Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/713827 / FA RK 26-626
Beschikking van 18 mei 2026 over vervangende toestemming op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek en voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv
in de zaak van:
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. J.W. Prinsen te Ridderkerk,
t e g e n
[naam man] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. J.B. Peters te Zoetermeer.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 23 januari 2026;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 18 februari 2026;
het verweerschrift op het zelfstandig verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 10 april 2026;
de berichten met bijlagen van de vrouw van 3 april 2026 en 15 april 2026;
de berichten met bijlagen van de man van 8 april 2026 en 17 april 2026.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 20 april 2026. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] .
2. De vaststaande feiten
Partijen hebben samen een affectieve relatie gehad. Die relatie is beëindigd.
Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2023 te [geboorteplaats] .
De man heeft de minderjarigen erkend.
Het ouderlijk gezag over de minderjarigen wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.
Bij vonnis in kort geding van de rechtbank Rotterdam van 15 januari 2026 heeft de voorzieningenrechter de vrouw onder meer niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering om aan haar vervangende toestemming te verlenen om de minderjarige [minderjarige 2] met ingang van februari 2026 vier dagdelen en vanaf maart 2026 vijf dagdelen te laten deelnemen aan voor- en vroegschoolse educatie op peuterspeelzaal [naam 1] in [plaats] . De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vrouw onvoldoende spoedeisend belang heeft bij haar vordering tot het verkrijgen van vervangende toestemming.
3. De beoordeling
Voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv
De vrouw verzoekt een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat aan haar vervangende toestemming wordt verleend om de minderjarige [minderjarige 2] met ingang van maart 2026 in te schrijven bij peuterspeelzaal [naam 1] in [plaats] en in totaal vijf ochtenden per week, te weten maandag-, dinsdag-, woensdag-, donderdag- en vrijdagochtend aan vroeg- en voorschoolse educatie op peuterspeelzaal [naam 1] in [plaats] te laten deelnemen.
De man voert gemotiveerd verweer en bepleit afwijzing van het verzoek. De man verzoekt bij zelfstandig verzoek de vrouw te veroordelen in de proceskosten.
Op grond van artikel 223 Rv kan tijdens een lopende procedure iedere partij verzoeken dat de rechter een voorlopige voorziening treft voor de duur van de procedure. De rechtbank moet beoordelen of aan de minimumvereisten is voldaan, te weten: aanhangig zijn van een hoofdverzoek, samenhang met het hoofdverzoek en (spoedeisend) belang.
De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling haar verzoek om een voorlopige voorziening te treffen ingetrokken, omdat de bodemprocedure gelijktijdig is behandeld. De rechtbank zal de verzochte voorlopige voorziening om die reden afwijzen.
Hoofdzaak
Vervangende toestemming deelname aan vroeg- en voorschoolse educatie
De vrouw verzoekt, na wijziging tijdens de mondelinge behandeling, haar vervangende toestemming te verlenen om de minderjarige [minderjarige 2] gedurende zijn peuterperiode in totaal vijf ochtenden per week, te weten maandag-, dinsdag-, woensdag-, donderdag- en vrijdagochtend deel te laten nemen aan vroeg- en voorschoolse educatie op peuterspeelzaal [naam 1] in [plaats] tot het moment dat hij naar de basisschool gaat.
De man voert gemotiveerd verweer en bepleit afwijzing van het verzoek. De man verzoekt bij zelfstandig verzoek de vrouw te veroordelen in de proceskosten.
Uit de overgelegde stukken en wat is besproken tijdens de mondelinge behandeling blijkt het volgende. De minderjarige heeft een vertraagde spraak- en taalontwikkeling en daarom heeft de jeugdverpleegkundige van Centrum Jeugd en Gezin Maassluis in haar bericht van 27 oktober 2025 geadviseerd om de minderjarige extra dagdelen naar de peuterspeelzaal te laten gaan. Daarnaast zou begeleiding van Stichting PUSH (Opstapje) mogelijk ondersteunend kunnen zijn. De minderjarige ging tot januari 2026 naar peuterspeelzaal [naam 2] in [plaats] , maar deze peuterspeelzaal biedt geen vroeg- en voorschoolse educatie. Sinds februari 2026 gaat de minderjarige twee dagdelen per week naar peuterspeelzaal [naam 1] in [plaats] , te weten donderdag- en vrijdagochtend. Uit het verslag van de peuterspeelzaal van 27 maart 2026 blijkt dat uitbreiding naar vijf ochtenden voorschoolse educatie wenselijk is. De jeugdarts van Centrum Jeugd en Gezin Rijnmond heeft in haar bericht van 13 april 2026 aangegeven dat de minderjarige gebaat is bij meer ondersteuning voor de spraak- en taalontwikkeling en dat om die reden een logopedische behandeling is geadviseerd en een indicatie voor voorschoolse educatie is afgegeven. Uit het voortgangsverslag van Stichting PUSH (Opstapje) van 16 april 2026 volgt dat sprake is van een duidelijke vooruitgang sinds de start van het programma, waarbij de verstaanbaarheid van de minderjarige nog een aandachtspunt is. Om die reden is besloten logopedie in te zetten. De aanmelding is afgerond en de behandeling zal op 4 mei 2026 starten.
Niet in geschil is dat de minderjarige een taalachterstand heeft en dat ondersteuning noodzakelijk is. Evenmin is tussen partijen in geschil dat logopedie aangewezen en nodig is. Partijen verschillen van mening over de vraag in welke mate aanvullende ondersteuning, in het bijzonder vroeg- en voorschoolse educatie, op dit moment noodzakelijk is. De vrouw stelt zich op het standpunt dat vijf ochtenden vroeg- en voorschoolse educatie, naast logopedie, nodig zijn om de minderjarige een goede start te geven op de basisschool. De man stelt zich op het standpunt dat de huidige twee ochtenden vroeg- en voorschoolse educatie, in combinatie met logopedie en begeleiding van Stichting PUSH (Opstapje), vooralsnog voldoende is. Hij vreest voor overbelasting van de minderjarige als hij vijf ochtenden per week vroeg- en voorschoolse educatie heeft. Daarbij benadrukt de man dat er in de ontwikkeling van de minderjarige op dit moment geen sprake is van stilstand, maar van vooruitgang. Daarnaast heeft de man aangevoerd dat uitbreiding van de ochtenden op de peuterspeelzaal ten koste gaat van zijn tijd met de minderjarige, met name op de maandag. Verder kan de man zich niet vinden in de conclusie van de jeugdarts van Centrum Jeugd en Gezin Rijnmond. Volgens hem is het verslag eenzijdig gebaseerd op de bevindingen van de vrouw, terwijl ook niet duidelijk is of de afgegeven indicatie voor voorschoolse educatie betrekking heeft op een, twee of vijf ochtenden.
De rechtbank overweegt als volgt. De afgegeven indicatie door Centrum Jeugd en Gezin voor vroeg- en voorschoolse educatie impliceert vijf dagdelen peuterspeelzaal. Bij voorschoolse educatie gaat een kind in beginsel circa 16 uur per week naar een kinderopvang om de (taal)ontwikkeling te stimuleren. In het geval van peuterspeelzaal [naam 1] betekent dit vijf ochtenden per week van half 9 tot kwart voor 12. De rechtbank acht het van belang dat de indicatie is afgegeven door een deskundige instantie, die bij uitstek is belast met de beoordeling van de ontwikkelingsbehoeften van de minderjarige. De man kan zich niet vinden in de conclusie van de jeugdarts, maar hij is niet, al dan niet gezamenlijk met de vrouw, in gesprek gegaan met de jeugdarts om uitleg te krijgen over het gegeven advies. Evenmin heeft hij gemotiveerd gesteld dat de gegeven indicatie ten onrechte is afgegeven. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om te twijfelen aan het advies van de jeugdarts en gaat ervan uit dat het advies passend is bij de situatie van de minderjarige.
