Rechtbank Rotterdam
Team familie
Reg.nrs.: C/10/719467 / KG ZA 26-453 (voorlopige voorziening)
C/10/719674 / FA RK 26-3831 (beroep tegen de oplegging)
C/10/719471 / FA RK 26-3709 (beroep tegen de verlenging)
Procesverbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van
12 mei 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening en het beroep in de zaken tussen
[naam verzoeker] , verzoeker,
wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ,
gemachtigde mr. D.J. Troost.
en
de burgemeester van de gemeente Nissewaard, verweerder,
in welke zaken belanghebbenden zijn:
[persoon A] , partner van verzoeker, hierna achterblijfster,
en het minderjarige kind van verzoeker en achterblijfster:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022,
beiden wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna gezamenlijk achterblijvers.
1. Ontstaan en loop van de procedure
Bij besluit van 21 april 2026 heeft verweerder een huisverbod opgelegd aan verzoeker.
Bij besluit van 1 mei 2026 heeft verweerder dit huisverbod verlengd tot
19 mei 2026.
Bij brief van 7 mei 2026, ingekomen op 8 mei 2026, heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het besluit tot oplegging van het huisverbod en het besluit tot verlenging van het huisverbod (hierna: de bestreden besluiten). Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2026.
Aanwezig waren:
verzoeker en zijn gemachtigde;
achterblijfster.
Verweerder is met kennisgeving niet verschenen.
2. Beslissing
De voorzieningenrechter:
verklaart de beroepen ongegrond,
wijst het verzoek om voorlopige voorziening af,
wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af.
3. Overwegingen
Wettelijk kader
De voorzieningenrechter neemt de wettelijke bepalingen die van belang zijn voor de beoordeling op in de bijlage.
Weergave bestreden besluiten, verzoek en beroep
Bij het bestreden besluit van 21 april 2026 heeft verweerder aan verzoeker een huisverbod opgelegd voor de duur van tien dagen op grond van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth). Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning van achterblijvers (een vermoeden van) een ernstig en onmiddellijk gevaar (hierna: het gevaar) oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning verblijven.
Bij het bestreden besluit van 1 mei 2026 heeft verweerder het huisverbod verlengd voor de duur van achttien dagen op grond van de Wth. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning van achterblijfster nog steeds (een vermoeden van) een ernstig en onmiddellijk gevaar (hierna: het gevaar) oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in die woning verblijven.
Het verzoek strekt ertoe de rechtsgevolgen van het verlengingsbesluit te schorsen voor de resterende duur van het bestreden besluit en verweerder te veroordelen in de proceskosten.
Het beroep strekt ertoe beide bestreden besluiten te vernietigen.
Kortsluiten
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verder onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zodat hij onmiddellijk uitspraak zal doen op het beroep.
Spoedeisend belang
Verzoeker heeft door het opgelegde verlengde huisverbod dat nog steeds voortduurt, geen toegang tot de woning van achterblijvers waar hij regelmatig verblijft en mag ook geen contact met achterblijvers hebben. Het spoedeisend belang bij de door hem gevraagde voorziening is daarmee gegeven.
Opleggingsbesluit
Verzoeker voert aan dat het gevaar niet bestond op het moment dat verweerder het opleggingsbesluit nam.
Vaststaat dat getuigen de politie hebben gebeld omdat verzoeker zijn zoontje in het Kruidvat hardhandig heeft opgepakt en meerdere malen zou hebben geslagen omdat zijn zoontje niet luisterde. En vervolgens is gezien dat het kind in de auto nogmaals zou zijn geslagen door verzoeker. Verder staat vast dat het zoontje er getuige van was dat verzoeker in de woning naar achterblijfster heeft geschreeuwd en boter in haar gezicht heeft gesmeerd. Ook staat vast dat het kind zichtbaar letsel heeft. Dit is geconstateerd door onder andere de politieagenten die naar aanleiding van de melding ter plaatse zijn gekomen. Het kind heeft zelf gezegd dat zijn vader hem heeft geslagen. Toen de politieagenten bij de woning verschenen hoorden zij het kind binnen huilen. Verder hebben zowel de politieagenten als achterblijfster geconstateerd dat er een alcohollucht om verzoeker heen hing en dat hij hoog in zijn emoties zat. Verzoeker is met verzet aangehouden waarbij hij recalcitrant gedrag vertoonde, bedreigingen uitte en zich schuldig maakte aan seksuele intimidatie richting de agenten ter plaatse.
