ECLI:NL:RBROT:2026:6521

ECLI:NL:RBROT:2026:6521

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 01-06-2026
Datum publicatie 05-06-2026
Zaaknummer 10-220155-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Veroordeling voor zware mishandeling en poging tot zware mishandeling van twee politieambtenaren, en de diefstal van een bromfiets. Gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk. Vrijspraak pogingen tot doodslag. Overwegingen over voorwaardelijk opzet op poging doodslag en voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel. Overwegingen over de kwalificatie van zwaar lichamelijk letsel. Overwegingen over de vorderingen van de benadeelde partijen, waarbij aansluiting is gezocht bij de Rotterdamse Schaal.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10-220155-25

Datum uitspraak: 1 juni 2026

Datum zitting: 18 mei 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2001 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

ingeschreven op het adres van de penitentiaire inrichting [naam P.I.] , te weten [detentieadres] , [postcode] te [detentieplaats] ,

gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] .

Advocaat van de verdachte: mr. A.M.J. Comans

Officier van justitie: mr. H.H. Balk

Benadeelde partijen: [benadeelde 1] en [benadeelde 2]

Advocaat van de benadeelde partijen: mr. E. Benhaim

Kern van het vonnis

De verdachte heeft tijdens een veiligheidsfouillering en een daarmee gepaard gaande worsteling twee agenten gestoken met een keukenmes van ongeveer 20 centimeter lang. Hierdoor heeft agent [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel opgelopen en is ook agent [slachtoffer 2] gewond geraakt. Centraal staat de vraag hoe dit juridisch geduid moet worden: als een poging tot doodslag dan wel als een (poging tot) zware mishandeling? De rechtbank duidt het handelen aan als een zware mishandeling van agent [slachtoffer 1] en een poging tot zware mishandeling van agent [slachtoffer 2] en zal in het vonnis uitleggen waarom. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk. De vorderingen van de benadeelde partijen worden geheel toegewezen, waarbij aansluiting is gezocht bij de Rotterdamse Schaal.

1. Tenlastelegging

De volledige tenlastelegging zoals deze ter terechtzitting is gewijzigd houdt in dat:

1. primair

hij op of omstreeks 28 juli 2025 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] van het leven te beroven,

met een mes in het (boven)been, althans in het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. subsidiair

hij op of omstreeks 28 juli 2025 te Rotterdam

aan een ander, te weten een ambtenaar, [slachtoffer 1] , gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening opzettelijk zwaar lichamelijk letsel een (diepe) steekwond in het (boven)been, althans in het lichaam met zwaar bloedverlies tot gevolg, heeft toegebracht,

door die [slachtoffer 1] met een mes in het (boven)been, althans in het lichaam te steken;

1. meer subsidiair

hij op of omstreeks 28 juli 2025 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten een ambtenaar, [slachtoffer 1] , gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

met een mes in het (boven)been, althans in het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2

hij op of omstreeks 28 juli 2025 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten een ambtenaar, [slachtoffer 2] , gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

met een mes in de kuit, althans in het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] heeft

gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3 primair

hij op 23 juli 2025 te Rotterdam een bromfiets (merk/type Peugeot KISBEE met kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

3 subsidiair

hij op of omstreeks 28 juli 2025 te Rotterdam,

een bromfiets (merk/type Peugeot KISBEE met kenteken [kenteken] ), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen,

terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

2. Bewijs / Vrijspraak

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de feiten 1 primair (poging doodslag op [slachtoffer 1] ), 2 impliciet subsidiair (poging zware mishandeling van [slachtoffer 2] ) en 3 primair (diefstal bromfiets) en dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 2 impliciet primair (poging doodslag op [slachtoffer 2] ). Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1 primair (poging doodslag op [slachtoffer 1] ) en 2 impliciet primair (poging doodslag op [slachtoffer 2] ).

Oordeel van de rechtbank

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

Feit 1 subsidiair

hij op 28 juli 2025 te Rotterdam

aan een ander, te weten een ambtenaar, [slachtoffer 1] , gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een (diepe) steekwond in het bovenbeen, met zwaar bloedverlies tot gevolg, heeft toegebracht,

door die [slachtoffer 1] met een mes in het bovenbeen te steken;

Feit 2 impliciet subsidiair

hij op 28 juli 2025 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten een ambtenaar, [slachtoffer 2] , gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

met een mes in de kuit van voornoemde [slachtoffer 2] heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 3 primair

hij op 23 juli 2025 te Rotterdam een bromfiets (merk/type Peugeot KISBEE met kenteken [kenteken] ), die geheel aan [slachtoffer 3] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Bewijsmiddelen (feiten 1 subsidiair en 2 impliciet subsidiair)

De bewezenverklaring van de feiten 1 subsidiair (zware mishandeling van [slachtoffer 1] ) en 2 impliciet subsidiair (poging zware mishandeling van [slachtoffer 2] ) is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.

1. Verklaring van de verdachte

Op 28 juli 2025 had ik een mes bij mij in mijn broeksband. Ik werd gefouilleerd door de politie. Ik stond met mijn handen op de motorkap en pakte het mes met één hand. Vervolgens ontstond er een worsteling. De agent pakte mijn hand vast en pakte met zijn andere hand mijn nek. Hij gooide mij op de grond.

2. Proces-verbaal van de politie, verbalisant [slachtoffer 1]

Op 28 juli 2025 was ik samen met collega [slachtoffer 2] op de Rochussenstraat in Rotterdam. Ik sloot direct, samen met [slachtoffer 2] , aan bij de controle van een persoon door de [nummer dienstvoertuig] . Deze persoon bleek later te zijn genaamd: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 2001 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ). In mijn verdere proces-verbaal van bevindingen zal ik deze persoon de verdachte noemen.

De verdachte werd medegedeeld dat wij hem zouden gaan fouilleren.

Ik zag hierna dat de verdachte richting het dienstvoertuig van de [nummer dienstvoertuig] liep. Ik liep aan de linkerkant van de verdachte mee en ik zag dat collega [slachtoffer 2] aan de andere kant van de verdachte mee liep. Ik zag vervolgens dat de verdachte zijn handen tegen het dienstvoertuig aan zette.

Ik begon hierop aan de fouillering. Ik fouilleerde de verdachte en kwam na enkele ogenblikken ter hoogte van zijn broeksriem. Op dat moment voelde ik een hard voorwerp uit de broeksriem van de verdachte steken.

Ik vroeg hierop, luidkeels, aan de verdachte wat hij daar had zitten. Ik zag dat de verdachte vervolgens, binnen een hele korte tijd, een plotse beweging maakte met zijn rechterhand naar zijn broeksriem. Ik stond op dit moment zo kort tegen de verdachte aan dat afstand nemen niet mogelijk was. Ik zag dat de verdachte greep naar het voorwerp in zijn broeksband. Op dit moment was mijn eerste reactie om met mijn linkerhand de rechterpols van de verdachte stevig vast te pakken. Ik voelde hierbij dat de verdachte een voorwerp in zijn hand vasthad. Ik voelde dat het harde object welke ik zojuist in de broeksband voelde zitten, nu in de hand van de verdachte zat. Op dat moment, mede doordat ik zo kort op de verdachte stond, besloot ik zo goed mogelijk controle te maken en houden op de aanvallende rechterhand van de verdachte waarin hij het voorwerp had zitten, en om met mijn rechterarm om de verdachte zijn nek te grijpen en hem naar de grond te werken. Ik kreeg met mijn rechterarm een goeie grip om de nek van de verdachte. Ik trok hem hard naar de grond toe, waarbij ik met mijn linkerhand nog steeds om de hand dan wel pols van de verdachte zijn rechterarm vasthield waarin hij het voorwerp had. Ik voelde dat ik de verdachte direct naar de grond kon werken.

Vervolgens zag ik dat collega [slachtoffer 2] aan de rechterzijde van de verdachte ook de verdachte vasthield. Doordat wij op de grond kwamen lag ik op dit moment links, half onder, de verdachte. Ik draaide snel mijn lichaam onder hem vandaan en verplaatste mijn benen, en vervolgens mijn romp, boven op de verdachte. Ik zag dat collega [slachtoffer 2] ook op de verdachte lag.

Op enig moment tijdens deze worsteling, waarbij de verdachte niet meewerkte en zich bleef verzetten, zag ik dat hij in zijn rechterhand een groot keukenmes vast hield. Ik zag dat dit het voorwerp was welke hij zojuist uit zijn broeksband had gegrepen. Ik zag dat dit mes 25 centimeter groot was, en zwart van kleur.

Vervolgens zag en voelde ik dat de verdachte stekende bewegingen begon te maken, met het keukenmes. Uit alle macht probeerde ik de verdachte zijn wapen afhandig te maken, en

tegelijkertijd mijzelf te beschermen voor een eventuele verwonding. Ik voelde dat de verdachte bleef steken en dit gepaard ging met sterke spierspanning.

Op enig moment voelde ik mijn rechterbeen nat worden. Ik zag vervolgens dat mijn broek een grote scheur had. Ik zag, door deze opening in mijn broek, dat er bloed uit mijn rechter bovenbeen stroomde. Ik keek nogmaals naar de steekwond op mijn rechter bovenbeen en zag dat het bloed er flink uitgutste. Ergens op dat moment hoorde ik collega [slachtoffer 2] ook roepen dat hij gestoken was, mogelijk in zijn kuit.

Vervolgens voelde ik dat mijn broek en been steeds natter werd. Ik begon ook een hevige, stekende, kloppende pijn te voelen.

Op dit moment sloot collega [persoon A] , de RT2109, bij mij aan. Hij heeft mijn broek opengeknipt om de steekwond te kunnen behandelen. Ik zag de steekwond goed. Ik zag dat het een grote steekwond was, en dat er vet en spieren te zien waren. Ik zag daarnaast dat het bloed er flink uit stroomde.

3. Proces-verbaal van de politie, verbalisant [slachtoffer 2]

Op 28 juli 2025 was ik samen met collega [slachtoffer 1] op de Rochussenstraat in Rotterdam. Ik sloot samen met [slachtoffer 1] aan bij de controle van een man door collega [persoon B] . Hij bleek te zijn genaamd: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 2001 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ). In mijn verdere proces-verbaal van bevindingen zal ik deze persoon de verdachte noemen.

Ik zag de verdachte naar de dienstauto lopen van collega [persoon B] . Collega [slachtoffer 1] en ik liepen met de verdachte tussen ons in. Ik zag dat de verdachte zijn handen tegen de dienstauto aan had gezet. Ik zag dat hij startte met fouilleren en ik stond aan de rechterkant kort opgesteld naast de verdachte.

Ik hoorde collega [slachtoffer 1] plots vragen aan de verdachte, “wat heb je hier?”. Ik zag dat de verdachte zijn handen van de auto afhaalde en dat hij greep naar zijn middel.

Vanaf dat moment ging alles erg snel. Ik zag dat collega [slachtoffer 1] de verdachte bij zijn nek pakte en naar de grond probeerde te krijgen. Ik pakte met mijn linkerhand de verdachte vast en maakte mijn rechterhand vrij om mogelijk mijn eigen vuurwapen te kunnen trekken. Wij belandden al direct met de verdachte op de grond.

Ik had de rechterarm van de verdachte vast en voelde dat hij met deze arm bij zijn buik bleef en met kracht zijn arm daar wilde houden. Op enig moment kwam zijn shirt omhoog en zag ik dat hij een mes vasthield. Het was een groot zwart keukenmes. Ik zag dat hij dit mes ter hoogte van zijn broeksband vasthield.

De verdachte lag op zijn rug en ik zag en voelde dat hij met dit mes stekende bewegingen maakte naar links en rechts. Ik zat op dat moment aan de rechterkant van de verdachte. Uit alle macht probeerde ik met beide handen zijn handen vast te pakken. In de schermutseling die ontstond voelde ik dat de verdachte spierspanning had op zijn armen en niet meewerkte. Ik zag dat de verdachte stekende bewegingen maakte met het mes. Ik hoorde collega [slachtoffer 1] zeggen “ik ben geraakt maat” en hij stapte van de verdachte af. Ik voelde op datzelfde moment mijn rechter onderbeen warm worden.

Het lukte mij om het mes van de verdachte af te pakken. Ik zag direct dat ik gestoken was in mijn kuit en voelde op dat moment een scherpe pijn. Ik zag dat er een wond zat in mijn kuit en ik zag dat dit bloedde. Ik voelde mijn been stijf worden en zag dat er bloed uit de wond kwam.

4. Proces-verbaal van de politie, verbalisant [persoon B]

Op 28 juli 2025 hield ik een man staande op de Rochussenstraat te Rotterdam. Deze man, hierna te noemen verdachte, bleek later de verdachte te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 2001 te [geboorteland] . Ik zag dat collega’s [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] bij mijn controle aansloten.

Collega's [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] deelden de verdachte mede dat zij een veiligheidsfouillering gingen toepassen.

Ik zag dat collega [slachtoffer 1] aan de linkerzijde van de verdachte stond. Ik zag dat collega [slachtoffer 2] aan de rechterzijde van de verdachte stond. Ik zag dat zij beiden de verdachte richting de voorkant van mijn dienstvoertuig begeleiden.

Hierop zag ik dat collega [slachtoffer 1] de verdachte begon te fouilleren. Ik zag dat collega [slachtoffer 1] met zijn handen rond de middel van de verdachte zat en hoorde hem aan de verdachte vragen: “wat is dit?”. Op dat moment zag ik dat de verdachte met snelheid zijn handen richting zijn middel verplaatste. Ik zag dat collega [slachtoffer 1] de verdachte met zijn arm bij zijn nek pakte en naar de grond worp, en dat collega [slachtoffer 1] met zijn rug op de grond viel en de verdachte boven op hem viel. Ik zag dat collega [slachtoffer 2] op de verdachte dook. Ik zag dat de verdachte met zijn hand een voorwerp vast had wat leek op een mes. Ik zag dat collega [slachtoffer 1] de hand van de verdachte vasthield om hem te fixeren. Ik zag dat de verdachte harde bewegingen maakte, alsof hij zich los wilde rukken en alsof hij steekbewegingen maakte. Ik hoorde collega [slachtoffer 1] roepen: “het is een mes!” en “Ik ben gestoken”.

Op dat moment hoorde ik collega [slachtoffer 2] zeggen: “Ik ben ook gestoken!”. Ik zag dat collega [slachtoffer 2] een mes uit één van de handen van de verdachte trok. Dit betrof een donkergekleurd keukenmes met een lemmet van circa 20 centimeter.

5. Deskundigenverslag

Medische informatie betreffende dhr. [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1997.

Letselbeschrijving op basis van informatie van Spoedeisende Hulp Arts van het Erasmus MC betreffende het consult op 28 juli 2025.

Er werd tussen de achterkant en de zijkant van het rechter bovenbeen aan de kleine teenzijde een haakvormige steekverwonding van circa 4 cm gezien waarbij het onderhuidse weefsel zichtbaar was.

De verwonding werd gehecht met zowel onderhuidse hechtingen als hechtingen door de huid heen.

Bij ongecompliceerd beloop wordt de verwachte genezingsduur geschat op twee weken. Kans op een blijvend litteken.

6. Deskundigenverslag

Medische informatie betreffende dhr. [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] 1994.

Letselvertaling op basis van informatie van een bezoek aan de Spoedeisende Hulp van het Erasmus Medisch Centrum.

Een verwonding van het rechteronderbeen, als steekwond geduid door de behandelend arts, van circa 3 cm lengte en circa 3 cm diepte.

De wond werd gedesinfecteerd, gespoeld en dicht gehecht. Betrokkene werd doorverwezen naar de huisarts voor de verdere behandeling van de wond.

Bij een ongecompliceerd beloop wordt een genezingsduur verwacht van twee weken.

7. Schriftelijk stuk

[slachtoffer 1] heeft gedurende twaalf tot zestien weken na het incident intensieve behandelingen aan zijn been ondergaan, waaronder fysiotherapie, hersteltrainingen en behandelingen met een Physiokey, een apparaat dat met elektrische schokken het herstel van spieren en litteken-/bindweefsel moest bevorderen.

De eerste drie weken na het geweldsincident kon [slachtoffer 1] niet of slechts zeer moeizaam lopen. Bij eenvoudige handelingen, zoals douchen, ervaarde hij extreme pijn en zakte hij regelmatig door zijn been heen.

Als direct gevolg van het incident is [slachtoffer 1] drie maanden volledig arbeidsongeschikt geweest en heeft hij zich met ziekteverlof moeten stellen wegens de aanhoudende pijnklachten in zijn rechterbovenbeen. Vanaf 4 november 2025 tot en met 28 november 2025 heeft [slachtoffer 1] zijn werk gedeeltelijk en langzaam opgebouwd. Zijn werkzaamheden bestonden enkel uit laagdrempelig trainen met een nieuwe politie surveillancehond. Vanaf 28 november 2025 tot en met 16 januari 2026, heeft [slachtoffer 1] de laagdrempelige trainingen met zijn nieuwe diensthond voortgezet. Pas vijf maanden na het incident, na 16 januari 2026, kon [slachtoffer 1] weer zijn operationele diensten als hondengeleider werken.

[slachtoffer 1] ondervindt nog dagelijks beperkingen in zijn leven als gevolg van het geweldsincident. Verder ervaart hij nog steeds onvoorspelbare, plotselinge pijnscheuten. Dit soort momenten doen zich vrijwel dagelijks voor en komt zowel voor tijdens inspanning als in rust. De pijn laat zich omschrijven als stekend, kloppend, beurs, trekkend en zwaar. Deze voortdurende, moeilijk voorspelbare pijnklachten beperken hem in zijn dagelijkse functioneren en veroorzaken spanning en frustratie. Bovendien kan [slachtoffer 1] tot op heden, ruim tien maanden na het incident, nog niet op zijn oude niveau sporten; de fysieke belasting is voor hem te zwaar.

Bewijsmiddelen (feit 3 primair)

De bewezenverklaring van feit 3 primair (diefstal bromfiets) is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.

8. Verklaring van de verdachte

9. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 3]

Bewijsmotivering (feiten 1 subsidiair en 2 impliciet subsidiair)

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het handelen van de verdachte zoals blijkt uit de bewijsmiddelen onder 2.3.2 gekwalificeerd moet worden als een poging tot doodslag (primair) of een poging tot zware mishandeling (subsidiair), nu is ten laste gelegd poging tot doodslag door het steken in het been. Hierbij stelt de rechtbank voorop dat de rechtbank, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel is dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat dat de verdachte de bedoeling had om de slachtoffers te doden of om hen zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank acht daarom vol opzet niet bewezen. Dit brengt de rechtbank bij de vraag of de verdachte door zijn gedragingen in voorwaardelijke zin opzet heeft gehad op de dood van de slachtoffers of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij hen.

Voorwaardelijk opzet op poging doodslag?

Van voorwaardelijk opzet is sprake als de verdachte door zijn gedragingen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 1] kon overlijden. Of dit het geval is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Het steken met een mes in een bovenbeen is niet potentieel dodelijk. De rechtbank kan ook uit de overige omstandigheden niet vaststellen dat de verdachte door [slachtoffer 1] in het been te steken opzettelijk heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] te doden.

De rechtbank is van oordeel dat het voorgaande eveneens geldt voor de ten laste gelegde poging tot doodslag op [slachtoffer 2] en dat dit feit aldus niet wettig en overtuigend is bewezen. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.

De verdachte wordt dan ook vrijgesproken van de onder 1 primair en 2 impliciet primair ten laste gelegde pogingen tot doodslag.

Voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel?

Vervolgens is de vraag of de verdachte met zijn handelen de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel zou(den) oplopen en deze kans ook bewust heeft aanvaard.

De rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte tijdens de veiligheidsfouillering plotseling naar het mes in zijn broeksband grijpt, waardoor de verdachte en de verbalisanten in een worsteling terechtkomen. Daarnaast blijkt dat zowel verbalisant [slachtoffer 1] , verbalisant [slachtoffer 2] als verbalisant [persoon B] beschrijven dat de verdachte tijdens de worsteling stekende bewegingen maakt, terwijl hij het mes vast heeft in zijn hand. Op dat moment lag de verdachte op de grond, samen met de verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] die hem onder controle probeerden te krijgen. Deze verbalisanten merken hierover aanvullend op dat de verdachte veel spierspanning in zijn arm heeft, het mes niet loslaat en zich blijft verzetten. Door onder deze omstandigheden te worstelen met een keukenmes van 20 centimeter in de hand bestaat de aanmerkelijke kans dat er pezen, spieren, vaten en/of zenuwen worden geraakt en aldus lichamelijk letsel wordt veroorzaakt dat als zwaar kan worden gekwalificeerd als bedoeld in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

Gelet op de uiterlijke verschijningsvormen van de gedragingen van verdachte kan worden vastgesteld dat verdachte deze aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard. Hierdoor is sprake van – in ieder geval voorwaardelijk – opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De verdachte heeft aldus bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen.

Zwaar lichamelijk letsel?

De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of het letsel van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , veroorzaakt door verdachte, kan worden gekwalificeerd als “zwaar lichamelijk letsel” en overweegt daartoe het volgende.

Ten aanzien van [slachtoffer 1] stelt de rechtbank het volgende vast. Het letsel betrof een grote diepe steekwond op het rechter bovenbeen, waarbij er vet en spieren te zien waren. Er was veel bloedverlies en direct na het incident is er een tourniquet aangebracht. Het letsel is vervolgens gehecht met zeven inwendige hechtingen en zeven hechtingen op de huid. Er zal een blijvend litteken op het bovenbeen van [slachtoffer 1] zichtbaar blijven. [slachtoffer 1] heeft bijna zes maanden zijn werkzaamheden niet operatief kunnen uitoefenen en heeft tot op heden, tien maanden na het incident, vrijwel dagelijks last van pijnscheuten en kan niet op zijn oude niveau sporten.

Gelet op het voorgaande, waarbij de rechtbank nadrukkelijk ook in overweging neemt dat door het handelen van verdachte een blijvend litteken op het bovenbeen van [slachtoffer 1] zichtbaar zal blijven, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zwaar lichamelijk letsel.

Ten aanzien van [slachtoffer 2] stelt de rechtbank vast dat geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 82 Sr. Dit is echter enkel aan het toeval te wijten, en niet aan het handelen van de verdachte. Aldus is de rechtbank van oordeel dat de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 2] wettig en overtuigend bewezen.

Conclusie

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de zware mishandeling van [slachtoffer 1] (feit 1 subsidiair) en poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 2] (feit 2 impliciet subsidiair). De beschuldigingen onder 1 primair en 2 impliciet primair zijn niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken.

3. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

Feit 1 subsidiair

zware mishandeling, gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

Feit 2 impliciet subsidiair

poging tot zware mishandeling, gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

Feit 3 primair

diefstal.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4. Straf

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor de poging tot doodslag op [slachtoffer 1] (feit 1 primair), poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 2] (feit 2 impliciet subsidiair) en de diefstal van een bromfiets (feit 3 primair) worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar, met aftrek van voorarrest. Daarnaast moet aan de verdachte worden opgelegd de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging, in de ongemaximeerde variant.

Standpunt van de verdediging

Aan de verdachte moet geen tbs-maatregel met dwangverpleging of met voorwaarden worden opgelegd.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft zich tijdens een veiligheidsfouillering schuldig gemaakt aan de zware mishandeling van één agent en de poging tot zware mishandeling van een andere agent, door met een keukenmes van circa 20 centimeter in hun been te steken. Zij hebben daardoor beiden een steekwond in hun been opgelopen die moest worden gehecht in het ziekenhuis. Dit heeft voor beide slachtoffers geresulteerd in een blijvend en zichtbaar litteken. Daarnaast lijdt een van de agenten als gevolg van het geweldsincident aan complexe PTSS. Uit de slachtofferverklaringen van de agenten blijkt daarnaast dat zij tijdens het geweldsincident hebben gevreesd voor hun leven en dat het incident veel impact heeft gehad op het werk- en privéleven. Dit alles is de agenten overkomen, terwijl zij enkel hun werk deden. De verdachte heeft door zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en gezondheid van de slachtoffers. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de diefstal van een bromfiets, waarmee hij geen enkel respect heeft getond voor andermans eigendom. De verdachte heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden en heeft niet laten blijken dat hij beseft hoe erg (de gevolgen van) zijn handelen voor de slachtoffers is (zijn geweest).

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 19 maart 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Het strafblad van de verdachte leidt dus tot een hogere straf.

Rapporten van deskundigen en de reclassering

In het rapport van het Pieter Baan Centrum van 5 maart 2026, opgesteld door [persoon C] , psychiater, en [persoon D] , GZ-psycholoog in opleiding onder supervisie van [persoon E] , GZ-psycholoog, staat het volgende.

Door de weigering van de verdachte aan het onderzoek deel te nemen is het beeld van zijn psychisch functioneren onvolledig gebleven. Classificerend is er bij de verdachte in elk geval sprake van een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis en van een stoornis in het gebruik van cannabis, waarvan de ernst onbekend gebleven is.

Er zijn geen aanwijzingen dat er thans sprake is van een ernstige psychiatrische stoornis in engere zin of een forensisch relevante beperking in de intelligentie. Nu er geen uitspraak kan worden gedaan welke gedragsmotiverende persoonlijkheids-dynamiek er onder de persoonlijkheidsstoornis van de verdachte schuilgaat, de kenmerken van de persoonlijkheidsstoornis niet nader in kaart kunnen worden gebracht en de verdachte de tenlastegelegde feiten daarbij onvoldoende diepgaand met onderzoekers heeft willen bespreken, kunnen er evenmin uitspraken worden gedaan over een eventuele gedragskundige doorwerking van die stoornissen in die ten laste gelegde feiten. Het is niet duidelijk geworden of de verdachte als de gemiddelde mens wilsvrij is geweest in zijn handelen en daarbij wellicht een antisociale keuze heeft gemaakt, of dat er psychopathologisch bepaalde gedragskundige factoren in het ten laste gelegde (indien bewezen) hebben doorgewerkt die tot (een zekere mate van) wilsonvrijheid bij het plegen ervan hebben geleid. Er kan geen advies worden gegeven over de mate van toerekenen.

Ook kan geen geïndividualiseerde risicotaxatie worden verricht en kan geen uitspraak worden gedaan over een mogelijk psychopathologisch bepaald recidiverisico. Vanwege bovenstaande beperkingen in het onderhavig onderzoek waardoor voornoemde vragen naar de gedragskundige bepaalde kans op recidive niet konden worden beantwoord, kunnen onderzoekers geen aanbevelingen doen ten aanzien van een eventuele behandeling in een strafrechtelijk kader om die risico’s te doen verminderen.

In het rapport van Reclassering Nederland van 11 mei 2026 staat het volgende.

De verdachte heeft onvoldoende meegewerkt aan het gedragsdeskundig onderzoek, waardoor de gedragsdeskundigen zich hebben onthouden van een advies ten aanzien van een eventuele doorwerking van de psychopathologie in het tenlastegelegde, het risico op (gewelds)recidive en de eventuele noodzaak van een forensisch behandel- en begeleidingstraject. Hierdoor is het voor de reclassering niet mogelijk om een gedegen plan van aanpak voor een verantwoord risicomanagement op te stellen en kan zij niet inschatten of zij uitvoering kan geven aan een effectief toezicht. Ten einde is de reclassering genoodzaakt om zich te onthouden van advisering.

Anders dan de officier van justitie, concludeert de rechtbank dat op basis van het rapport van het Pieter Baan Centrum niet kan worden vastgesteld dat bij de verdachte een psychische stoornis bestond en of en in hoeverre deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van de strafbare feiten beïnvloedde. De feiten worden daarom volledig aan de verdachte toegerekend.

Oplegging straf

Gelet op de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Hierbij weegt de rechtbank op strafverzwarende wijze mee dat de slachtoffers opsporingsambtenaren betreffen in de uitoefening van hun functie en de verdachte eerder is veroordeeld voor gewelddadige feiten gericht tegen politieambtenaren. Daarom wordt een gevangenisstraf van drie jaar opgelegd. Van deze gevangenisstraf wordt één jaar voorwaardelijk opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.

Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd zal de rechtbank geen TBS met dwangverpleging opleggen nu dit door de deskundigen niet wordt geadviseerd.

De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

5. Vorderingen van de benadeelde partijen

Vorderingen [benadeelde 1] en [benadeelde 2]

[benadeelde 1] heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 665,- als vergoeding voor materiële schade en € 16.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[benadeelde 2] heeft als benadeelde partij voor feit 2 € 5.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] kunnen volledig worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De vorderingen van de benadeelde partijen moeten worden gematigd.

Oordeel van de rechtbank

Beoordeling vordering [benadeelde 1]

Materiële schade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 subsidiair gepleegde strafbare feit. De verdediging heeft dit onderdeel van de vordering niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 665,- als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit onder 1 subsidiair rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen en is op andere wijze in zijn persoon aangetast.

De benadeelde partij heeft door onderhavig geweldsincident een steekwond opgelopen in zijn rechter bovenbeen. Uit de vordering en de slachtofferverklaring van de benadeelde partij blijkt dat de benadeelde partij tot op heden, te weten tien maanden na het incident, niet volledig is genezen. De benadeelde partij heeft nog vrijwel dagelijks last van onvoorspelbare, plotseling pijnscheuten en hij kan niet op zijn oude niveau sporten. Ook is sprake van een blijvend zichtbaar litteken. Daarnaast heeft de benadeelde partij gedurende een periode van zes maanden in voortdurende angst verkeerd voor een mogelijke hiv-infectie. Tot slot lijdt de benadeelde partij als gevolg van het geweldsincident aan complexe PTSS (C-PTSS), waarvoor hij tot op heden wekelijks therapie volgt. Ook in de toekomst zijn nog verdere behandelingen te verwachten.

De rechtbank heeft acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de vaststelling en begroting van schade als hier aan de orde.

Gelet op de bedragen aan immateriële schadevergoeding die volgens de Rotterdamse Schaal in vergelijkbare gevallen doorgaans worden toegekend, komt de gevorderde immateriële schadevergoeding de rechtbank niet overmatig voor en acht de rechtbank toewijzing van het gehele gevorderde bedrag van € 16.000,- billijk. Hierbij is tevens rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting over het herstel en de leeftijd van de benadeelde partij.

Wettelijke rente

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente ten aanzien van de materiële schade toe vanaf 30 december 2025. Ten aanzien van de immateriële schade wijst de rechtbank de wettelijke rente toe vanaf 28 juli 2025.

Proceskosten

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen.

Om de proceskosten te begroten zoekt de rechtbank aansluiting bij het in civiele procedures voor kosten van rechtsbijstand gebruikelijke liquidatietarief voor kantonzaken. Het salaris van de gemachtigde wordt berekend aan de hand van een puntenstelsel. De raadsvrouw heeft een proceskostenveroordeling gevraagd voor één punt.

De vordering van [benadeelde 1] wordt toegewezen tot een bedrag van € 16.665,-. Dit betekent een vergoeding van € 432,- per punt. De proceskosten van de benadeelde partij [benadeelde 1] worden daarom begroot op € 432,-. De rechtbank zal verdachte in deze kosten veroordelen.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.

Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 108 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Beoordeling vordering [benadeelde 2]

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit onder 2 rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen en is op andere wijze in zijn persoon aangetast.

De benadeelde partij heeft door onderhavig geweldsincident een steekwond opgelopen in zijn rechter kuit. Uit de vordering en de slachtofferverklaring van de benadeelde partij blijkt dat de benadeelde partij in de eerste weken na het incident aanzienlijke pijnklachten aan de kuitspier ondervonden, hetgeen tevens heeft geleid tot slaapproblemen. Naar schatting heeft het twee à drie maanden geduurd voordat hij volledig pijnvrij was. Hierdoor heeft de benadeelde partij vijf weken niet kunnen werken. Ook is sprake van een blijvend zichtbaar litteken. Daarnaast heeft de benadeelde partij gedurende een periode van zes maanden in voortdurende angst verkeerd voor een mogelijke hiv-infectie. Tot slot kampte de benadeelde partij in de eerste weken na het incident met psychische klachten waarvoor hij professionele begeleiding heeft ontvangen.

De rechtbank heeft acht geslagen op de Rotterdamse Schaal. Gelet op de bedragen aan immateriële schadevergoeding die volgens de Rotterdamse Schaal in vergelijkbare gevallen doorgaans worden toegekend, komt de gevorderde immateriële schadevergoeding de rechtbank niet overmatig voor en acht de rechtbank toewijzing van het gehele gevorderde bedrag van € 5.000,- billijk. Hierbij is tevens rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting over het herstel en de leeftijd van de benadeelde partij.

Wettelijke rente

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 28 juli 2025.

Proceskosten

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij [benadeelde 2] heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen.

Om de proceskosten te begroten zoekt de rechtbank aansluiting bij het in civiele procedures voor kosten van rechtsbijstand gebruikelijke liquidatietarief voor kantonzaken. Het salaris van de gemachtigde wordt berekend aan de hand van een puntenstelsel. Voor het indienen van een voegingsformulier en het bijwonen van de zitting worden samen twee punten gehanteerd.

De vordering van [benadeelde 2] wordt toegewezen tot een bedrag van € 5.000,-. Dit betekent een vergoeding van € 288,- per punt. De proceskosten van de benadeelde partij [benadeelde 2] worden daarom begroot op € 288,-. De rechtbank zal verdachte in deze kosten veroordelen.

Schadevergoedingsmaateregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.

Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 50 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

6. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf en maatregelen is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 302, 304 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

7. Beslissingen

De rechtbank:

Vrijspraak

verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 1 primair en 2 impliciet primair heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 subsidiair, 2 impliciet subsidiair en 3 primair, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaar;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Voorwaardelijk strafdeel

bepaalt dat 1 jaar van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

Vorderingen benadeelde partijen

[benadeelde 1]

veroordeelt de verdachte, aan de benadeelde partij [benadeelde 1] (feit 1), te betalen een bedrag van € 16.665,- , bestaande uit € 665,- als vergoeding van materiële schade en € 16.000,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover ten aanzien van de materiële schade vanaf 30 december 2025 tot de dag van volledige betaling en ten aanzien van de immateriële schade vanaf 28 juli 2025 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 432,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] aan de staat € 16.665,- te betalen, en de wettelijke rente hierover ten aanzien van de materiële schade vanaf 30 december 2025 tot de dag van gehele betaling en ten aanzien van de immateriële schade vanaf 28 juli 2025 tot de dag van gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 108 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed;

[benadeelde 2]

veroordeelt de verdachte, aan de benadeelde partij [benadeelde 2] (feit 2), te betalen een bedrag van € 5.000,- , bestaande uit immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 28 juli 2025 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 288,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 2 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 2] aan de staat € 5.000,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 28 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 50 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.

8. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.L.M. Boek, voorzitter,

en mrs. M.J.C. Spoormaker en L. Postma, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.D. Bijl, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 1 juni 2026.

Mr. L. Postma is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.L.M. Boek

Griffier

  • mr. E.D. Bijl

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand