RECHTBANK ROTTERDAM
einduitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2026 in de zaak tussen
[naam eiser] , uit [woonplaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van Molenlanden, het college
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/6998
en
(gemachtigde: mr. J.C. Tebrugge en mr. C. Correa, werkzaam bij de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid).
Als derde-partij neemt aan het geding deel [bedrijf] te [locatie 1] ( [bedrijf] ), belanghebbende, (gemachtigde: mr. A. Danopoulos).
Procesverloop
1. Met het besluit van 29 september 2022 (het primaire besluit) heeft het college eisers handhavingsverzoek van 2 juni 2022 afgewezen.
Met het besluit van 19 september 2023 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is het college bij het primaire besluit gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. [bedrijf] heeft ook schriftelijk gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 18 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.C. Correa, bijgestaan door [persoon A] (inspecteur bij de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid ). [bedrijf] heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door [persoon B] (milieu adviseur bij [bedrijf] ) en [persoon C] (algemeen directeur [bedrijf] ).
In de tussenuitspraak van 15 december 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.
Bij brief van 9 februari 2026 heeft [bedrijf] een schriftelijke reactie ingediend.
Bij e-mail van 17 februari 2026 heeft eiser schriftelijk gereageerd.
De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 25 februari 2026 gesloten.
Overwegingen
2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij uit het navolgende uitdrukkelijk anders blijkt.
3. Nu in de tussenuitspraak al is beslist dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid (artikel 3:2 van de Awb) en onvoldoende is gemotiveerd (artikel 7:12 van de Awb), is het hiertegen gerichte beroep van eiser om deze reden al gegrond en zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank zal hieronder beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen blijven.
4. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank in rechtsoverweging 19.2. het volgende overwogen:
“(…) 19.2. De beroepsgrond van eiser slaagt. Naar het oordeel van de rechtbank is de door het college gemaakte belangenafweging vooral een opsomming van regels en redenen waarom [bedrijf] binnen de bestemming past. Uit de belangenafweging volgt niet wat de belangen van eiser zijn en hoe deze zijn afgewogen door het college. Ter zitting heeft het college desgevraagd toegelicht dat de belangen van eiser niet zodanig in het bestreden besluit zijn opgenomen. Het college heeft verwezen naar de aanvullende reactie van het college na de hoorzitting in bezwaar. De rechtbank stelt vast dat uit het advies van de bezwaarschriftencommissie volgt dat na de hoorzitting met partijen is afgesproken dat de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid op basis van een recente controle onderzoek heeft gedaan naar het productieoppervlak. Uit het dossier volgt dat de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid op 31 januari 2023 nadere stukken heeft overgelegd die zien op het productieoppervlak van [bedrijf] . Op 9 februari 2023 heeft eiser daar een reactie op ingediend en op 20 februari 2023 heeft [bedrijf] gereageerd. Van een aanvullende reactie van het college na de hoorzitting waaruit een belangenafweging zou volgen is de rechtbank niet gebleken. Nu de belangen van eiser onvoldoende zijn meegewogen in de belangenafweging is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een motiveringsgebrek. Dit betekent dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. (…)”
De rechtbank heeft in rechtsoverweging 21 het volgende overwogen:
“(…) 21. Om de gebreken te herstellen, moet het college een belangenafweging maken waaruit volgt dat de belangen van eiser zijn meegewogen. De rechtbank verwijst voor de belangen van eiser naar rechtsoverweging 19. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak. (…)”
5. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het college bij e-mail van 2 februari 2026 een nadere belangenafweging overgelegd. Het college heeft daarbij de belangen die eiser naar voren heeft gebracht besproken, waarbij het gaat om de aantasting van het woon- en leefklimaat. Het college is in dit kader ingegaan op geluid van metaalbewerking waaronder slijpwerkzaamheden en metalen slagen, transportbewegingen en werkzaamheden op ongebruikelijke tijdstippen, de door eiser genoemde werkzaamheden in de nachtelijke uren en op zondagen, alsmede zwaar transport in de avond- en nachtperiode. Daarnaast is ook ingegaan op de zorgen van eiser over de veiligheid en de gezondheid, onder meer vanwege opslag en verplaatsing van materialen, transport van grote tanks en de omgang met gevaarlijke stoffen. Ook de zorgen van eiser over de planologische toekomst van het gebied en de gevolgen van het toestaan van bedrijvigheid in een hogere milieucategorie is door het college als belang meegewogen.
De belangen van eiser zijn afgezet tegen het algemeen belang, de belangen van [bedrijf] en de beleids- en ruimtelijke belangen van het college. Het college heeft al deze belangen vervolgens afgewogen. Het college komt tot de conclusie dat handhavend optreden in dit geval, in afwachting van de vaststelling van de bestemmingsplannen, onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Handhaving zou volgens het college leiden tot (gedeeltelijke) stillegging van bedrijfsactiviteiten en daarmee tot aanzienlijke financiële en organisatorische gevolgen voor [bedrijf] , terwijl de belangen van eiser door het geldende milieukader, het toezicht en de recente planologische afweging voldoende worden beschermd. Het college vindt dat het individuele belang van eiser bij onmiddellijke beëindiging van de planologisch strijdige situatie in dit geval minder zwaar weegt dan het algemeen belang bij rechtszekerheid en het belang van [bedrijf] bij voortzetting van haar bedrijfsvoering in afwachting van de vaststelling van de bestemmingsplannen, die de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf] planologisch mogelijk maken met concreet zicht op legalisatie. De bestemmingsplannen zijn inmiddels vastgesteld. Hoewel het belang van eiser bij bescherming van zijn woon- en leefklimaat volgens het college zwaar weegt, leidt de samenloop van legalisatie, toezicht en planologische inpassing ertoe dat dit belang in dit specifieke geval niet doorslaggevend is. Het college ziet, gelet op het ontbreken van recent vastgestelde normoverschrijdingen, geen aanleiding om aanvullende maatwerkvoorschriften of werktijdbeperkingen te onderzoeken. Het college concludeert dat het, na een kenbare en evenwichtige afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid heeft kunnen besluiten om in dit geval af te zien van handhavend optreden. De belangen van eiser zijn daarbij niet miskend, maar wegen in dit geval niet zwaarder dan de gezamenlijke belangen van legalisatie, ruimtelijk beleid en evenredigheid.
Het college stelt vast dat de door eiser gestelde belangen veiligheid, gezondheid, bescherming tegen geluidhinder, nachtrust en het voorkomen van oneigenlijk gebruik voor bewoning niet zijn miskend, maar binnen afzonderlijke wettelijke kaders worden gereguleerd en bewaakt. Er zijn geen overtredingen vastgesteld die duiden op een structureel onveilige, gezondheidsbedreigende of anderszins onaanvaardbare situatie die noopt tot ingrijpen buiten het reguliere milieutoezicht. Het college weegt hierbij mee dat de locatie is gelegen binnen een industrieterrein dat is bedoeld voor zwaardere bedrijvigheid en dat in de directe omgeving reeds langere tijd bedrijven in een vergelijkbare milieucategorie aanwezig zijn. Een zekere mate van geluid, transport en industriële activiteit is op deze locatie ruimtelijk voorzienbaar.
6. [bedrijf] heeft op 9 februari 2026 een reactie ingediend op de aanvullende motivering van het college. [bedrijf] onderschrijft de aanvullende motivering van het college.
7. Bij e-mail van 17 februari 2026 heeft eiser een reactie ingediend op de aanvullende motivering van het college. Eiser voelt zich, kort gezegd, niet gehoord en stelt dat zijn belangen niet wordt gewogen.
8. De rechtbank is van oordeel dat het college met de aanvullende motivering de afweging van de betrokken belangen toereikend heeft gemotiveerd en dat het college zich op basis hiervan in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat daarvan behoort te worden afgezien. De rechtbank is van oordeel dat het college zich daarbij op het standpunt heeft kunnen stellen dat de belangen van [bedrijf] en de beleids- en ruimtelijke belangen zwaarder wegen dan die van eiser. Ook de omstandigheid dat de bestemmingsplannen reeds zijn vastgesteld heeft het college zwaar mogen meewegen. Anders dan eiser betoogt, stelt de rechtbank vast dat het college de belangen van eiser heeft meegewogen. Uit wat hiervoor onder 14 is opgenomen blijkt dat het college rekening heeft gehouden met de door eiser gestelde aantasting van zijn woon- en leefklimaat en de zorgen van eiser over de veiligheid en de gezondheid. Wat dit laatste betreft heeft het college erop gewezen dat bescherming van veiligheid en gezondheid binnen het geldende toezicht- en handhavingskader wordt gewaarborgd. Ten aanzien van geluidhinder is opgemerkt dat voor vergunninghouder geluidgrenswaarden gelden en dat als sprake is van een overschrijding van de normen daartegen kan worden opgetreden. Ook de zorgen van eiser over de planologische toekomst van het gebied en de gevolgen van het toestaan van bedrijvigheid in een hogere milieucategorie is door het college als belang meegewogen.
9. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij de belangen van eiser onvoldoende zijn meegewogen in de belangenafweging. Omdat het college in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover dat wordt vernietigd, in stand.
10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
11. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij de belangen van eiser onvoldoende zijn meegewogen in de belangenafweging;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M.J. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. H.M. Hsu, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.