De rechtbank heeft begrip voor de zorgen van de man over mogelijke overbelasting van de minderjarige en realiseert zich dat de peuterspeelzaal op maandagochtend ten koste gaat van de tijd die de man doorbrengt met de minderjarige, maar stelt daar tegenover dat het gaat om noodzakelijke zorg die erop gericht is dat de minderjarige een goede start kan maken op de basisschool. Het is fijn dat de minderjarige de afgelopen periode vooruitgang heeft laten zien, maar dat deze ontwikkeling één op één kan worden toegeschreven aan de begeleiding van Stichting PUSH (Opstapje) staat niet vast, en evenmin volgt daaruit dat uitbreiding van de vroeg- en voorschoolse educatie niet meer noodzakelijk is. Integendeel, de geboekte vooruitgang kan juist het gevolg zijn van de twee ochtenden vroeg- en voorschoolse educatie waar de minderjarige nu gebruik van maakt. De rechtbank gaat er verder vanuit dat mocht onverhoopt een situatie van overbelasting van de minderjarige ontstaan dat door de peuterspeelzaal dan wel de jeugdarts geconstateerd zal worden, en dat in dat geval daarop actie kan worden ondernomen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat voldoende is gebleken dat de minderjarige gebaat is bij deelname aan vroeg- en voorschoolse educatie gedurende vijf ochtenden per week, naast logopedie en begeleiding van Stichting PUSH (Opstapje). De rechtbank zal daarom de verzoeken van de vrouw toewijzen.
Proceskosten
De man heeft verzocht de vrouw te veroordelen in de proceskosten. De man stelt zich op het standpunt dat sprake is van misbruik van procesrecht en nodeloos procederen. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van misbruik van procesrecht. Tussen partijen bestond een inhoudelijk geschil over de uitbreiding van de vroeg- en voorschoolse educatie, zodat een inhoudelijke beoordeling door de rechtbank aangewezen was. Dat neemt niet weg dat de rechtbank vraagtekens plaatst bij de wijze van procederen door de vrouw. Zo bevatten de processtukken van de vrouw uitgebreide passages over hetgeen volgens haar in het verleden tussen partijen is voorgevallen, terwijl deze omstandigheden niet relevant zijn voor de te beantwoorden rechtsvraag. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat in een eerdere bodemprocedure tussen partijen (bekend onder zaak-/rekestnummer
C/10/695498 / FA-RK 25-1732), waarin de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen, de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de onderhoudsbijdrage aan de orde waren, een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 januari 2026. Bij voornoemd vonnis in kort geding van 15 januari 2026 is de vordering tot het verlenen van vervangende toestemming afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang. Tegen deze achtergrond had het op de weg van de vrouw gelegen om te bezien of zij haar verzoek tot vervangende toestemming in die reeds lopende bodemprocedure als aanvullend verzoek had kunnen indienen. De rechtbank merkt daarbij op dat een dergelijk aanvullend verzoek, zo kort voor de mondelinge behandeling van 23 januari 2026, naar verwachting niet meer inhoudelijk zou zijn behandeld. Kortom, hoewel de rechtbank kanttekeningen plaatst bij de proceskeuzes van de vrouw, is zij van oordeel dat er niet dermate nodeloos is geprocedeerd dat van een proceskostenveroordeling sprake kan zijn.
4. De beslissing
De rechtbank:
in de voorlopige voorziening:
wijst af het verzoek van de vrouw;
in de hoofdzaak:
verleent de vrouw vervangende toestemming om de minderjarige [minderjarige 2] gedurende zijn peuterperiode in totaal vijf ochtenden per week, te weten maandag-, dinsdag-, woensdag-, donderdag- en vrijdagochtend deel te laten nemen aan vroeg- en voorschoolse educatie op peuterspeelzaal [naam 1] in [plaats] tot het moment dat hij naar de basisschool gaat;
bepaalt dat deze vervangende toestemming strekt tot vervanging van de vereiste toestemming van de man;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. Berghuis-Knijff, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. L. Timmermans, griffier, op 18 mei 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.