ECLI:NL:RBROT:2026:6580

ECLI:NL:RBROT:2026:6580

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 11-05-2026
Datum publicatie 08-06-2026
Zaaknummer C/10/697010 / FA RK 25-2489
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Kinderalimentatie. Inkomen nieuwe echtgenoot moeder (stiefouder) wordt buiten beschouwing gelaten. Anticipatie op wetsvoorstel nu juridische ouders voldoende draagkracht hebben om in de behoefte van de minderjarigen te voorzien.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

Zaaknummer / rekestnummer: C/10/697010 / FA RK 25-2489

Beschikking van 11 mei 2026 over de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de onderhoudsbijdrage

in de zaak van:

[naam man] , hierna: de man,

wonende te [woonplaats] (gemeente [gemeente] ),

advocaat mr. C.G.M. Baas te Bergen op Zoom,

t e g e n

[naam vrouw] , hierna: de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat mr. L.M. Baltazar de Seixas te Spijkenisse.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 1 april 2025;

het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 26 mei 2025;

de brief met bijlagen van de man van 15 januari 2026;

de brief met bijlagen van de vrouw van 15 januari 2026;

het verweerschrift op het zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 30 maart 2026;

de brief van de vrouw met bijlage van 2 april 2026.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 13 april 2026. Daarbij zijn verschenen:

de man, bijgestaan door zijn advocaat;

de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] .

Na de mondelinge behandeling is op verzoek van de rechtbank binnengekomen:

- de brief met bijlagen van de vrouw van 14 april 2026.

De minderjarigen zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. [voornaam minderjarige 2] heeft op 9 maart 2026 een gesprek met de kinderrechter gehad. [voornaam minderjarige 1] heeft hier geen gebruik van gemaakt.

2. De vaststaande feiten

Het geregistreerd partnerschap van partijen is op 24 maart 2016 ontbonden door inschrijving van de beschikking van 11 maart 2016 in de registers van de burgerlijke stand.

Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats] ;

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2009 te [geboorteplaats] .

Het ouderlijk gezag over de minderjarigen wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.

Partijen hebben een ouderschapsplan opgesteld, dat zij op 26 februari 2016 hebben ondertekend. Dit ouderschapsplan is opgenomen in de beschikking van de rechtbank Overijssel van 11 maart 2016. Partijen hebben daarna op meerdere momenten aanvullende afspraken gemaakt.

Bij beschikking van deze rechtbank van 6 december 2022 zijn de beschikking van de rechtbank Overijssel van 11 maart 2016 en het daarin opgenomen ouderschapsplan en alle daarna gemaakte aanvullende afspraken gewijzigd, in die zin dat de minderjarigen, in beginsel, om de week het weekend waarin de halfzusjes van de minderjarigen bij de vrouw zijn, bij de vrouw verblijven en het andere weekend bij de man van vrijdag 19.00 uur tot zondag 18.30 uur, waarbij de man de minderjarigen ophaalt bij de vrouw en hen ook weer terugbrengt bij de vrouw. Indien het weekend waarin de minderjarigen bij de man verblijven valt in een Paas- of Pinksterweekend, zullen de minderjarigen van vrijdagavond 19.00 uur tot maandagavond 18.30 uur bij de man verblijven. Indien de man niet in staat is de minderjarigen gedurende de weekendregeling naar een wedstrijd/evenement te brengen, zal dit tijdig in onderling overleg tussen partijen worden opgelost door hantering van het schema van de vrouw. Ook is het volgende vastgesteld:

- de minderjarigen verblijven in de zomervakantie in de oneven jaren de eerste drie

weken bij de man en in de even jaren de laatste drie weken, waarbij de man de minderjarigen op woensdag 13.00 uur terugbrengt;

de minderjarigen verblijven de helft van de voorjaarsvakantie, aansluitend op het reguliere weekend van de man bij de man;

de minderjarigen verblijven de helft van de meivakantie bij de man, waarbij voor beide minderjarigen uitgegaan wordt van een week meivakantie;

de minderjarigen verblijven op Koningsdag bij de vrouw. Indien de kinderen die dag volgens de zorgregeling bij de man verblijven, dienen de kinderen om 09.00 uur op Koningsdag bij de vrouw te worden gebracht en kunnen zij de dag erna om 11.00 uur door de man worden opgehaald;

Oud en Nieuw 2022 verblijven de minderjarigen bij de vrouw en vervolgens om en

om bij de man en bij de vrouw.

In voornoemde beschikking van 6 december 2022 is de beschikking van de rechtbank Overijssel van 11 maart 2016 en het daarin opgenomen ouderschapsplan gewijzigd, in die zin dat de tussen partijen overeengekomen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen met ingang van heden wordt bepaald op € 211,- per maand per kind.

3. De beoordeling

Zorgregeling

De vrouw verzoekt wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 6 december 2022, in die zin dat de zorgregeling tussen de man en [voornaam minderjarige 2] wordt opgeschort en in die zin dat:

[voornaam minderjarige 1] om de week van vrijdag 19:00 uur tot zondag 19:00 uur bij de man zal verblijven, waarbij [voornaam minderjarige 1] in de weekenden dat haar halfzusjes bij de vrouw zijn, ook bij de vrouw verblijft (de man haalt [voornaam minderjarige 1] op en brengt haar terug bij de vrouw);

[voornaam minderjarige 1] in de kerstvakantie bij de man verblijft van 1e kerstdag 11:00 uur tot 21:00 uur, alsmede gedurende Oud en Nieuw en de voorjaarsvakantie bij de vrouw;

[voornaam minderjarige 1] in de meivakantie conform de reguliere weekendregeling bij de man verblijft;

[voornaam minderjarige 1] gedurende de zomervakantie in de oneven jaren bij de man verblijft van vrijdag 19:00 uur (in week 1) t/m vrijdagavond 13:00 uur en in de even jaren van zondagavond 19:00 uur t/m zondagavond 19:00 uur.

De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 6 december 2022, in die zin dat:

de man en [voornaam minderjarige 1] omgang hebben met elkaar om het weekend van vrijdag 19:00 uur tot zondag 19:00 uur;

de man en [voornaam minderjarige 1] in de kerstvakantie omgang hebben met elkaar vanaf kerstavond 17.00 uur tot en met 1e kerstdag 21.00 uur en om het jaar met oud en nieuw waarbij [voornaam minderjarige 1] op oudjaar om 15.00 uur bij de man verblijft tot en met 1 januari 19.00 uur, althans een regeling welke de rechtbank juist acht;

dat de man en [voornaam minderjarige 1] in de voorjaarsvakantie omgang met elkaar hebben vanaf woensdag 19.00 uur tot en met zondagavond 19.00 uur, althans een regeling welke de Rechtbank juist acht;

dat de meivakantie bij helfte verdeeld zal worden, althans een regeling welke de Rechtbank juist acht;

[voornaam minderjarige 1] en de man in de zomervakantie omgang hebben de eerste drie weken in de even jaren vanaf vrijdag 19.00 uur t/m 3 weken later vrijdag 19.00 uur en in de oneven even jaren de laatste drie weken vanaf vrijdag 19.00 uur tot en met woensdag in de laatste week 19.00 uur, althans een regeling welke de Rechtbank juist acht.

Met partijen is tijdens de mondelinge behandeling gesproken over de zorgregeling. De man berust, hoe pijnlijk hij het ook vindt, in de wens van [voornaam minderjarige 2] om op dit moment geen structureel contact met de man te hebben. Verder hebben partijen grotendeels overeenstemming bereikt over de zorgregeling tussen de man en [voornaam minderjarige 1] , behalve voor wat betreft de verdeling van Oud en Nieuw. De man wenst dat [voornaam minderjarige 1] om het jaar bij hem verblijft tijdens Oud en Nieuw en de vrouw wenst dat [voornaam minderjarige 1] ieder jaar met Oud en Nieuw bij haar is. De rechtbank overweegt dat het voor [voornaam minderjarige 1] belangrijk is dat zij regelmatig contact heeft met haar vader. Daar hoort ook een feestdag als Oud en Nieuw bij. De rechtbank zal dit verzoek van de man dan ook toewijzen, met dien verstande dat de rechtbank er vanuit gaat dat de man rekening houdt met de wensen van [voornaam minderjarige 1] , zeker als zij wat ouder is. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de beschikking van 6 december 2022 ten aanzien van de zorgregeling wijzigen zoals door ouders overeengekomen, met inachtneming van de beslissing over Oud en Nieuw.

Onderhoudsbijdrage

De man verzoekt wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 6 december 2022 in die zin dat de in die beschikking vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen met ingang van 1 juli 2024, althans indiening verzoekschrift (1 april 2025) wordt bepaald op een bedrag van € 50,- per maand per kind.

De vrouw voert gemotiveerd verweer.

Op grond van artikel 1:401 lid 1 BW kan een rechterlijke uitspraak of overeenkomst over levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Deze wettelijke maatstaven zijn de behoeften van de alimentatiegerechtigde en de draagkracht van de alimentatieplichtige (artikel 1:397 lid 1 BW). Niet elke wijziging van omstandigheden is voldoende voor wijziging van de onderhoudsbijdrage. Alleen die wijzigingen waardoor het aanvankelijk vastgestelde of overeengekomen bedrag niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven, zijn in dit opzicht rechtens relevant. Volgens vaste jurisprudentie moet in geval van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden een volledige herbeoordeling plaats vinden aan de hand van alle op dat moment bestaande omstandigheden.

Wijziging van omstandigheden

De man legt aan zijn verzoek ten grondslag dat de vrouw opnieuw is gehuwd en dat deze stiefouder gelet op 1:395 BW nu ook onderhoudsplichtig is geworden voor de minderjarigen.

De vrouw voert gemotiveerd verweer. De vrouw stelt dat moet worden vooruitgelopen op het plan van de wetgever om de stiefouderverplichting af te schaffen en dat de draagkracht van haar nieuwe partner dus niet in de berekening moet worden betrokken.

De rechtbank volgt de vrouw in haar stelling om haar nieuwe partner buiten beschouwing te laten en anticipeert daarbij op het voorliggende wetsvoorstel, waarin wordt voorgesteld om de onderhoudsplicht van stiefouders af te schaffen. Hoewel deze wet nog niet is aangenomen, zal de rechtbank hierop vooruitlopen, ook gelet op hetgeen hierna wordt overwogen.

Gelet op het bepaalde in artikel 1:395 BW, is de stiefouder verplicht onderhoud te verstrekken aan de tot zijn gezin behorende kinderen van zijn echtgenoot. Uit de parlementaire geschiedenis over dat artikel volgt dat als de onderhoudsverplichting van de stiefouder samenvalt met die van de ouder van de kinderen de verplichtingen ter zake van onderhoud in beginsel van gelijke rang zijn. Uit vaste rechtspraak volgt echter ook dat indien de onderhoudsverplichting van de stiefouder samenvalt met die van de ouder van de kinderen op grond van artikel 1:397 lid 2 BW, de omvang van ieders onderhoudsverplichting afhangt van de omstandigheden van het geval, waarbij als belangrijke factoren in het bijzonder gelden het gegeven dat tussen de ouder en het kind een nauwere verwantschap bestaat dan tussen de stiefouder en het stiefkind, de draagkracht van de ouder en de stiefouder en de feitelijke verhouding tot ieder van de onderhoudsplichtigen. Het betrekken van het inkomen van een nieuwe partner is dus maatwerk.

De rechtbank wijst op de uitspraak van het hof Den Haag van 8 januari 2025 (ECLI:NL:GHDHA:2025:93) waarin wordt overwogen dat een redelijke wetstoepassing met zich mee brengt dat bij voldoende draagkracht een wijziging in de inkomens- of gezinssituatie van partijen nog geen relevante wijziging van omstandigheden vormt die noopt tot herberekening en aanpassing van de overeengekomen onderhoudsbijdrage en een andere onderlinge verdeling van de kosten van de kinderen. In voornoemde uitspraak ging het om de geboorte van een “nieuw” kind, maar de rechtbank past deze uitspraak analoog op toe op onderhavige situatie. Ook in dit geval is er een wijziging in de gezinssituatie van de vrouw, maar is er bij de juridische ouders zelf ook ruim voldoende draagkracht. In de beschikking van 6 december 2022 is de behoefte van de minderjarigen immers vastgesteld op € 965,- per maand en de gezamenlijke draagkracht van partijen op € 1.469,- per maand. Nu evident is dat de man en de vrouw samen al meer dan ruimschoots in de kosten van de minderjarigen kunnen voorzien, ziet de rechtbank geen gronden om de draagkracht van de nieuwe partner van de vrouw in de berekening mee te nemen.

Omdat de onderhoudsverplichting van de nieuwe partner van de vrouw buiten beschouwing zal worden gelaten, oordeelt de rechtbank dat er geen sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden. Het verzoek van de man tot wijziging van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen zal dan ook worden afgewezen.

Proceskosten

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank:

wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 6 december 2022 ten aanzien van de zorgregeling, in die zin dat de zorgregeling tussen de man en [voornaam minderjarige 2] wordt opgeschort en de zorgregeling ten aanzien van [voornaam minderjarige 1] in stand blijft, met dien verstande dat:

de zomervakantieregeling tot vrijdag 13:00 uur zal duren;

het wisselmoment in de voorjaarsvakantie op woensdag om 19:00 uur zal zijn;

de meivakantie bij helfte zal worden verdeeld en [voornaam minderjarige 1] dus één week bij de man zal verblijven aansluitend op het weekend dat zij al bij de man verbleef;

[voornaam minderjarige 1] in de even jaren van kerstavond 17:00 uur tot eerste kerstdag 21:00 uur en in de oneven jaren op eerste kerstdag van 11:00 tot 21:00 uur bij de man verblijft;

[voornaam minderjarige 1] in de oneven jaren vanaf 31 december om 15:00 uur tot 1 januari om 19:00 uur bij de man verblijft;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.C.A. de Groot, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. E.A.C. van Dijk, griffier, op 11 mei 2026.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. E.A.C. van Dijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand