RECHTBANK Rotterdam
Team insolventie
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 2 april 2026
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende te [adres],
[postcode] [plaatsnaam],
verzoekster.
1. De procedure
Verzoekster heeft op 26 januari 2026, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten:
- ING Bank (hierna: ING);
die weigert mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
ING heeft voorafgaand aan de zitting op 17 maart 2026 een verweerschrift toegezonden. Op 20 maart 2026 heeft ING gereageerd op de reactie van IJsselgemeenten op het ingediende verweerschrift.
Ter zitting van 26 maart 2026 zijn verschenen en gehoord:
De uitspraak is bepaald op heden.
2. Het verzoek
Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift twintig schuldeisers, waarvan één preferente en negentien concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 44.500,38 van verzoekster te vorderen. Verzoekster heeft bij brief van 4 juli 2025 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 2,47% aan de preferente schuldeisers en 1,24% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. De schuldenlast bedroeg op dat moment € 53.655,23. De schuldenlast is derhalve lager geworden.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoekster is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van haar Wajong-uitkering. Verzoekster kampt met psychische klachten en start in april 2026 met een traject bij de psycholoog. De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of lager zal kunnen uitvallen. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan.
Negentien schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. ING stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 7.650,27 op verzoekster, welke 17,19% van de totale schuldenlast beloopt.
3. Het verweer
In haar verweerschrift stelt ING zich op het standpunt dat het aangeboden bedrag niet in verhouding staat met de totale schuldvordering. Daarnaast meent ING dat de schuld van verzoekster niet te goeder trouw is ontstaan. De vordering van ING is immers ontstaan doordat verzoekster in de maanden voorafgaand aan het schuldhulpverleningstraject overmatig gebruik heeft gemaakt van de creditcard. Schuldhulpverlening heeft te kennen gegeven dat er cash-opnames zijn gedaan om gaten op te vullen. Uit de afschriften blijkt echter dat er naast de cash-opnames ook een vakantie is geboekt er dat er consumptieve uitgaven zijn gedaan. De afschriften geven geen indicatie dat het gaat om opvullen van gaten dan wel dat er sprake was van noodzakelijke uitgaven. ING meent derhalve dat het verzoek moet worden afgewezen. Mocht verzoekster kunnen aantonen dat de schulden zijn gemaakt voor noodzakelijke uitgaven en dat de schulden te goeder trouw zijn ontstaan, kan ING alsnog instemmen met de aangeboden regeling.
4. De beoordeling
5. De beslissing
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van ING bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of ING in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van ING een aandeel vormt in de totale schuldenlast van 17,19%.
Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk negentien van de twintig schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten IJsselgemeenten. Voorts is het voorstel goed en controleerbaar gedocumenteerd.
Het voorstel is het uiterste waartoe verzoekster in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster niet beschikt over betaald werk. Verzoekster ontvangt sinds 2010 een Wajong-uitkering. Verzoekster heeft in 2024 geprobeerd betaalde arbeid te verrichten voor 36 uur per week. Gelet op de psychische klachten is het voor haar op dit moment niet mogelijk om betaalde arbeid te verrichten. Het is voldoende aannemelijk geworden dat verzoekster in de komende jaren geen inkomen zal kunnen verwerven dat hoger is dan haar huidige inkomen. Door schuldhulpverlening is ter zitting verklaard dat aan alle waarborgen, die ervoor moeten zorgen dat verzoekster het maximale ten behoeve van haar schuldeisers zal afdragen, is voldaan.
Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de wettelijke schuldsaneringsregeling op verzoekster van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoekster zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden.
Ter zitting heeft verzoekster verklaard dat zij de contante opnames van haar creditcard heeft gebruikt om noodzakelijke uitgaven te doen. Zij heeft onder andere haar boetes bij het CJIB betaald. Ook is zij veroordeeld tot het volgen van een cursus in verband met rijden onder invloed. Die cursus was erg duur en heeft zij betaald met het contante geld. Verder heeft zij leningen van vriendinnen terugbetaald met het contante geld. Deze leningen zijn ontstaan doordat zij niet kon voorzien in haar primaire levensbehoeften. Zij is inderdaad zoals ING heeft aangevoerd op vakantie geweest met haar partner en heeft de kosten van die vakantie voorgeschoten met haar creditcard. Haar partner heeft deze kosten uiteindelijk contant aan haar terugbetaald. Dit contante geld heeft verzoekster ook weer gebruikt om rond te komen. Hoewel het niet kan worden vastgesteld wat verzoekster met het contante geld heeft gedaan, is onvoldoende duidelijk geworden of verzoekster de schuld die voortkomt uit de creditcard niet te goeder trouw heeft laten ontstaan. Nog los van de vraag welke rol de goede trouw speelt bij de belangenafweging in het kader van een dwangakkoord, geldt dat het enkele feit dat verzoekster contant geld heeft opgenomen en een vakantie heeft geboekt niet maakt dat het belang van ING bij weigering van de schuldregeling zwaarder moet wegen dan de belangen van verzoekster en de overige schuldeisers bij het slagen van de schuldregeling.
De belangen van verzoekster, die vanuit een stabiele situatie haar schuldenproblematiek wil oplossen, en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod wegen dan ook zwaarder dan die van ING, die geweigerd heeft in te stemmen.
Het verzoek om ING te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
ING zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoekster niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekster zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden en dat zij niet verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.
De rechtbank:
- beveelt ING om in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt ING in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.P. Pot, rechter, en in aanwezigheid van mr. J.A. Kuijvenhoven, griffier, in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026.