Ter zitting heeft verzoeker een eigen verklaring gegeven voor het incident in het Kruidvat en het bij zijn zoontje geconstateerde letsel. Wel heeft hij erkend dat hij zijn zoontje in de winkel hardhandig heeft opgepakt van de grond en onder zijn arm naar de auto heeft gedragen. Ook heeft hij erkend dat hij bij thuiskomst ruzie had met achterblijfster in bijzijn van het zoontje waarbij hij onder meer heeft geschreeuwd.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter leverde dit incident en daarmee de aanwezigheid van verzoeker in de woning een ernstig vermoeden van ernstig en onmiddellijk gevaar op voor achterblijvers en was een afkoelingsperiode noodzakelijk. Daarom rechtvaardigde het genoemde incident het opleggen van het huisverbod. Verweerder heeft bovendien in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het opleggen van een huisverbod gebruik kunnen maken en het belang van achterblijfster en het zoontje kunnen laten prevaleren boven dat van verzoeker.
Het betoog faalt.
Het voorgaande betekent dat het beroep tegen het opleggingsbesluit ongegrond is.
Verlengingsbesluit
Verzoeker voert aan dat het gevaar niet bestond op het moment dat verweerder het verlengingsbesluit nam en dat het gevaar ook nu niet (meer) bestaat.
De rechter beoordeelt vol of het gevaar ten tijde van de verlenging van het huisverbod nog voortduurde. Het aanvaarden van een aanbod tot hulpverlening, het beginnen met die hulpverlening en de reële verwachting dat betrokkene blijft meewerken daaraan, zijn indicaties dat het gevaar niet langer bestaat. Als nog blijkt van dat gevaar, dan is verweerder bevoegd het huisverbod te verlengen tot ten hoogste vier weken. Daarna beoordeelt de rechter terughoudend of verweerder, alle belangen afwegend, gebruik heeft kunnen maken van die bevoegdheid.
Omdat geen gesprek heeft plaatsgevonden en geen afspraken zijn gemaakt, was het gevaar op het moment van het verlengen van het huisverbod nog aanwezig. Dat verzoeker stelt dat het niet aan hem is te wijten dat deze niet hebben plaatsgevonden, maakt dit niet anders, het gaat immers om de veiligheid van achterblijvers en niet om de verwijtbaarheid.
Verweerder heeft dan ook in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik kunnen maken en het belang van achterblijvers bij veiligheid en rust kunnen laten prevaleren boven het belang van verzoeker om weer gebruik te kunnen maken van de woning waar hij regelmatig verblijft en contact te hebben met zijn zoontje.
De huidige situatie
Tenslotte moet beoordeeld worden of er op dit moment aanleiding bestaat om het huisverbod op te heffen.
Tijdens de zitting hebben verzoeker en achterblijfster verklaard dat er gisteren in aanwezigheid van de hulpverlening een gesprek tussen hen heeft plaatsgevonden waarin afspraken zijn gemaakt en waarin is aangekondigd dat er een melding bij het Jeugdbeschermingsplein zal worden gedaan. De voorzieningenrechter leidt hieruit af dat er in ieder geval afspraken zijn gemaakt over de voorwaarden waaronder de omgang tussen verzoeker en zijn zoontje kan plaatsvinden na afloop van het verlengde huisverbod, maar kan niet vaststellen of en zo ja welke (veiligheid)afspraken er nog meer zijn gemaakt. Desgevraagd hebben zowel verzoeker als achterblijfster verklaard dat er op dit moment geen hulpverlening is betrokken. Dit maakt dat de voorzieningenrechter het gevaar op dit moment nog altijd aanwezig acht, zodat er geen grond is om het verlengde huisverbod nu op te heffen.
Het betoog faalt.
Het voorgaande betekent dat het beroep tegen het verlengingsbesluit ongegrond is.
Omdat de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doet in de hoofdzaak, wordt het verzoek om voorlopige voorziening gericht tegen het verlengingsbesluit afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Aldus gedaan door mr. M.C. Woudstra, voorzieningenrechter, tevens kinderrechter, en door deze en mr. E. van Alebeek-Baars, griffier, ondertekend.
De griffier: De voorzieningenrechter:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op het beroep, kan binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Afschrift verzonden op:
Bijlage
Wettelijk kader
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Op grond van artikel 3:46 van de Awb moet een besluit berusten op een deugdelijke motivering.
Op grond van artikel 3:47, eerste lid van de Awb wordt de motivering vermeld bij de bekendmaking van het besluit. Op grond van het derde lid verstrekt het bestuursorgaan de motivering binnen een week na de bekendmaking van het besluit als de motivering in verband met de vereiste spoed niet aanstonds bij de bekendmaking van het besluit kan worden vermeld.
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan, als tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan, als het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan als beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, verder onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
Wet tijdelijk huisverbod (Wth)
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wth kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de aard van de feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven om een huisverbod op te leggen.
Op grond van artikel 6, tweede lid, van de Wet tijdelijk huisverbod betrekt de rechter bij de beoordeling van het huisverbod tevens de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het opleggen van het huisverbod.