ECLI:NL:RBROT:2026:6525

ECLI:NL:RBROT:2026:6525

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 03-06-2026
Datum publicatie 05-06-2026
Zaaknummer 10-252080-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

De verdachte heeft het slachtoffer één vuistslag in het gezicht gegeven, waarna het slachtoffer is gevallen. Door deze val is ernstig schedelhersenletsel ontstaan dat heeft geleid tot het overlijden van het slachtoffer. De verdachte wordt vrijgesproken van zware mishandeling met de dood tot gevolg. Het beroep op noodweer(exces) wordt verworpen. De verdachte wordt voor mishandeling met de dood tot gevolg veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10-252080-25

Datum uitspraak: 3 juni 2026

Datum zitting: 20 mei 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1990 in [geboorteplaats 1] ( [geboorteland 1] ),

ingeschreven op het adres [adres] , [postcode 1] [woonplaats] ( [land] ),

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

De verdachte heeft ter zitting aangegeven feitelijk te verblijven bij de [verblijfplaats] aan de [verblijfadres] , [postcode 2] [verblijflocatie] .

Advocaat van de verdachte: mr. E. de Jong

Officier van justitie: mr. F.J. van der Putte

Kern van het vonnis

De verdachte heeft het slachtoffer [slachtoffer] één vuistslag in het gezicht gegeven waarna het slachtoffer is gevallen. Door deze val is ernstig schedelhersenletsel ontstaan dat heeft geleid tot het overlijden van het slachtoffer. De verdachte wordt vrijgesproken van zware mishandeling met de dood tot gevolg. Het beroep op noodweer(exces) wordt verworpen. De verdachte wordt voor mishandeling met de dood tot gevolg veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk.

1. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij zich op 21 september 2025 schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling met de dood tot gevolg subsidiair mishandeling met de dood tot gevolg.

De volledige tenlastelegging houdt in dat:

primair

hij op of omstreeks 21 september 2025 te Rotterdam aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel te weten, hoofdletsel (gebroken rechterkaakbijholte en gebroken schedel) en hersenletsel heeft toegebracht, door die [slachtoffer] meermalen met gebalde hand tegen het hoofd, althans het lichaam, te slaan/ stompen, terwijl het feit de dood ten gevolge had;

subsidiairhij op of omstreeks 21 september 2025 te Rotterdam [slachtoffer] heeft mishandeld, door door die [slachtoffer] meermalen met gebalde hand tegen het hoofd, althans het lichaam, te slaan/stompen, terwijl het feit de dood ten gevolge had.

2. Bewijs

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het primair tenlastegelegde feit. Het beroep op noodweer(exces) slaagt niet. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging bepleit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak primair tenlastegelegde

Het primaire feit waarvan de verdachte wordt beschuldigd is niet bewezen. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Het standpunt van de officier van justitie is als volgt. De verdachte had voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door tweemaal met een vuist tegen het hoofd, een vitaal lichaamsdeel, van het slachtoffer te slaan. De verdachte wist wat hij deed, omdat hij in zijn jeugd heeft gebokst. Achteraf blijkt dat het slachtoffer een gebroken kaakbijholte had, dus de verdachte moet hard hebben geslagen.

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte het slachtoffer op 21 september 2025 éénmaal met gebalde hand tegen het hoofd heeft geslagen. De rechtbank ziet op de camerabeelden dat de verdachte – die handelde als reactie op de klap die hij van het slachtoffer kreeg – één slaande beweging in de richting van de schouder van het slachtoffer maakt en één slaande beweging richting het hoofd van het slachtoffer. Bij die laatste beweging raakt de verdachte het slachtoffer tegen het hoofd.

Deze gedraging van de verdachte kan niet zonder meer (zoals gegevens over de kracht en de gerichtheid van de slag) worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg ook bewust heeft aanvaard. De kwetsbaarheid van het hoofd als zodanig zegt nog niet zo veel over de kans op zwaar lichamelijk letsel. De omstandigheid dat een breuk in de kaakbijholte van het slachtoffer is gevolgd kan iets zeggen over de kracht waarmee is geslagen. Dat betekent echter niet dat een met die kracht gegeven slag zonder meer een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel oplevert. Dit betekent dat niet kan worden bewezen dat de verdachte het slachtoffer opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. De rechtbank spreekt hem daarom vrij van het primair tenlastegelegde.

Bewezenverklaring subsidiair tenlastegelegde

Causaal verband

De verdediging heeft aangevoerd dat er geen causaal verband bestaat tussen het handelen van de verdachte en het overlijden van het slachtoffer. Dat verweer wordt verworpen. Uit het forensisch pathologisch onderzoek volgt dat het slachtoffer is overleden aan de gevolgen van schedelhersenletsel door hevige stomp botsende krachtinwerking op het hoofd. Dit letsel past bij de val op het achterhoofd. Uit de camerabeelden volgt dat de val is veroorzaakt door de vuistslag die de verdachte het slachtoffer geeft. Het causaal verband is daarmee gegeven.

Geen noodweer

Door de verdediging is aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de mishandeling, omdat hem een beroep op noodweer toekomt. De verdachte werd onverhoeds en in een kwetsbare positie aangevallen door het slachtoffer. De verdachte verdedigde zichzelf met een armzwaai. Hij kon zich niet aan de situatie onttrekken, omdat hij geen kant op kon en het slachtoffer de aanval voortzette.

Voor een geslaagd beroep op noodweer moet het handelen van de verdachte zijn geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding.

De tik van het slachtoffer kan worden gekwalificeerd als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte. Met de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat de situatie tegelijkertijd niet zodanig was dat de daaropvolgende handelingen van de verdachte geboden waren door de noodzakelijke verdediging. Uit de camerabeelden volgt dat de verdachte de situatie al bijna meester was, zodra hij opstond na de tik van het slachtoffer (een oudere, fragiele man). De verdachte had uit de situatie kunnen weglopen, het slachtoffer kunnen wegduwen of het slachtoffer met minder kracht en op een andere plek op het lichaam kunnen slaan.

Het verweer slaagt niet.

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen subsidiair tenlastegelegde

Bewezen is dat de verdachte [slachtoffer] heeft mishandeld, terwijl het feit de dood tot gevolg had. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.4.

De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op bovenstaande bewijsmotivering en de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen.

1. Eigen waarneming van de rechtbank Op de beschikbare camerabeelden (RTD-013 (00:55 e.v.) en RTD-018 (01:08 e.v.)) ziet de rechtbank het volgende.

De verdachte maakt een slaande beweging met gebalde vuist in de richting van het hoofd van het slachtoffer. Het slachtoffer verliest zijn evenwicht en valt naar achteren op zijn achterhoofd. Het slachtoffer blijft liggen op de grond.

2. Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachte

Op 21 september 2025 te Rotterdam gaf ik het slachtoffer een klap in zijn mond. Ik maakte een slaande beweging met gebalde vuist naar zijn mond. Ik sloeg één keer.

3. Proces-verbaal van de politie

Op 21 september 2025 kwam ik ter plaatse in de centrale hal van Rotterdam Centraal Station. Ik zag een man op zijn rug liggen. Het slachtoffer bleek te zijn [slachtoffer] , geboren [geboortedatum 2] 1955 in [geboorteplaats 2] ( [geboorteland 2] ).

4. DeskundigenverslagLetselbeeld

Gelet op de verhaalde val op het achterhoofd (zie verkregen informatie) na een klap in

het gelaat en de uitgebreide hersenschorskneuzingen kan het geheel van de hierboven

beschreven letsels passen bij een ‘contrecoup zonder coup’-patroon met een primaire

impact ter hoogte van het achterhoofd.

Interpretatie van resultaten

Er was ernstig schedelhersenletsel (sub A, B4 en C) door hevige stomp botsende krachtinwerking. De lokalisatie, de uitgebreidheid en het aspect van dit letsel kan goed passen bij de verhaalde val met enkelvoudige grondimpact (zie sub C).

Conclusie

[slachtoffer] (70 jaar) is overleden aan de gevolgen van schedelhersenletsel in het kader van een hevige stompe krachtinwerking op het hoofd. De lokalisatie, de uitgebreidheid en het aspect van dit letsel kan goed passen bij de verhaalde val met enkelvoudige grondimpact.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

hij op 21 september 2025 te Rotterdam [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] met gebalde hand tegen het hoofd te slaan, terwijl het feit de dood ten gevolge had.

3. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van het feit en van de verdachte

Door de verdediging is aangevoerd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem een beroep op noodweerexces toekomt. Naar het oordeel van de rechtbank is dit verweer onvoldoende onderbouwd. Het verweer wordt verworpen.

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4. Straf

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, eventueel te combineren met een voorwaardelijke straf.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte heeft een 70-jarige man mishandeld. De verdachte was in de nacht van

21 september 2025 op het centraal station van Rotterdam om daar te gaan slapen. Het slachtoffer kwam naar hem toe lopen en zei dat dit ‘zijn plek’ was. Vervolgens ontstond een korte discussie en gaf het slachtoffer de verdachte een tik. De verdachte heeft het slachtoffer één vuistslag in het gezicht gegeven. Het slachtoffer viel hierdoor achterover en is later in het ziekenhuis overleden aan de gevolgen van die val. De val van het slachtoffer was uiteindelijk ontstellend ongelukkig, met vreselijke en verstrekkende gevolgen voor het slachtoffer. Hoewel het slachtoffer de confrontatie met de verdachte opzocht, had onder de gegeven omstandigheden van de verdachte mogen en kunnen worden verwacht dat hij zich aan de situatie zou onttrekken of een ander, lichter verdedigingsmiddel had gekozen. Vast staat dat de verdachte de dood van het slachtoffer nooit heeft gewild. De fatale gevolgen van het handelen van de verdachte worden echter wel aan hem toegerekend.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 29 april 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.

Oplegging straf

Gelet op de ernst van het strafbare feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij het bepalen van de strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De rechtbank komt echter tot een lagere straf vanwege de bijzondere omstandigheden in deze zaak. De rechtbank weegt mee dat de verdachte nooit heeft gewild dat het slachtoffer zou komen te overlijden. Ook heeft de rechtbank er oog voor dat het feit ook impact heeft op de verdachte, dat hij spijt heeft en verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen. Hoewel er geen oriëntatiepunt voor mishandeling met de dood tot gevolg bestaat heeft de rechtbank de LOVS oriëntatiepunten wel gebruikt bij de gedachtenvorming. De zwaarste oriëntatiepunten voor een mishandeling (met lichamelijk letsel tot gevolg) nemen een taakstraf van 120 uur als vertrekpunt en de lichtste oriëntatiepunten voor een zware mishandeling nemen een gevangenisstraf van drie maanden als vertrekpunt.

De verdachte heeft 30 dagen in voorlopige hechtenis gezeten voor dit feit. Alles afwegend wordt een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van tien maanden. Van deze gevangenisstraf worden negen maanden voorwaardelijk opgelegd. Dat betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis.

De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt. De op te leggen straf is aanzienlijk lager dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat de rechtbank een ander, minder zwaar feit bewezen acht.

5. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

6. Beslissingen

De rechtbank:

Vrijspraak

verklaart niet bewezen dat de verdachte het primaire feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiaire feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 10 (tien) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Voorwaardelijk strafdeel

bepaalt dat 9 (negen) maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt.

7. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C. Sikkel, voorzitter,

en mrs. E.M. Rocha en N.A. Nowotny, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.D. Schmahl, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 3 juni 2026.

Mr. Rocha is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C. Sikkel

Griffier

  • mr. J.D. Schmahl

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand