ECLI:NL:RBROT:2026:6523

ECLI:NL:RBROT:2026:6523

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 05-06-2026
Datum publicatie 05-06-2026
Zaaknummer C/10/718176 / KG ZA 26-363
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Kort geding. Vorderingen tot schorsing van de opzegging van een overeenkomst van opdracht, intrekking van een op non-actiefstelling, wedertewerkstelling en betaling van een voorschot op schadevergoeding. Afwijzing. De gedaagde partij kon de met de eisende partij gesloten overeenkomst van opdracht opzeggen op grond van de in die overeenkomst opgenomen algemene opzegmogelijkheid. Die opzegging is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aanvaardbaar en levert geen misbruik van recht op.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/718176 / KG ZA 26-363

Vonnis in kort geding van 5 juni 2026

in de zaak van

[eiser] ,

woonplaats: [woonplaats] ,

eisende partij,

advocaat: mr. J. du Bois,

tegen

[gedaagde] ,

statutaire vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,

gedaagde partij,

advocaat: mr. G.G.A.J.M. van Poppel.

Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1. De zaak in het kort

[eiser] is huisarts van beroep. Hij heeft op basis van een “Aansluitovereenkomst huisarts en huisartsenpost ZZP'er” bij [gedaagde] gewerkt. [gedaagde] heeft die overeenkomst opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden en [eiser] op non-actief gesteld, maar daar is [eiser] het niet mee eens. Daarom vordert [eiser] – kort gezegd – dat [gedaagde] onder druk van een dwangsom wordt bevolen om de werking van de opzegging te schorsen, de op non-actiefstelling in te trekken, [eiser] zijn werkzaamheden te laten hervatten en om [eiser] een voorschot op schadevergoeding te betalen. [gedaagde] voert verweer. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van [eiser] af. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 24 april 2026, met bijlagen 1 tot en met 11;

de aanvullende bijlage 12 van [eiser] ;

de conclusie van antwoord, met bijlagen 1 tot en met 30;

de mondelinge behandeling op 27 mei 2026;

de spreekaantekeningen van mr. Du Bois.

3. De vorderingen

[eiser] vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair

1. [gedaagde] te bevelen om de op non-actiefstelling van [eiser] met onmiddellijke ingang, althans binnen 24 uur na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, in te trekken en ingetrokken te houden, en [eiser] wederom volledig in staat te stellen werkzaamheden voor [gedaagde] te verrichten, waaronder begrepen herstel van toegang, rooster- en apppositie, zulks op straffe van een door [gedaagde] te verbeuren dwangsom van € 1.500,00 per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] in gebreke blijft volledig en tijdig aan dit bevel te voldoen, zulks tot een maximum van € 30.000,00;

2. [gedaagde] te bevelen de werking en rechtsgevolgen van de opzegging van de Aansluitovereenkomst d.d. 20 maart 2026 te schorsen en geschorst te houden, althans [gedaagde] te verbieden die opzegging verder te effectueren of te presenteren als definitieve beëindiging wegens disfunctioneren of grensoverschrijdend gedrag, totdat het door [gedaagde] aangekondigde onafhankelijke onderzoek is afgerond, [eiser] deugdelijk is gehoord en overeenkomstig artikel 11 van de overeenkomst met [eiser] overleg is gevoerd over de vraag of en op welke wijze de overeenkomst kan worden voortgezet, zulks op straffe van een door [gedaagde] te verbeuren dwangsom van € 1.500,00 per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] in gebreke blijft volledig en tijdig aan dit bevel c.q. verbod te voldoen, zulks tot een maximum van € 30.000,00;

3. [gedaagde] te verbieden om enige melding aan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd te doen of te handhaven, dan wel aan enige derde mede te delen dat [eiser] wegens disfunctioneren, grensoverschrijdend gedrag of soortgelijke redenen zou zijn opgezegd, op non-actief gesteld of ongeschikt zou zijn voor werkzaamheden, zolang de rechtmatigheid van de huidige maatregelen niet in rechte is vastgesteld en het door [gedaagde] zelf aangekondigde onderzoek niet is afgerond, zulks op straffe van een door [gedaagde] te verbeuren dwangsom van € 1.500,00 per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] in gebreke blijft volledig en tijdig aan dit verbod te voldoen, zulks tot een maximum van € 30.000,00;

4. [gedaagde] te gebieden om binnen 48 uur na betekening van het in dezen te wijzen vonnis afschrift te verstrekken van het volledige op deze kwestie betrekking hebbende dossier, waaronder begrepen alle meldingen, onderliggende notities, verslagen, correspondentie, de opdracht aan het externe onderzoeksbureau, de onderzoeksvragen, de in artikel 10 bedoelde boeteregeling en alle overige disciplinaire of procedurele documenten waarop [gedaagde] zich beroept, zulks op straffe van een door [gedaagde] te verbeuren dwangsom van € 1.500,00 per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] in gebreke blijft volledig en tijdig aan dit gebod te voldoen, zulks tot een maximum van € 30.000,00;

5. [gedaagde] te veroordelen om aan [eiser] binnen 48 uur na betekening van het in dezen te wijzen vonnis te betalen een redelijke, door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen voorziening bij wege van voorschot op vergoeding van de reeds geleden en nog op korte termijn verder te lijden schade van [eiser] wegens misgelopen diensten, misgelopen achterwacht, inkomensverlies en daarmee samenhangende vermogensschade, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid, althans vanaf de dag van betekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

6. [gedaagde] te veroordelen om aan [eiser] binnen 48 uur na betekening van het in dezen te wijzen vonnis te betalen een redelijke, door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen voorziening bij wege van voorschot op vergoeding van de reeds opgelopen en nog op korte termijn verder te lijden reputatieschade en immateriële schade van [eiser] , mede gezien de aard van de beschuldigingen en de dreiging van een IGJ-melding, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

subsidiair

7. voor het geval de voorzieningenrechter meent dat onmiddellijke werkhervatting thans nog niet kan worden bevolen, [gedaagde] te bevelen de huidige maatregel uitsluitend als tijdelijke en neutrale ordemaatregel te handhaven, zonder deze als vaststaande beëindiging wegens disfunctioneren of grensoverschrijdend gedrag te kwalificeren, [gedaagde] te bevelen binnen een door de voorzieningenrechter te bepalen korte termijn het aangekondigde onafhankelijke onderzoek af te ronden, [eiser] volledig te horen en aansluitend, conform artikel 11 lid 2 van de overeenkomst, met [eiser] in overleg te treden over de voortzetting van de overeenkomst, met handhaving van de hiervoor gevorderde voorschotten op vermogens- en reputatieschade en het verbod op IGJ-melding, zulks op straffe van een door [gedaagde] te verbeuren dwangsom van € 1.500,00 per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] in gebreke blijft volledig en tijdig aan dit bevel c.q. verbod te voldoen, zulks tot een maximum van € 30.000,00;

8. [gedaagde] te gebieden om, zolang het onderzoek loopt, geen externe of interne mededelingen te doen die [eiser] als vaststaand disfunctionerend of grensoverschrijdend kwalificeren, noch verdere disciplinaire stappen te zetten, met handhaving van de hiervoor gevorderde voorschotten op vermogens- en reputatieschade, zulks op straffe van een door [gedaagde] te verbeuren dwangsom van € 1.500,00 per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] in gebreke blijft volledig en tijdig aan dit gebod c.q. verbod te voldoen, zulks tot een maximum van € 30.000,00;

meer subsidiair

9. iedere andere voorziening te treffen welke de voorzieningenrechter in goede justitie geraden acht teneinde te voorkomen dat [gedaagde] de algemene opzeggingsbevoegdheid blijft gebruiken als verkapt sanctie-instrument zonder deugdelijk onderzoek, zonder reëel hoor en wederhoor en zonder toepassing van het specifiekere contractuele regime van artikel 10 en 11 van de overeenkomst, met dien verstande dat de hiervoor gevorderde voorschotten op vermogens- en reputatieschade alsmede het verbod op IGJ-melding gehandhaafd blijven;

in alle gevallen

10. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding, daaronder begrepen het griffierecht, de kosten van betekening en het salaris van de advocaat van [eiser] , een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente indien betaling daarvan niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis heeft plaatsgevonden.

4. De beoordeling

Het toetsingskader in een kort geding

Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De voorzieningenrechter moet daarom beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorzieningen een spoedeisend belang heeft. Verder moet de voorzieningenrechter in dit kort geding beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing daarvan gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter moet bij dat alles ook een belangenafweging maken. Ten aanzien van de vorderingen van [eiser] met betrekking tot de betaling van schadevergoeding (vorderingen 5 en 6) geldt in aanvulling op het voorgaande dat bij een vordering tot betaling van een geldsom in kort geding terughoudendheid op zijn plaats is. Bovendien moet rekening worden gehouden met het risico dat [eiser] het geldbedrag niet kan terugbetalen in het geval dat hij in de bodemprocedure alsnog in het ongelijk wordt gesteld.

Een aantal verweren

Voordat aan een inhoudelijk oordeel wordt toegekomen, moet een aantal “formele” verweren van [gedaagde] worden beoordeeld, die in die visie van [gedaagde] tot niet-ontvankelijkverklaring althans afwijzing van de vorderingen van [eiser] zouden moeten leiden. [gedaagde] voert aan dat (i) [eiser] in persoon geen vorderingsrecht heeft, (ii) de vorderingen van [eiser] in wezen tot een declaratoir oordeel strekken en (iii) de vorderingen van [eiser] niet geschikt zijn voor behandeling in een kort geding. De voorzieningenrechter verwerpt deze verweren.

Hoewel [eiser] aanvankelijk heeft gesteld dat zijn besloten vennootschap de overeenkomst met [gedaagde] had gesloten en [gedaagde] naar aanleiding daarvan (naast het verweer dat de overeenkomst wél met [eiser] in persoon is gesloten) heeft betoogd dat [eiser] in persoon in dat geval geen vorderingsrecht heeft, heeft [eiser] zich tijdens de mondelinge behandeling op het standpunt gesteld dat [gedaagde] de overeenkomst (toch) met hem in persoon heeft gesloten. Partijen zijn het daar dus (uiteindelijk) over eens en de voorzieningenrechter sluit zich daar op basis van de tekst van de tussen partijen gesloten overeenkomst bij aan. [eiser] heeft dus in persoon een vorderingsrecht tegenover [gedaagde] .

[gedaagde] voert verder aan dat de vorderingen van [eiser] in wezen tot een declaratoir oordeel strekken. Daarmee miskent [gedaagde] dat de voorzieningenrechter bij de beoordeling van de vorderingen niet alleen acht moet slaan op de bewoordingen daarvan, maar ook op wat aan die vorderingen ten grondslag is gelegd, hoe [gedaagde] die vorderingen heeft opgevat en redelijkerwijs heeft moeten opvatten, en de rest van de discussie tussen partijen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit de processtukken en de discussie tijdens de mondelinge behandeling dat het [eiser] te doen is om een voorlopige maatregel te laten treffen, totdat in de door hem al gestarte bodemprocedure een oordeel wordt gegeven over de opzegging van de overeenkomst door [gedaagde] . De voorzieningenrechter heeft ook de bevoegdheid om de vorderingen van [eiser] in die zin in gewijzigde vorm toe te wijzen, bijvoorbeeld door aan een veroordeling toe te voegen dat die slechts geldt totdat in de bodemprocedure uitspraak is gedaan.

[gedaagde] voert tot slot aan dat de zaak niet geschikt is om in kort geding te worden behandeld. Op grond van vaste rechtspraak kan van ongeschiktheid van een zaak voor behandeling in een kort geding, zoals bedoeld in artikel 256 Rv, alleen sprake zijn als (a) de feiten binnen het beperkte kader van het kort geding niet voldoende tot klaarheid zijn gebracht of (b) de rechter de gevolgen van een door hem te geven beslissing niet voldoende kan overzien. Hiervan is in deze zaak geen sprake. De feiten waarop partijen zich beroepen, zijn voldoende duidelijk geworden. Daarnaast is geen sprake van een situatie waarin de gevolgen van de te nemen beslissing onvoldoende kunnen worden overzien. De voorzieningenrechter komt dus toe aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak.

De kern van de zaak

In de kern draait deze zaak om de vraag of [gedaagde] de met [eiser] gesloten overeenkomst op 20 maart 2026 schriftelijk kon opzeggen tegen 21 mei 2026. De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag bevestigend. Het gevolg daarvan is dat alle vorderingen van [eiser] worden afgewezen.

De tussen partijen gesloten overeenkomst bevat een opzegmogelijkheid

De tussen partijen gesloten “Aansluitovereenkomst huisarts en huisartsenpost ZZP'er” (de Overeenkomst) kwalificeert als een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 lid 1 BW. Partijen zijn in artikel 12 lid 2 van de Overeenkomst een algemene opzegmogelijkheid overeengekomen. Die opzegmogelijkheid luidt als volgt:

Elk van de partijen kan de overeenkomst met inachtneming van een opzegtermijn van 2 maanden opzeggen. De opzegging moet schriftelijk worden gedaan.”.

De voorzieningenrechter volgt [eiser] niet in zijn standpunt dat de Overeenkomst in artikel 11 een specifieke route voorschrijft die [gedaagde] in dit geval had moeten volgen in plaats van de Overeenkomst met toepassing van artikel 12 lid 2 op te zeggen. Artikel 11 ziet op de situatie waarin zich een omstandigheid voordoet waardoor de patiëntenzorg in het geding kan komen. In zo’n geval kan [gedaagde] besluiten om [eiser] (met onmiddellijke ingang) de toegang tot de locatie van [gedaagde] te ontzeggen. Daarvan is in dit geval echter geen sprake. [gedaagde] heeft in correspondentie met [eiser] voorafgaand aan deze procedure en ook tijdens deze procedure steeds benadrukt dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de kwaliteit van de zorg die [eiser] aan zijn patiënten heeft geleverd; het gaat [gedaagde] om de manier van communiceren van [eiser] . De situatie als bedoeld in artikel 11 van de Overeenkomst doet zich dus niet voor, nog daargelaten of dit zou meebrengen dat [gedaagde] geen gebruik zou mogen maken van de algemene opzegmogelijkheid in artikel 12 lid 2 van de Overeenkomst.

Het is niet in geschil dat [gedaagde] de Overeenkomst met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden heeft opgezegd per 21 mei 2026. Gelet op wat hiervoor in 4.8. is overwogen, kan [gedaagde] [eiser] in principe aan die einddatum houden.

[gedaagde] kon gebruikmaken van de algemene opzegmogelijkheid in de Overeenkomst

Dit is alleen anders als het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [gedaagde] gebruik heeft gemaakt van de opzegmogelijkheid of als [gedaagde] misbruik heeft gemaakt van die opzegmogelijkheid, zoals [eiser] betoogt. Daarvan is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake.

[eiser] lijkt ervan uit te gaan dat de enige aanleiding voor de opzegging van de Overeenkomst is gelegen in een melding van 18 maart 2026, waarin onder andere staat dat onder collega’s van [eiser] een angstcultuur heerst om zaken die hem betreffen aan [gedaagde] te melden. Dat is echter niet het geval. [gedaagde] heeft uitgelegd dat zij sinds 2020 met regelmaat meldingen over [eiser] heeft ontvangen. Dit blijkt ook uit het dossier en in het bijzonder bijlage 9 van [gedaagde] . Aan [eiser] kan worden toegegeven dat de meldingen niet allemaal even specifiek zijn en de voorzieningenrechter kan zich daarom voorstellen dat het voor [eiser] lastig is om concreet en specifiek in te gaan op al die meldingen. Echter, het is wel duidelijk dat de rode draad in de meldingen is dat de manier en de toon waarop [eiser] met collega’s, patiënten en externen communiceert met regelmaat te wensen overlaat. Meerdere meldingen houden bijvoorbeeld in dat sprake is geweest van een “onprettig” gesprek, dat [eiser] heeft geschreeuwd en dat de melder zich niet gerespecteerd voelde. In zoverre kon [eiser] wel op de meldingen reageren.

[gedaagde] heeft ook onweersproken gesteld dat de meldingen met [eiser] zijn besproken en dat [eiser] is gevraagd om op de meldingen te reageren c.q. reflecteren. Namens [gedaagde] heeft mevrouw [persoon A] (medisch manager) tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij bij het bespreken van meldingen binnen de huisartsenpost gewend is dat zij een respectvol gesprek heeft over wat daarvan kan worden geleerd, maar dat zij in het geval van [eiser] heeft ervaren dat het hem tijdens die gesprekken ontbreekt aan zelfreflectie. Dat gebrek aan zelfreflecterend vermogen van [eiser] blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook uit de e-mails die partijen in het geding hebben gebracht. [eiser] heeft een verbetertraject doorlopen en in het kader van dat traject is – onder andere – via de e-mail gesproken over meldingen die [gedaagde] over [eiser] had ontvangen. In een e-mail van 19 mei 2025 (bijlage 6 van [eiser] ) reageert [eiser] op een zestal punten die mevrouw [persoon A] hem ter voorbereiding op een gesprek heeft toegestuurd. In de kern komt de reactie van [eiser] erop neer dat hij de punten onterecht vindt en dat anderen zich onprofessioneel gedragen of een verkeerde/ongewenste houding hebben. [eiser] wijst dus met de vinger naar de melders, maar hij laat na om te reflecteren op zijn eigen gedrag en hoe zijn woorden – blijkbaar – op zijn gesprekspartners (de melders) zijn overgekomen.

Tegen deze achtergrond kan de voorzieningenrechter zich voorstellen dat voor [gedaagde] een grens was bereikt toen zij op 12 maart 2026 een melding over [eiser] ontving dat hij een seksueel grensoverschrijdende opmerking zou hebben gemaakt tegenover een coassistent. Zeker als in aanmerking wordt genomen dat [eiser] , zoals mevrouw [persoon A] tijdens de mondelinge behandeling onweersproken heeft gezegd, met stip bovenaan staan binnen [gedaagde] voor wat betreft het aantal meldingen dat over hem is gedaan. Dat [gedaagde] [eiser] vervolgens onmiddellijk op non-actief heeft gesteld, intern de balans heeft opgemaakt en [eiser] een week later heeft bericht dat zij de Overeenkomst opzegde, is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aanvaardbaar en levert geen misbruik van recht op. De maat was vol. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat [gedaagde] niet alleen een verantwoordelijkheid heeft tegenover [eiser] , maar ook tegenover al haar andere medewerkers, de patiënten die haar bezoeken en de externe partijen waarmee zij samenwerkt (en waarvan zij voor een deel afhankelijk is voor het verlenen van goede zorg aan patiënten). In redelijkheid kan niet gezegd worden dat [gedaagde] onder al deze omstandigheden niet tot opzegging van de Overeenkomst heeft kunnen besluiten.

Dat [gedaagde] [eiser] vervolgens direct opnieuw op non-actief heeft gesteld naar aanleiding van een melding die op 18 maart 2026 was ontvangen (zie hiervoor in 4.11.), acht de voorzieningenrechter – anders dan [eiser] – geen verkeerde gang van zaken. Het komt de voorzieningenrechter logisch voor dat de betrokken huisarts naar aanleiding van zo’n melding op non-actief wordt gesteld totdat onderzoek naar de gegrondheid van de melding is gedaan. Van [gedaagde] mag wel worden verlangd dat zij [eiser] regelmatig op de hoogte houdt van de voortgang van het door haar gestarte externe onderzoek en dat zij de onderzoekers aanspoort om het onderzoek zo snel mogelijk af te ronden. Voor de inhoudelijke beoordeling van de opzegging van de Overeenkomst is dit echter niet relevant.

De conclusie

De conclusie is dat de vorderingen 1 (wedertewerkstelling) en 2 (schorsing van de opzegging van de Overeenkomst) worden afgewezen, omdat [gedaagde] de Overeenkomst naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft kunnen opzeggen op grond van de daarin opgenomen algemene opzeggingsmogelijkheid van artikel 12 lid 2. De gevorderde verboden om een melding te doen bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en om mededelingen over [eiser] te doen aan externen (vorderingen 3 en 8) worden ook afgewezen, omdat niet is gebleken dat [gedaagde] van plan is dergelijke meldingen en/of mededelingen te gaan doen en in zoverre dus niet is gebleken van voldoende (spoedeisend) belang bij dergelijke verboden. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegezegd dat de resultaten van het externe onderzoek naar de melding van 18 maart 2026 met [eiser] worden gedeeld en dat [eiser] zelf gehoord wordt vóórdat [gedaagde] eventueel besluit daar een melding over te maken bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. De inzagevordering (vordering 4) wordt afgewezen, omdat [eiser] niet heeft uitgelegd waarom hij voldoende (spoedeisend) belang heeft bij inzage in de door hem genoemde informatie. Daarnaast ziet een belangrijk deel van de informatie op het externe onderzoek dat op dit moment nog loopt, terwijl de voorzieningenrechter zich kan voorstellen dat het voor het goede verloop van het onderzoek wenselijk is dat de informatie die aan het onderzoek ten grondslag ligt pas na afronding van het onderzoek eventueel met [eiser] wordt gedeeld. In zoverre heeft [gedaagde] dus ook een gewichtige reden om de gevorderde informatie in ieder geval op dit moment nog niet aan [eiser] te hoeven verstrekken (artikel 196 lid 2 sub e Rv). Gelet op het voorlopig oordeel over de opzegging van de Overeenkomst bestaat op dit moment geen grond om aan [eiser] een voorschot op schadevergoeding toe te kennen (vorderingen 5 en 6), nog daargelaten dat [eiser] niet heeft gesteld – en laat staan onderbouwd – dat hij voldoende (spoedeisend) belang bij betaling van zo’n voorschot heeft. Verder ziet de voorzieningenrechter op dit moment geen grond om [gedaagde] te bevelen het externe onderzoek op een bepaalde datum afgerond te hebben en/of [gedaagde] te bevelen na afronding van dat onderzoek met [eiser] in overleg te treden over de eventuele voortzetting van de Overeenkomst (vordering 7). De voorzieningenrechter heeft niet de indruk dat [gedaagde] het externe onderzoek traineert of daarin onvoldoende voortvarendheid betracht. De opzegging is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter rechtsgeldig. Van een eventuele voortzetting van de Overeenkomst is geen sprake. De meer subsidiaire vordering (vordering 9) stuit af op alles dat hiervoor is overwogen over de andere vorderingen.

[eiser] moet de proceskosten van [gedaagde] betalen

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 341,00

- salaris advocaat € 1.177,00 (tarief gemiddeld complexe zaak)

- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 1.707,00

Uitvoerbaarheid bij voorraad

De proceskostenveroordeling wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.707,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] de proceskosten niet op tijd betaalt en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Mendlik en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.3349 / 3577

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand