uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 op het verzet van
[naam opposante] , uit [plaats] , opposante
(gemachtigde: mr. L.A.E. Timmer),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 17 januari 2025 (de uitspraak) in het geding tussen
opposante
en
Dienst Toeslagen
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak waarin de rechtbank het beroep van opposante gegrond heeft verklaard.
2. Opposante heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.
Beoordeling door de rechtbank
3. De Dienst Toeslagen heeft op 18 februari 2022 een definitieve beschikking compensatie kinderopvang genomen over de toeslagjaren 2012 tot en met 2026 met kenmerk [kenmerknummer] waarbij het definitieve compensatiebedrag is vastgesteld op € 84.323. Opposante heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Vanwege het uitblijven van een besluit op bezwaar heeft de Dienst Toeslagen aan opposante een bestuurlijke dwangsom toegekend van 1.442 en heeft opposante inmiddels driemaal beroep ingesteld wegens niet tijdig beslissen. Dat heeft geleid tot een uitspraak van 12 oktober 2023, 18 juni 2024 en de uitspraak. In eerste twee uitspraken is het beroep gegrond verklaard, is de Dienst Toeslagen een korte nadere beslistermijn geboden en is een rechterlijke dwangsom vastgesteld als bedoeld in artikel 8:55d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van € 100 per dag met een maximum van € 15.000. In de uitspraak is naar aanleiding van het derde beroep van opposante de Dienst Toeslagen opgedragen binnen 20 weken alsnog een besluit op bezwaar te nemen en is aan de Dienst Toeslagen een dwangsom opgelegd van € 50 voor elke dag dat de Dienst Toeslagen de gegeven beslistermijn overschrijdt met een maximum van € 15.000. Het verzet is tegen de uitspraak gericht.
4. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep kennelijk gegrond is geacht, de Dienst Toeslagen is opgedragen binnen 20 weken alsnog een besluit te nemen en de Dienst Toeslagen een dwangsom is opgelegd van € 50 voor elke dag dat de Dienst Toeslagen de gegeven beslistermijn overschrijdt met een maximum van € 15.000.
5. In het initiële verzetschrift dat, is gedateerd op 14 februari 2024 (lees: 14 februari 2025), heeft opposante onder meer aangevoerd dat de rechtbank met de lange beslistermijn en lagere dwangsom afwijkt van een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 augustus 2023, waarin is voorzien in een kortere nadere beslistermijn en een dwangsom van € 100 per dag (met een maximum van € 15.000). Uit de uitspraak volgt dat het niet de taak van de rechter is een structurele collectieve oplossing te bieden voor de problemen bij de uitvoering van hersteloperatie, maar dat de wetgever dit dient te doen. In de uitspraak wordt volgens opposante ten onrechte van dit uitgangspunt afgeweken. Dit leidt er toe dat hoewel reeds twee dwangsommen zijn volgelopen de Dienst Toeslagen geen prikkel ervaart om vanaf het vollopen van de tweede rechterlijke dwangsom op 29 november 2024 en 6 juni 2025 alsnog op het bezwaar te beslissen. Opposante wijst er verder op dat de rechtbank voorts in het nadeel van opposante afwijkt van uitspraken van andere rechtbanken. Dit leidt volgens haar tot rechtsongelijkheid. Opposante heeft gewezen op een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 13 februari 2024, waarin een verzet gegrond werd verklaard omdat in de aangevallen uitspraak van 19 mei 2023 geen rekening was gehouden met de latere uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2023. Omdat sprake is van een derde beroep wegens niet tijdig beslissen wil opposante dat de rechtbank de dwangsom vaststelt op € 500 per dag, maar ten minste op € 250 per dag, dit met een bijbehorend hoger maximum.
6. Opposante stelt in het aanvullende verzetschrift van 12 mei 2025 dat de Afdeling in een uitspraak van 26 maart 2025 heeft bepaald dat bij een herhaald beroep wegens niet-tijdig beslissen aan de Dienst Toeslagen een nadere beslistermijn van slechts twee weken wordt gegund en dat de dwangsom in dat geval € 250 per dag bedraagt (met een maximum van € 37.500). Opposante verzoekt de rechtbank het verzet gegrond te verklaren en om in overeenstemming met deze uitspraak te beslissen. Opposante wijst er op dat zij met het geheel vervallen van de uitspraak in een slechtere positie komt dan wanneer zij geen verzet zou aantekenen, omdat met het geheel vervallen van de uitspraak een nieuwe beslistermijn gesteld zou moeten worden die eerst ingaat met de nieuwe uitspraak op het derde beroep. Opposante wijst in dit verband op een uitspraak van de rechtbank van 18 december 2024, waarin dit is onderkend en vervolgens uitsluitend dat onderdeel van de uitspraak waartegen het verzet van de Dienst Toeslagen zich richt wordt aangetast, zodat de opposant niet in een slechtere positie komt dan waartoe het verzet strekt.
7. Opposante heeft nadien herhaaldelijk klachten ingediend wegens het uitblijven van een uitspraak op verzet, zij heeft de rechtbank in gebreke gesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op verzet, zij heeft een schadevergoeding ingediend bij de rechtbank wegens het niet tijdig uitspraak doen op verzet en zij heeft herhaaldelijk gebeld met de griffie over deze kwestie. Het gerechtsbestuur heeft opposante op 17 en 24 juni 2025 schriftelijk onder meer bericht dat de rechtbank kampt met een grote voorraad zaken inzake de hersteloperatie toeslagen en dat de zaak van opposante niet met voorrang zal worden afgedaan ten koste van oudere verzetzaken die op de plank liggen en dat het gelet op de achterstand niet is te verwachten dat het verzet binnen de komende zes maanden zal worden afgedaan. Op haar herhaalde klachten heeft het gerechtsbestuur opposante op 30 juni 2025 schriftelijk meegedeeld dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen, dat over deze kwestie reeds is gecorrespondeerd en wordt opposante verzocht over deze kwestie niet te blijven bellen naar de griffie. De griffier heeft opposante in een brief van 30 juni 2025 voorts bericht dat de rechtbank niet in gebreke kan worden gesteld, omdat zij geen bestuursorgaan is. Voorts heeft opposante herhaaldelijk verzocht om een voorlopige voorziening. Het eerste verzoek is bij uitspraak van 31 juli 2025 niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet was voldaan. Het tweede verzoek is bij uitspraak van 13 augustus 2025 afgewezen omdat het verzet naar voorlopige oordeel geen kans van slagen heeft. Opposante heeft op 18 december 2025 de rechtbank nogmaals verzocht het verzet met spoed af te doen.
8. De verzetrechter stelt voorop dat zij het betreurt dat opposante lang op de uitspraak op verzet heeft moeten wachten vanwege een grote werkvoorraad die de rechtbank van deze zaken heeft.
9. In navolging van haar uitspraken van 30 juni 2025 en 4 juli 2025 oordeelt de rechtbank in verzet als volgt.
10. Voorop staat dat de rechtbank uitspraak zonder zitting mag doen als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. Dat was hier het geval. Het verzet ziet uitsluitend op de door de rechtbank geboden nadere beslistermijn en de daaraan verbonden hoogte van de dwangsom als bedoeld in artikel 8:55d van de Awb. Het vaststellen van de hoogte van een dwangsom is een discretionaire bevoegdheid van de rechter. De nadere beslistermijn en de dwangsomhoogte zijn voorts in overeenstemming met uitspraken van een meervoudige kamer van de rechtbank. De rechtbank is van oordeel dat hiermee toereikend is gemotiveerd waarom voortaan door de rechtbank in deze zaken de dwangsom wordt bepaald op € 50 per dag met een maximum van € 15.000. Daarmee is nadrukkelijk en gemotiveerd afgeweken van de uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2023. De verzetrechter concludeert dan ook dat het verzetschrift in feite een verkapt hoger beroepschrift is, kennelijk omdat opposante het niet eens is met het oordeel van de rechtbank. Daarvoor is de verzetprocedure echter niet bedoeld.
11. De verzetrechter voegt hier aan toe dat de rechtbank geen acht heeft kunnen slaan op ontwikkelingen na haar uitspraak, zoals de door opposante genoemde uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025, terwijl daar niet uit volgt dat de rechtbank destijds niet zonder zitting tot haar uitspraak heeft kunnen komen. Dat de Rechtbank Midden-Nederland in een uitspraak van 13 februari 2024 in verzet wel rekening houdt met een uitspraak van de Afdeling die is gewezen na de aangevallen uitspraak, maakt dit niet anders.
12. De rechtbank voegt hier aan toe dat het onwenselijk is dat opposante na driemaal beroep wegens niet tijdig beslissen nog steeds geen besluit op bezwaar heeft ontvangen. Daar staat tegenover dat het in bezwaar aangevochten besluit begunstigend is en opposante naast de bestuurlijke dwangsom aanspraak maakt op driemaal een rechterlijke dwangsom. Daar komt bij dat het opposant vrijstond om na afloop van de laatst geboden beslistermijn een nieuw beroep wegens niet tijdig beslissen in te dienen en zich daarbij te beroepen op de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025. Verder stelt de rechtbank ook ten overvloede vast dat opposante beroepen heeft ingesteld wegens niet tijdig beslissen op andere aanvragen en bezwaren gericht aan de Dienst Toeslagen en aan haar in dit verband bestuurlijke en rechterlijke dwangsommen zijn toegekend.
13. Gelet op het voorgaande zal het verzet ongegrond worden verklaard.
Conclusie en gevolgen
14. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. Stijnen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2026.
De griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op: