Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/717629 / FA RK 26-2699
Beschikking van 13 mei 2026 over voorlopige voorzieningen
in de zaak van:
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] (gemeente [gemeente] ),
advocaat mr. R.A. van den Heuvel te Rijswijk,
t e g e n
[naam man] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats] (gemeente [gemeente] ),
advocaat mr. J. Todorov te Maasdijk.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 20 maart 2026;
het aanvullend verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 22 april 2026;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift, met bijlagen, ingekomen op 23 april 2026.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 29 april 2026. Gelijktijdig zijn de verzoeken van de man om voorlopige voorzieningen te treffen in het kader van artikel 223 Rv behandeld (zaak- en rekestnummer C/10/715475 / FA RK 26-1505), in welke zaak afzonderlijk uitspraak zal worden gedaan. Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] .
2. De vaststaande feiten
Partijen zijn op 10 november 2025 een geregistreerd partnerschap aangegaan.
Het minderjarige kind van partijen is [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 te [geboorteplaats] .
De vrouw heeft in het inleidende verzoekschrift ook een verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap gedaan. Dat verzoek is afgesplitst en bekend onder zaak- en rekestnummer C/10/716551 / FA RK 26-2139.
3. De beoordeling
Toevertrouwing van de minderjarige
Partijen zijn het erover eens dat de minderjarige voor de duur van de procedure strekkende tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap wordt toevertrouwd aan de vrouw. De rechtbank zal deze overeenstemming in de beschikking opnemen.
Zorgregeling
De vrouw verzoekt een regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen, waarbij het volgende geldt:
de minderjarige verblijft bij de vrouw (bij de grootouders aan moederszijde);
de man bezoekt de minderjarige bij de ouders van de vrouw thuis, in Bodegraven, onder begeleiding van één van de (stief)ouders van de vrouw op maandag en donderdag voor de duur van 30 minuten;
het bezoekmoment vindt plaats tussen 10:00 uur en 17:00 uur;
de vrouw zal niet aanwezig zijn bij de contactmomenten met de man en de minderjarige;
de man stemt van tevoren af hoe laat hij langskomt met de (stief)vader van de vrouw, zodat de ouders van de vrouw ervoor kunnen zorgen dat zij aanwezig zijn. Als de man zich te laat meldt, of als de ouders van de vrouw beiden niet in staat zijn de omgang te begeleiden, dan gaat de omgang niet door.
Daarnaast verzoekt de vrouw een raadsonderzoek naar de zorgregeling te gelasten.
De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt de voorlopige zorgregeling als volgt vast te stellen:
de minderjarige verblijft iedere maandag en woensdag en zaterdag en zondag in de even weekenden van 10.00 uur tot 17.00 uur bij de man;
de ouder bij wie de minderjarige verblijft, is verantwoordelijk voor het brengen van de minderjarige naar de andere ouder.
Ten aanzien van het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de minderjarige bij haar verblijft, is de rechtbank van oordeel dat de vrouw daar geen belang meer bij heeft gelet op de overeenstemming die partijen daarover hebben bereikt.
De vrouw heeft ter onderbouwing van haar verzoek gesteld dat er tijdens de relatie sprake was van intieme terreur en dat zij tot op heden controle van de man ervaart. De man heeft dit gemotiveerd en onderbouwd betwist.
De rechtbank kan, zeker ook in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure, niet vaststellen dat er sprake is geweest van intieme terreur. Ter voorkoming van ruis verstaat de rechtbank daaronder, onder verwijzing naar het boek ‘Met liefde heeft het niets te maken’, dat de man er doelbewust op uit was om de vrouw volledig aan zich te onderwerpen en haar, bij wijze van spreken, tot krijgsgevangene te maken door haar te kleineren, te isoleren en haar tot ‘ding’ te reduceren. De rechtbank kan tenminste, dat wil zeggen als minimum, wel vaststellen dat partijen de relatie heel anders hebben ervaren. Dat leidt tot wederzijds wantrouwen, waarbij de vrouw de zorg voor de minderjarige niet onbegeleid aan de man durft toe te vertrouwen en de man op eieren loopt. Met als gevolg dat de minderjarige haar vader sinds 1 februari 2026 niet meer heeft gezien. De vrouw maakt op de rechtbank een zeer overbelaste indruk, wat niet alleen voor haarzelf zorgelijk is maar zeker ook omdat de minderjarige op dit moment voor haar verzorging volledig van haar moeder afhankelijk is. De vrouw heeft aangegeven op dit moment zelfs nog geen ruimte te hebben om hulp voor zichzelf in te schakelen, terwijl de rechtbank dat juist noodzakelijk acht. De man maakt op de rechtbank een machteloze indruk zonder daar vooralsnog op negatieve wijze naar te gaan handelen. Hij heeft inmiddels gesprekken met de praktijkondersteuner van de huisarts die hem helpt te reflecteren. Van hulpverlening aan partijen samen, om te leren hoe zij samen de best mogelijke ouders voor de minderjarige kunnen zijn, is nog helemaal geen sprake.
De rechtbank moet een beslissing nemen over het contact tussen de man en de minderjarige. Ook de vrouw staat daar gelukkig voor open, waar zij een groot compliment voor verdient. Het geschil tussen partijen gaat over al dan niet begeleiding van het contact, de duur, frequentie en locatie van het contact. Partijen hebben ingestemd met een verwijzing via het Uniform Hulpaanbod naar omgangsbegeleiding. De rechtbank verwijst daarvoor naar rechtsoverweging 3.2.9 en verder.
Voorlopige zorgregeling
Ook zijn partijen overeengekomen dat er twee eerste contactmomenten zullen zijn, tussen de datum van de mondelinge behandeling en de beschikking. Dat laat zien dat partijen in staat zijn in het belang van de minderjarige te denken. Met dat belang als uitgangspunt zal de rechtbank beslissen hoe de regeling wordt voortgezet na die eerst twee contactmomenten, parallel aan de contactmomenten bij de omgangsbegeleiding. Dat laatste houdt in dat de door de rechtbank vastgelegde voorlopige zorgregeling loopt naast de contactmomenten bij de omgangsbegeleiding en na afloop van de omgangsbegeleiding ook doorloopt tenzij partijen samen iets anders zijn overeengekomen. Uit het hiernavolgende zal blijken dat de rechtbank een regeling vaststelt op maandagen en woensdagen. In het geval op de maandag of woensdag een contactmoment wordt afgesproken bij de omgangsbegeleiding, dan is dat tijdelijk ter vervanging van het contactmoment dat door de rechtbank voor die dag is vastgelegd. In elk ander geval dient de zorgregeling die door de rechtbank wordt vastgelegd uitgevoerd te worden.
Het belang van de minderjarige is dat zij hernieuwd kennis kan maken met haar vader en ook met hem vertrouwd kan raken als opvoeder en verzorger. De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat er geen twijfels zijn aan de pedagogische vaardigheden van de ouders maar dat het gaat om het wantrouwen tussen hen. Voor de minderjarige is volgens de raad van belang dat het contact op korte termijn wordt hervat en daarna duurzaam kan plaatsvinden waarbij ook de man op enig moment zorghandelingen kan gaan verrichten. De rechtbank verstaat daaronder in ieder geval voeden, verschonen en het slaapritueel. De rechtbank heeft bij de hierna te nemen beslissing zo goed mogelijk rekening gehouden met dit belang van de minderjarige en met het belang van de man om contact te hebben met zijn dochter, zonder de draagkracht van de vrouw als hoofdopvoeder uit het oog te verliezen. Dit resulteert in een regeling die de man mogelijk als betuttelend, te langzaam en te weinig ervaart en de vrouw juist als risicovol, te snel en te veel zal ervaren. Het belang van de minderjarige is evenwel dat zij, juist ook in deze fase van haar leven, na de hernieuwde kennismaking, regelmatig contact heeft met haar vader die ook verzorgings- en opvoedingstaken moet kunnen uitoefenen. Van ouders in algemene zin kan verwacht worden dat zij hun eigen belangen opzijzetten voor die van de minderjarige. Complicerende factor is dat partijen inmiddels feitelijk op bijna een uur reisafstand van elkaar verblijven en de vrouw heeft aangegeven nog niet over een geschikt vervoersmiddel te beschikken. De rechtbank geeft partijen mee dat het in het belang van de minderjarige is dat de hernieuwde kennismaking en het daaropvolgend contact met de man goed en zonder spanning verloopt, met als bijkomend voordeel dat het wantrouwen tussen partijen langzaam maar zeker zal afnemen. De rechtbank gunt de minderjarige en haar ouders deze ervaring in plaats van dat de strijd toeneemt en zij nog jarenlang in gerechtelijke procedures verwikkeld blijven met alle stress van dien, vooral voor de minderjarige.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen overeengekomen dat er op maandag 4 en 11 mei 2026 tussen 11.00 uur en 15.00 uur gedurende een uur contact is tussen de man en de minderjarige in de woning van de (stief)ouders van de vrouw, in aanwezigheid van de vader van de man en de stiefvader van de vrouw. De rechtbank zal beslissen deze regeling ook op 18 mei 2026 voort te zetten zodat deze beschikking bij de vrouw niet direct tot al te grote spanning leidt en zij even aan het idee kan wennen.
Vanaf woensdag 20 mei 2026 zal de minderjarige drie weken lang op woensdag (20 en 27 mei en 3 juni 2026) en maandag (25 mei, 1 en 8 juni 2026) tussen 11.00 uur en 15.00 uur gedurende één à twee uren, afhankelijk van het ritme van de minderjarige, bij de man verblijven in de omgeving van Bodegraven, waarbij enkel de man en zijn vader aanwezig zullen zijn. Aangezien de stiefvader van de vrouw op de woensdagen niet beschikbaar is om het contact tussen de man en de minderjarige te begeleiden, is het aan de vrouw te bepalen of zij de minderjarige zelf aan de man of zijn vader overdraagt of dat zij dat via een derde doet. De rechtbank acht enige begeleiding in dit stadium nog noodzakelijk, omdat het voor de vrouw van belang is dat niet te snel te grote stappen worden genomen en het vertrouwen in de man groeit.
Vanaf woensdag 10 juni 2026 verblijft de minderjarige, die dan inmiddels bijna zes maanden oud is, wederom drie weken lang op woensdag (10, 17 en 24 juni 2026) en maandag (15, 22 en 29 juni 2026) vanaf 11.00 uur bij de man. Het is de bedoeling dat de man de minderjarige om 11.00 uur ophaalt in Bodegraven en uiterlijk om 15.00 uur begint met terugrijden naar Bodegraven om de minderjarige weer naar huis te brengen. De minderjarige kan op de terugreis in de auto slapen. Het staat de man vrij om tijd met de minderjarige door te brengen in Hoek van Holland. Gelet op de reistijd tussen de verblijfplaatsen van partijen en het feit dat de vrouw de draagkracht en mogelijkheid niet heeft om heen en weer te rijden, heeft de rechtbank beslist dat de man het halen en brengen van de minderjarige in dit stadium voor zijn rekening neemt.
De rechtbank heeft overwogen om als volgende stap in de uitbreiding te kiezen voor een dag in het weekend, zodat de man de minderjarige meer kan betrekken bij zijn sociaal leven. Omdat het een weekend per veertien dagen betreft, is een dergelijke uitbreiding in dit stadium van de opbouw naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Daarom bepaalt de rechtbank dat vanaf woensdag 1 juli 2026 de zorgregeling op maandag en woensdag in duur wordt uitgebreid naar zeven uren van 10.00 uur tot 17.00 uur, waarbij de man nog steeds het halen en brengen van de minderjarige voor zijn rekening neemt.
Vanaf 8 augustus 2026 wordt de zorgregeling uitgebreid met de zaterdag in de even week van 10.00 uur tot 17.00 uur. Aan het einde van de opbouw heeft de man dus de ene week twee dagen en de andere week drie dagen van 10.00 tot 17.00 uur de zorg voor de minderjarige inclusief (enige) reistijd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw aangegeven vanaf eind augustus 2026 weer te beginnen met werken. Gelet op dit vooruitzicht zal de rechtbank beslissen dat de vrouw vanaf 8 augustus 2026 de minderjarige ophaalt of laat ophalen bij de man.
Doorverwijzing omgangsbegeleiding
Zoals eerder overwogen zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen deel te nemen aan het hulpverleningstraject omgangsbegeleiding, zoals is vermeld in het proces-verbaal dat partijen hebben ontvangen. Dit proces-verbaal is al verstuurd naar het routeringspunt voor aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal ook een kennisgeving van deze beschikking versturen naar het routeringspunt.
De rechtbank verzoekt de uitvoerende hulpverleningsinstantie om, zoals tijdens de mondelinge behandeling met partijen is besproken, het eindverslag over het verloop van het hulpverleningstraject in te dienen in de bodemprocedure met zaaknummer/rekestnummer C/10/716551 / FA RK 26-2139 op de hierna genoemde manier.
Als het hulpverleningstraject is beëindigd, zal de hulpverleningsinstantie het eindverslag versturen naar het routeringspunt. Het routeringspunt zal zorgdragen voor verzending van dit eindverslag aan de rechtbank onder vermelding van het zaaknummer/rekestnummer van de bodemprocedure C/10/716551 / FA RK 26-2139. De rechtbank zal, als het hulpverleningstraject is geslaagd, partijen en hun advocaten in de gelegenheid stellen om binnen een termijn van twee weken schriftelijk te reageren op het eindverslag. Na ontvangst van de reactie van (de advocaten van) partijen geeft de rechtbank aan hoe er verder geprocedeerd zal worden.
Als het hulpverleningstraject voortijdig is beëindigd of de doelen niet (geheel) zijn behaald, zal het routeringspunt het eindverslag ook sturen aan de raad. De raad zal aan de hand van het eindverslag van de hulpverleningsinstantie bezien of een raadsonderzoek noodzakelijk wordt geacht. De raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van het eindverslag de rechtbank te informeren of een raadsonderzoek noodzakelijk wordt geacht.
Een raadsonderzoek blijft achterwege als de rechter meent voldoende ingelicht te zijn om een eindbeschikking te geven. De rechtbank zal de raad hierover berichten binnen uiterlijk een week nadat de raad de rechtbank heeft geïnformeerd over de noodzakelijkheid van een raadsonderzoek. De rechtbank bericht de raad slechts als zij geen raadsonderzoek nodig acht.
Als de rechtbank met de raad een onderzoek noodzakelijk acht, geldt deze beschikking als een voorwaardelijke opdracht aan de raad om onderzoek te verrichten, als het hulpverleningstraject (deels) niet is geslaagd. De raad wordt verzocht dit onderzoek te verrichten en daarvan bij de rechtbank, uiterlijk binnen vier maanden, een raadsrapport in te dienen. In dat geval volgt dus een aanhouding van de zaak.
Gelet op het vorenstaande wordt de raad voorwaardelijk verzocht om, als het eindverslag van de hulpverleningsinstantie daartoe aanleiding geeft, aan de rechtbank advies uit te brengen ter beantwoording van de volgende vragen:
Welke zorgregeling komt het meest tegemoet aan het belang van de minderjarige?
Hoe moet de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven worden?
Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om in het advies te vermelden?
Na ontvangst van het raadsrapport zullen partijen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld hierop binnen een termijn van twee weken schriftelijk te reageren en zich uit te laten of zij een nieuwe mondelinge behandeling wensen.
Ten aanzien van het verzoek van de vrouw om een raadsonderzoek te gelasten: omdat partijen twee eerste omgangsmomenten zijn overeengekomen, hebben ingestemd met een verwijzing naar omgangsbegeleiding en de rechtbank in staat is om een voorlopige regeling vast te stellen, ziet de rechtbank op dit moment geen reden om, vooruitlopend op de voorwaardelijke opdracht in het kader van de doorverwijzing, nu al een raadsonderzoek te gelasten.
Onderhoudsbijdrage
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift moet bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige met een bedrag van € 461,- per maand.
De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt te bepalen dat hij een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige dient te voldoen van € 175,- per maand met ingang van de datum van deze beschikking.
De ingangsdatum
Artikel 822 lid 2 Rv bepaalt dat uitgangspunt voor de ingangsdatum van de door de rechtbank vastgestelde voorlopige voorzieningen de dag van de dagtekening van de beschikking geldt.
De vrouw stelt dat de man vanaf 20 maart 2026 (datum van indiening verzoekschrift) rekening heeft kunnen houden met een eventuele vaststelling van de kinderbijdrage en dat de ingangsdatum op die datum moet worden vastgesteld. Echter, tijdens de mondelinge behandeling is de rechtbank duidelijk geworden dat de man de gehele woonlasten van de echtelijke woning en de helft van de gezamenlijke woning in aanbouw voor zijn rekening heeft genomen, terwijl de vrouw de andere helft van de woonlasten van de woning in aanbouw en de volledige lasten voor de minderjarige op zich heeft genomen. Door de vrouw is niet weersproken dat zij geen woonlasten bij haar ouders betaalt.
Onder die omstandigheden ziet de rechtbank onvoldoende reden om af te wijken van het wettelijk uitgangspunt. Daarom zal de rechtbank het uitgangspunt volgen en de datum van deze beschikking als ingangsdatum vaststellen.
De behoefte
Tussen partijen is niet in geschil dat het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarige (hierna: de behoefte van de minderjarige) € 1.036,- per maand bedraagt.
Draagkrachtberekening
Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarige tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht.
Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld worden.
Gezien de ingangsdatum van de vaststelling van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2026-1.
De rechtbank overweegt ten aanzien van het huidige NBI van de man als volgt. De vrouw gaat uit van een geschat jaarinkomen van € 68.561,-. Dat bedrag is, volgens een door de vrouw overgelegd bewijsstuk, opgegeven bij het aangaan van een hypothecaire geldlening. Dat de man zijn beschikbaarheid als ME’er zou hebben opgegeven, dient voor zijn rekening en risico te komen. De man betwist dit laatste: hij is nog steeds beschikbaar als ME’er, maar heeft zelf geen invloed op hoe vaak hij wordt ingezet. De man stelt dat zijn draagkracht berekend dient te worden op basis van zijn gemiddelde inkomen over januari en februari 2026, door hem gesteld en gemotiveerd op € 63.504,-. Uit zijn jaaropgaaf 2025 blijkt een bedrag van € 63.085,- zodat voornoemd bedrag geen onredelijk uitgangspunt is, aldus de man. De vrouw stelt dat de man van een te laag bedrag uitgaat en handhaaft haar standpunt. Daarin gaat de rechtbank niet mee. Het had op de weg van de vrouw gelegen om op basis van de beschikbare salarisgegevens van de man haar standpunt nader te motiveren.
Tijdens de mondelinge behandeling is namens de man naar voren gebracht dat hij aanspraak zal maken op ouderschapsverlof. Het is de rechtbank niet inzichtelijk gemaakt welk gevolg het opnemen van ouderschapsverlof heeft voor het inkomen van de man, zodat de rechtbank daar geen rekening mee zal houden.
De rechtbank bepaalt dan ook (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de man over het jaar 2026 op € 3.636,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties):
- basisloon € 63.504,- per jaar
- pensioenpremie € 4.056,- per jaar
- AOP en AOV € 372,- per jaar.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting;
- de arbeidskorting.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man naar voren gebracht dat hij dubbele woonlasten heeft, maar bereid is deze buiten beschouwing te laten. De rechtbank zal daarom zoals gebruikelijk de draagkracht met de forfaitaire woonlast (0,3 x NBI) berekenen. De draagkracht van de man wordt dan, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 826,- per maand.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de vrouw over het jaar 2026 op € 3.958,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties):
- basisloon minus ouderschapsverlof € 3.891,- per maand (4.592 – 701)
- vakantiegeld 8% op jaarbasis
- periodieke uitbetaling LPB € 110,67 per maand
- oktobertoelage € 18,65 per maand (gemiddelde van februari t/m april 2026)
- eindejaarsuitkering € 353,68 per maand (gemiddelde van februari t/m april 2026)
- premie AOP € 12,38 per maand
- premie NP € 336,47 per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting;
- de arbeidskorting;
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
Rekening is gehouden met het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop van € 358,- per maand, waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft.
De draagkracht van de vrouw wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 984,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarige moet de behoefte over partijen worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het deel van de man bedraagt: € 826 / € 1.810 x € 1.036 = € 473
het deel van de vrouw bedraagt: € 984 / € 1.810 x € 1.036 = € 563 +
samen € 1.036.
Van de totale behoefte van de minderjarige komt dus een gedeelte van € 473,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 563,- per maand voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
De man stelt aanspraak te kunnen maken op toepassing van een zorgkorting van 25%. De vrouw voert verweer.
Gezien de nu vast te stellen zorgregeling gaat de rechtbank ervan uit dat de man, na opbouw, gemiddeld twee en een halve dag per week de zorg heeft voor de minderjarige. Hierbij hoort in beginsel een zorgkorting van 25%. Omdat de zorgdagen van de man volgens de nu vast te stellen zorgregeling geen volledige dagen betreffen en de vrouw dus ook op zorgdagen van de man nog kosten voor de minderjarige zal moeten maken, acht de rechtbank een zorgkorting van 15% passender.
Omdat de behoefte van de minderjarige € 1.036,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 155,- per maand.
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarigen, wordt de eerder berekende bijdrage van de man verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen € 318,- per maand.
Conclusie
Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige van € 318,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.
Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.
Woning
De man verzoekt te bepalen dat hij met uitsluiting van de vrouw gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning met inbegrip van de inboedel.
De vrouw weerspreekt het verzoek niet met uitzondering van het moment dat zij haar goederen voor dagelijks gebruik en die van de minderjarige wil ophalen, maar zij voert gemotiveerd verweer tegen de inboedel.
De rechtbank zal het verzoek van de man ten aanzien van het uitsluitend gebruik van de woning toewijzen. Voor zover de rechtbank in het verzoek van de man een apart verzoek om het uitsluitend gebruik van de inboedel zou moeten lezen, is dat verzoek niet-ontvankelijk omdat dit geen verzoek is als bedoeld in artikel 822 Rv lid 1.
De rechtbank benadrukt dat toewijzing van dit verzoek geen verdeling betreft. Dat zal, indien verzocht, aan bod komen in de bodemprocedure tijdens een nog te bepalen mondelinge behandeling.
Tijdens de mondelinge behandeling is ter sprake gekomen dat de vrouw nog in het bezit is van de huissleutels van de echtelijke woning. Zij heeft toegelicht dat zij de huissleutels onder zich houdt vanwege de inboedel, waarvan zij stelt dat deze van haar is. De rechtbank ziet de meerwaarde daar niet van in, omdat het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de man zal worden toegewezen en de vrouw de woning dan niet mag betreden, met uitzondering van dat moment dat partijen overeenkomen dat de vrouw de woning mag betreden om haar goederen voor dagelijks gebruik en die van de minderjarige op te halen.
Afgifte goederen
De vrouw verzoekt de man te bevelen de goederen strekkend tot het dagelijks gebruik van de vrouw en de minderjarige aan haar beschikbaar te stellen. Het gaat daarbij om de volgende goederen:
zakelijke laptop en privé-laptop van de vrouw;
externe harde schijf;
persoonlijke papieren van de vrouw;
toiletartikelen van de vrouw;
elektrische fiets van de vrouw;
kleding van de vrouw en de minderjarige;
accessoires van de kinderwagen;
inzet en accessoires van de kinderstoel;
speelgoed van de minderjarige en cadeaus verkregen van moederszijde.
De man weerspreekt het verzoek niet maar verbindt hier wel de voorwaarde aan dat het beschikbaar stellen in bijzijn van derden gebeurt.
Omdat het partijen tijdens de mondelinge behandeling niet is gelukt hier overeenstemming over te bereiken, zal de rechtbank hierover beslissen. Het verzoek tot afgifte van de goederen strekkend tot het dagelijks gebruik van de vrouw en de minderjarige wordt, als niet weersproken en op de wet gegrond, toegewezen.
Het is de bedoeling dat de man de goederen genoemd onder 3.5.1 binnen één week na deze beschikking inpakt en voor de vrouw klaarzet op een droge locatie. De vrouw kan daarna bekijken wat is ingepakt en een rondje door de echtelijke woning lopen om de ontbrekende spullen van de lijst onder 3.5.1. aan te wijzen. Partijen zullen in onderling overleg een moment hiervoor inplannen, op korte termijn omdat het goederen zijn die strekken tot het dagelijks gebruik. Zowel de man als de vrouw mogen voor dit moment elk één persoon meenemen. De rechtbank geeft de vrouw in overweging om de minderjarige niet mee te nemen naar dit moment om spanningen voor haar zoveel mogelijk te voorkomen.
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4. De beslissing
De rechtbank:
neemt op de onderlinge overeenstemming dat de minderjarige aan de vrouw wordt toevertrouwd;
bepaalt dat de regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn:
op 18 mei 2026 hebben de man en de minderjarige gedurende een uur tussen 11.00 uur en 15.00 uur contact in de woning van de (stief)ouders van de vrouw, in aanwezigheid van de vader van de man en de stiefvader van de vrouw;
op 20, 25 en 27 mei en 1, 3 en 8 juni 2026 verblijft de minderjarige gedurende één à twee uren bij de man in de omgeving van Bodegraven, in aanwezigheid van de vader van de man;
op 10, 15, 17, 22, 24 en 29 juni 2026 haalt de man de minderjarige om 11.00 uur op en brengt hij haar uiterlijk om 15.00 uur terug naar Bodegraven;
vanaf 1 juli 2026 verblijft de minderjarige op maandag en woensdag van 10.00 uur tot 17.00 uur bij de man, waarbij de man de minderjarige haalt en brengt;
vanaf 8 augustus 2026 verblijft de minderjarige op maandag en woensdag en op zaterdag in de even week van 10.00 uur tot 17.00 uur bij de man, waarbij de man de minderjarige haalt bij de vrouw en de vrouw de minderjarige weer ophaalt of op laat halen bij de man;
stelt vast dat partijen, te weten:
[naam vrouw] ,
wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ,
[naam man] ,
wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ;
bij proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) het hulpverleningstraject omgangsbegeleiding en dat het routeringspunt zorgdraagt voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
bepaalt dat partijen met behulp van dit hulpverleningstraject zullen bewerkstelligen dat het contact tussen de man en de minderjarige wordt hersteld en dat zij afspraken zullen maken aan de hand waarvan de minderjarige onbelast contact kan hebben met beide partijen;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een kennisgeving van deze beschikking naar het routeringspunt te zenden naar:
Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond
t.a.v. het routeringspunt
Dynamostraat 16, 3083 AK Rotterdam
e-mailadres: zorgbemiddeling@jbrr.nl;
bepaalt dat het routeringspunt het eindverslag van de hulpverleningsinstantie aan de rechtbank verzendt onder vermelding van het zaaknummer/rekestnummer van de bodemprocedure C/10/716551 / FA RK 26-2139 en daarvan gelijktijdig een kopie aan de raad voor de kinderbescherming verzendt, als het hulpverleningstraject niet of deels is geslaagd;
beveelt de griffier na ontvangst van het eindverslag een kopie daarvan aan beide partijen en hun advocaten te versturen;
verzoekt partijen, na ontvangst van het eindverslag van een geslaagd hulpverleningstraject, binnen een termijn van twee weken schriftelijk hierop te reageren;
verzoekt de raad voor de kinderbescherming bij een geheel of gedeeltelijk niet geslaagd hulpverleningstraject:
- te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen;
- de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren; en
- als dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel; en
- daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen onder vermelding van het zaaknummer/rekestnummer van de bodemprocedure C/10/716551 / FA RK 26-2139, met dien verstande dat de rechtbank kan beslissen, mits voldoende ingelicht, om zonder hiervoor genoemd raadsonderzoek een eindbeschikking te geven;
bepaalt het bedrag dat de man met ingang van 13 mei 2026 aan de vrouw zal voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige op € 318,- per maand bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat de man met ingang van de datum van deze beschikking bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [woonplaats] ;
beveelt de man de goederen strekkend tot het dagelijks gebruik van de vrouw en de minderjarige, genoemd onder 3.5.1. aan de vrouw beschikbaar te stellen zoals bepaald in rechtsoverweging 3.5.3.;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot het uitsluitend gebruik van de inboedel;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.L. Raphael, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. C.A. Sedoc, griffier, op 13 mei 2026.