RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/718160 / KG ZA 26-361
Vonnis in kort geding van 3 juni 2026
in de zaak van
[eiser] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
eisende partij,
advocaat: mr. A.W. van Meegdenburg,
tegen
[gedaagde] LTD.,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] (Verenigd Koninkrijk),
gedaagde partij,
die niet is verschenen.
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 28 april 2026, met bijlagen 1 tot en met 13, en de daarbij gevoegde buitenlandse betekeningsstukken;
de mondelinge behandeling op 27 mei 2026;
de tijdens de mondelinge behandeling door [eiser] overgelegde e-mail van 26 mei 2026 van [gedaagde] .
2. De vorderingen
[eiser] vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
[gedaagde] te veroordelen om aan [eiser] een bedrag van € 235.000,00 terug te betalen binnen 48 uur na betekening van het vonnis;
[gedaagde] te veroordelen tot betaling van de overeengekomen rente van 15% per jaar over € 235.000,00 vanaf 10 juni 2021 tot aan de dag van algehele voldoening;
[gedaagde] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten (met rente).
3. De beoordeling
Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
Deze zaak heeft een internationaal karakter, omdat [gedaagde] in het Verenigd Koninkrijk is gevestigd. De voorzieningenrechter moet daarom ambtshalve beoordelen of (i) zij internationaal bevoegd is om van deze zaak kennis te nemen en (ii) welk recht op de zaak van toepassing is.
Ad (i)
De Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken is niet van toepassing, omdat [gedaagde] ten tijde van de aanhangigheid van deze zaak geen woonplaats meer had op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie. Ook andere internationale regelingen op het gebied van de rechterlijke bevoegdheid missen in deze zaak toepassing. De internationale bevoegdheid van de Nederlandse (voorzieningen)rechter moet dan ook worden beoordeeld aan de hand van de in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering neergelegde bevoegdheidsregels (de artikelen 1-13 Rv). Aangezien partijen in de tussen hen gesloten overeenkomst de Rechtbank Rotterdam als bevoegde rechter hebben aangewezen, is de Nederlandse (voorzieningen)rechter en meer specifiek de voorzieningenrechter in de Rechtbank Rotterdam internationaal bevoegd om van deze zaak kennis te nemen (artikel 8 Rv).
Ad (ii)
Aangezien partijen in de tussen hen gesloten overeenkomst Nederlands recht van toepassing hebben verklaard, is Nederlands recht van toepassing op deze zaak (artikel 3 lid 1 van de Verordening (EG) Nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst).
Verstekverlening
De voorzieningenrechter verleent verstek tegen [gedaagde] . [gedaagde] is namelijk niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling, terwijl bij haar oproeping in deze zaak alle wettelijke termijnen en regels zijn gevolgd.
Spoedeisend belang
Het spoedeisend belang van [eiser] bij zijn vorderingen volgt uit zijn stellingen in de dagvaarding. [eiser] vreest dat zijn vorderingen oninbaar zullen worden in het geval dat hij niet snel incassomaatregelen kan treffen.
De vorderingen worden toegewezen
Het totaal van de hoofdsom en de sinds 10 juni 2021 verschenen rente bedroeg op 24 april 2026 een bedrag van € 406.710,96 (€ 235.000,00 aan hoofdsom en € 171.710,96 aan verschenen rente). Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] zijn vordering voor wat betreft de verschenen rente met € 125.000,00 verminderd, als gevolg van vier door [gedaagde] verrichte deelbetalingen. Gelet hierop wordt [gedaagde] veroordeeld om een bedrag van € 281.710,96 (€ 406.710,96 minus € 125.000,00 aan deelbetalingen) aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 15% per jaar over € 235.000,00 vanaf 25 april 2026 tot de dag dat alles is betaald. De vorderingen van [eiser] komen de voorzieningenrechter in zoverre niet onrechtmatig of ongegrond voor.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- dagvaarding € 125,57
- griffierecht € 2.803,00
- salaris advocaat € 760,00 (tarief verstekzaak)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.877,57
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4. De beslissing
De voorzieningenrechter:
veroordeelt [gedaagde] om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis aan [eiser] te betalen € 281.710,96, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 15% per jaar over € 235.000,00 vanaf 25 april 2026 tot de dag dat alles is betaald;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 3.877,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Mendlik en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.3349 / 3577