ECLI:NL:RBROT:2026:6510

ECLI:NL:RBROT:2026:6510

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 12-05-2026
Datum publicatie 04-06-2026
Zaaknummer C/10/708769 / FA RK 25-8008 en C/10/710857 / FA RK 25-9072
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Beperkte gemeenschap van goederen, partijen verschillen van mening of de gouden sieraden nog aanwezig waren op de (overeengekomen) peildatum van 1 oktober 2025 en dus voor verdeling in aanmerking komen. Omkeren bewijslast?

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/708769 / FA RK 25-8008 en C/10/710857 / FA RK 25-9072

Beschikking van 12 mei 2026 over de echtscheiding en de verdeling

in de zaak van:

[naam man] , hierna: de man,

wonende te [woonplaats 1] ,

advocaat mr. U. Yildirim te Zwolle,

t e g e n

[naam vrouw] , hierna: de vrouw,

wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat mr. D. Abotay te Schiedam.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 21 oktober 2025;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek, ingekomen op 27 november 2025;

- het bericht met bijlagen van de vrouw van 11 maart 2026.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 24 maart 2026. Daarbij zijn verschenen:

de man, bijgestaan door zijn advocaat;

de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

2. De vaststaande feiten

Partijen zijn met elkaar gehuwd te Rotterdam op [huwelijksdatum] .

De man en de vrouw hebben de Nederlandse nationaliteit.

3. De beoordeling

Scheiding

De man verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Hij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

De vrouw betwist de gestelde duurzame ontwrichting niet en verzoekt eveneens de echtscheiding uit te spreken.

De verzochte echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden uitgesproken.

Voortgezet gebruik woning

De man verzoekt (na wijziging van zijn verzoek tijdens de mondelinge behandeling) het voortgezet gebruik van de woning voor de duur van zes maanden.

De vrouw refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank beslist volgens het verzoek, omdat dit verzoek niet is weersproken en op de wet is gegrond.

Verdeling

De man verzoekt primair te bepalen dat de gouden sieraden van partijen – al dan niet met behulp van een juwelier die de sieraden kan taxeren – bij helfte worden verdeeld en subsidiair, na aanvulling van zijn verzoek tijdens de mondelinge behandeling, betaling van de helft van de waarde van de gouden sieraden door de vrouw aan hem.

De vrouw voert gemotiveerd verweer en verzoekt de verzoeken af te wijzen

De rechtbank leest het verzoek aldus dat verzocht wordt de wijze van verdeling te gelasten, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang op grond van artikel 3:185 BW.

Beperkte gemeenschap

Partijen zijn na 1 januari 2018 in het huwelijk getreden, zodat zij in een (inmiddels ontbonden) beperkte gemeenschap van goederen zijn gehuwd.

De gemeenschap omvat, wat haar baten betreft, op grond van artikel 1:94 lid 2 BW alle goederen die al vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle overige goederen van de echtgenoten, door ieder van hen afzonderlijk of door hen tezamen vanaf de aanvang van de gemeenschap tot haar ontbinding verkregen.

Wettelijke peildatum

Op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef en onder b BW is de peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend, te weten 21 oktober 2025.

In afwijking hiervan, zijn partijen het er over eens dat 1 oktober 2025 als de peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap geldt.

Gouden sieraden

Tussen partijen is niet in geschil dat zij tijdens de bruiloft, die na de huwelijkssluiting was, gouden sieraden geschonken hebben gekregen en dat die gouden sieraden als enig bestanddeel in de beperkte gemeenschap zijn gevallen. Partijen verschillen van mening of de gouden sieraden nog aanwezig waren op de door hen overeengekomen peildatum van 1 oktober 2025 en dus voor verdeling in aanmerking komen.

De man stelt dat de gouden sieraden nog aanwezig waren op de peildatum. De gouden sieraden zijn, op enig moment na de bruiloft, door de vrouw naar de Nederlandse Kluis gebracht. Voorafgaand aan de peildatum is de man naar de Nederlandse Kluis geweest en toen bleek dat de kluis opgeheven was. Volgens de man zijn de gouden sieraden nu bij de moeder van de vrouw. Tijdens het huwelijk hebben partijen nooit grote uitgaven gedaan, waardoor verkoop van de gouden sieraden niet nodig was. De man is van mening dat de gouden sieraden nog in het bezit van de vrouw zijn en dat afgifte van de helft van de gouden sieraden aan hem dus mogelijk is.

De vrouw stelt dat de man omvangrijke schulden heeft opgebouwd tijdens het huwelijk en dat zij de gouden sieraden aan de man heeft afgegeven, opdat hij

zijn schulden kon aflossen. Uiteindelijk zijn alle gouden sieraden gebruikt voor de aflossing van de door de man gemaakte schulden. Daarna is de kluis opgezegd. Op de peildatum waren er geen gouden sieraden meer.

De man is van mening dat de bewijslast moet worden omgekeerd. De vrouw moet haar stelling onderbouwen dat met de gouden sieraden de schulden zijn afgelost. De vrouw beheerde de gouden sieraden en had toegang tot de kluis, daarom ligt de bewijslast bij haar, aldus de man.

Op grond van artikel 150 Rv geldt als uitgangspunt dat de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van de door hem of haar gestelde feiten of rechten de bewijslast daarvan draagt. De man stelt dat de gouden sieraden op de peildatum nog aanwezig waren en verzoekt verdeling van die sieraden. De vrouw betwist het door de man gestelde feit dat de sieraden op de peildatum nog aanwezig waren.

De man beroept zich op een rechtsgevolg te weten dat de sieraden op de peildatum tot de beperkte gemeenschap behoorden en voor verdeling in aanmerking komen. Dat betekent op grond van artikel 150 Rv dat hij de daartoe vereiste feiten moet stellen en – als deze betwist worden– bewijzen. Als dat bewijzen niet lukt, treedt het gewenste rechtsgevolg niet in. Dit zou anders zijn als het verweer van de vrouw een zelfstandig of bevrijdend verweer zou zijn in die zin dat zij de door de man gestelde feiten wel erkent, maar wijst op een andere rechtsregel waardoor het rechtsgevolg waarop de man zich beroept niet intreedt. Dat is in deze zaak niet aan de orde.

Van de hoofdregel van artikel 150 Rv kan worden afgeweken indien uit enige bijzondere regel of uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. Met het omkeren van de bewijslast op grond van de redelijkheid en billijkheid dient in zijn algemeenheid terughoudend te worden omgegaan. Uit vaste jurisprudentie blijkt ook dat bewijsnood op zichzelf onvoldoende grond oplevert voor omkering van de bewijslast.

De man heeft voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling aangegeven waarom naar zijn idee de bewijslast moet worden omgekeerd. Dat is het geval als de rechtbank de vrouw volgt en aanneemt dat de sieraden tijdens het huwelijk zijn gebruikt voor aflossing van de schulden en dat de vrouw de sieraden uit de kluis heeft gehaald. De vrouw heeft hierop aangegeven dat zij de sieraden aan de man heeft afgegeven zodat hij zijn schulden kon aflossen. De rechtbank begrijpt het verzoek van de man zo dat hij verzoekt op grond van de redelijkheid en billijkheid en niet op grond van enige regel de bewijslast (en daarmee het bewijsrisico) om te draaien. De rechtbank leest in wat de man op dit punt aanvoert toch vooral dat de vrouw een zelfstandig of bevrijdend verweer zou voeren. Dat ziet de rechtbank, zoals hiervoor aangegeven, anders. Voor zover de man zijn verzoek baseert op bewijsnood, dan is dat op zichzelf onvoldoende om de bewijslast om te keren.

De rechtbank is van oordeel dat de man nog mogelijkheden had om het betwiste feit, dat de sieraden er op de peildatum nog waren, nader te motiveren en te onderbouwen maar deze onbenut heeft gelaten. Zo had de man bijvoorbeeld inzichtelijk kunnen maken of er schulden, genoemd op het overzicht van zijn boekhouder, zijn afgelost tussen het moment van de bruiloft en de peildatum en hoe dat is gebeurd, zonder de geschonken sieraden te hoeven verkopen. De man had bijvoorbeeld inzichtelijk kunnen maken dat en wanneer hij gelden heeft geleend om schulden af te lossen en dat en wanneer hij bijvoorbeeld overwerk heeft geaccepteerd en met die extra inkomsten schulden heeft afgelost. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling verwezen naar een productie 4 in de voorlopige voorzieningen procedure, die door man, in weerwil van artikel 815 lid 5 onder d Rv, niet in het kader van de echtscheidingsprocedure is overgelegd. Die productie zou een overzicht van zijn boekhouder zijn waaruit schulden ten bedrage van ‘een ton’ (€ 100.000,-) zouden blijken. De man heeft gesteld dat hij € 25.000,- bij familie heeft geleend ter aflossing van zijn schulden. Het had op de weg van de man gelegen om inzichtelijk te maken hoe de resterende schulden ten bedrage van € 75.000,- zijn afgelost in de periode tussen bruiloft en peildatum dan wel inzichtelijk te maken dat deze schulden er op de peildatum nog waren.

Omdat de man zijn stelling, dat de gouden sieraden er nog waren op de door partijen overeengekomen peildatum, niet nader heeft gemotiveerd en onderbouwd en de rechtbank geen reden ziet voor omkering van de bewijslast, zal het verzoek van de man worden afgewezen.

Proceskosten

Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank:

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op 01 juli 2022 te Rotterdam;

bepaalt dat de man, als hij ten tijde van de inschrijving van de echtscheidings-beschikking in de registers van de burgerlijke stand de echtelijke woning aan [adres] te ( [postcode] [plaats] , die aan de vrouw uitsluitend of onder andere toebehoort of ten gebruike toekomt, bewoont, jegens de vrouw bevoegd is de bewoning voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking, zulks tegen een redelijke vergoeding, die nu op nihil wordt gesteld;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.L. Raphael, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. I.C.A. van der Lee, griffier, op 12 mei 2026.

Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S.L. Raphael

Griffier

  • mr. I.C.A. van der Lee

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand