaart de dagvaarding nietig voor zover het betreft feit 2;
verklaart de dagvaarding voor het overige geldig;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit 1, zoals in paragraaf 3.3.3. is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
verklaart de verdachte strafbaar;
Straffen
Taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 120 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 1 maand;
bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt.
8. Ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M. van Seventer, politierechter,
in tegenwoordigheid van mr. M.B. Sahin, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 2 april 2026.