ECLI:NL:RBROT:2026:6601

ECLI:NL:RBROT:2026:6601

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 03-03-2026
Datum publicatie 08-06-2026
Zaaknummer C/10/700963 / JE RK 25-1148
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Vervolg op ECLI:NL:RBOT:2025:15705 en ECLI:NL:RBOT:2026:650. Bij de Gecertificeerde Instelling (GI) is een disbalans ontstaan tussen het aantal gezinnen met een kinderbeschermende maatregel in verhouding tot en het aantal uitvoerende jeugdbeschermers. Hierdoor zijn er minder werkzaamheden verricht en is minder regie gevoerd dan wenselijk was. Op meerdere momenten in het verleden is er onvoldoende regie gevoerd. Verwijzing naar artikel 4.1.1. Jeugdwet.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/700963 / JE RK 25-1148

Datum uitspraak: 3 maart 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west, gevestigd te Dordrecht,

hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam vader] ,

hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 1] ,

[naam moeder] ,

hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 2] .

De kinderrechter merkt als informanten aan:

[naam gezinshuisvader] en [naam gezinshuismoeder] ,

hierna te noemen: de gezinshuisvader en de gezinshuismoeder,

tezamen ook te noemen: de gezinshuisouders,

[naam 1] ,

ambulant medewerker van het Kind en Jongerencentrum (K&J Centrum),

hierna te noemen: de ambulant medewerker.

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

de beschikking van de kinderrechter van 19 januari 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken,

de briefrapportage van de GI, ontvangen op 19 februari 2026,

de brief met bijlagen van de vader, ontvangen op 25 februari 2026;

het bericht van de GI van 2 maart 2026.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader;

drie vertegenwoordigers van de GI, [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] ;

de gezinshuismoeder;

de ambulant medewerker.

De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2. De feiten

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

[minderjarige] verblijft in een gezinshuis.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 juni 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot zijn meerderjarigheid, te weten tot [datum] .

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 januari 2026 de machtiging verlengd om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 1 april 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.

3. Het aangehouden verzoek

De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen tot zijn meerderjarigheid en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Over de periode tot 1 april 2026 is al beslist. Nu moet nog beslist worden over de periode tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot [datum] .

4. De standpunten

De GI heeft ter zitting het aangehouden deel van het verzoek gehandhaafd en als volgt nader toegelicht. De GI betreurt het dat er door ziekte en gebrek aan vervanging geen manager aanwezig kan zijn, zoals door de kinderrechter in de laatste beschikking bepaald. Kort na die laatste zitting zijn twee vaste jeugdbeschermers aangesteld voor het gezin. Ook heeft er een kennismakingsgesprek plaatsgevonden met [minderjarige] , de vader en de gezinshuisouders. Uit de gesprekken met de vader blijkt dat hij nog weinig vertrouwen heeft in de GI. De GI probeert een goede samenwerkingsrelatie op te bouwen, gebaseerd op wederzijds vertrouwen. Het zal wel een lange weg zijn, gezien het verleden. Positief is dat [minderjarige] inmiddels is verhuisd en het fijn heeft in het nieuwe gezinshuis in [plaatsnaam] . De GI gaat verlengde jeugdzorg aanvragen zodat [minderjarige] ook na zijn achttiende verjaardag in het gezinshuis kan verblijven.

De vader heeft ter zitting zijn ongenoegen geuit over de afwezigheid van de moeder ter zitting. De vader is van mening dat de moeder zich telkens zonder consequenties overal aan kan onttrekken. De vader heeft de afgelopen periode veel te verduren gehad door gebrek aan regie vanuit de GI. Hij is wel tevreden dat [minderjarige] nu op een voor hem geschikte plek verblijft, maar maakt zich ook veel zorgen over zijn jongere dochter die (samen met de oudste, meerderjarige dochter) nog bij dezelfde gezinshuisouders woont.

De gezinshuismoeder heeft laten weten dat zij en de gezinshuisvader herhaaldelijk signalen hebben afgegeven richting de GI, maar zij voelen zich hierin niet gehoord. Het afscheid van [minderjarige] is goed verlopen. Ook heeft er een goede overdracht naar het nieuwe gezinshuis plaatsgevonden.

De ambulant medewerker laat weten dat de door de vader ingediende stukken nog een concept versie betreffen. Op een later moment zullen ze door een definitieve versie worden vervangen. De ambulant medewerker is blij dat [minderjarige] inmiddels is verhuisd en op de juiste plek verblijft.

5. De beoordeling

Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding.

Bij beschikking van 19 januari 2026 heeft de kinderrechter overwogen dat tussen alle betrokkenen niet de vraag ter discussie stond of de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] moest worden verlengd, maar de vraag wat de meest geschikte plek zou zijn voor hem. Al lange tijd was duidelijk dat [minderjarige] niet langer in het gezinshuis van [naam familie 1] kon blijven en dat volledige terugplaatsing bij de vader niet mogelijk was. Uit notulen van 4 december 2025 blijkt dat het gezinshuis toen al bijna twee jaar aangaf dat zij de zorg voor [minderjarige] niet langer konden dragen. In de beschikking van 15 december 2025 is overwogen dat de Gl debet is aan het ontstaan van de patstelling ten gevolge van een gebrek aan regievoering. De situatie die was ontstaan bracht veel onzekerheid met zich, zowel voor [minderjarige] , als voor de vader, als voor de gezinshuisouders.

Tijdens de zitting van 19 januari 2026 was er nog steeds sprake van een impasse. Namens de GI werd toen ter zitting aangegeven dat er intern (opnieuw) aandacht was gevraagd voor de situatie van [minderjarige] . Echter, ook dit had niet geleid tot een vaste jeugdbeschermer en tot strakke regie. Hierdoor duurden de onzekerheid en de onderlinge misverstanden en ergernissen voort. Dit valt des te meer te betreuren omdat het gezinshuis van [naam familie 1] ook de zorg heeft over een oudere en jongere zus van [minderjarige] . Dat maakte het des te urgenter dat de GI de regie zou pakken om de verhoudingen tussen alle betrokkenen te verbeteren.

Door het langdurig ontbreken van regie en van een vaste jeugdbeschermer kon de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing niet voor de resterende duur toewijzen. Er moest in het belang van [minderjarige] , maar ook van zijn zussen, vinger aan de pols worden gehouden. En aangezien meerdere aanhoudingen van de zaak en de inspanningen van de vertegenwoordigers van de GI ter zitting niet geleid hadden tot een vaste jeugdbeschermer, achtte de kinderrechter het noodzakelijk dat er een manager van de GI ter zitting zou verschijnen om een toelichting te geven. Het management (daaronder begrepen het bestuur van de GI) is immers verantwoordelijk voor het goede verloop van een ondertoezichtstelling en kan niet keer op keer jeugdbeschermers naar de zitting laten gaan met de boodschap dat ondanks grote zorgen de regie niet adequaat wordt opgepakt.

Bij voornoemde brief van 19 februari 2026 heeft de GI laten weten dat bij het gezin Drok in het verleden verschillende jeugdbeschermers betrokken zijn geweest. Daarnaast zijn er, aldus de GI, ook periodes geweest waarbij er bij het gezin geen vast betrokken jeugdbeschermer beschikbaar is geweest. Dat is ontstaan door de disbalans tussen het aantal gezinnen met een maatregel in verhouding tot en het aantal uitvoerende jeugdbeschermers bij de GI. Hierdoor zijn er (nog steeds aldus de GI) mogelijk minder werkzaamheden verricht en is minder regie gevoerd dan wenselijk was. Hier is het gezin Drok de dupe van geweest. De GI erkent dat zij bij het gezin Drok op meerdere momenten in het verleden onvoldoende regie heeft gevoerd/kunnen voeren. De GI heeft zich ingezet om aan het gezin een vaste jeugdbeschermer te koppelen. Als gevolg daarvan is er sinds eind januari 2026 een vast betrokken jeugdbeschermer.

Door ziekte en (blijkbaar) gebrek aan vervanging van zieken is er vandaag ter zitting geen manager (of bestuurder) van de GI aanwezig en zijn het opnieuw de jeugdbeschermers die ter zitting moeten proberen uit te leggen waarom de GI het gezin Drok en de gezinshuisouders zo lang in de kou heeft laten staan. Op grond van artikel 4.1.1. van de Jeugdwet verleent de GI verantwoorde hulp, waaronder wordt verstaan hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of de ouder. De GI organiseert zich op zodanige wijze, voorziet zich kwalitatief en kwantitatief zodanig van personeel en materieel en draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling, dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde hulp. Uit het dossier blijkt dat de GI zich in het geval van het gezin Drok niet aan deze vereisten heeft gehouden. Hierdoor zijn langere tijd onnodig onrust, vertraging, onbegrip en irritaties ontstaan tussen de vader, [minderjarige] , de gezinshuisouders en overige betrokkenen, wat in strijd met het belang van de drie kinderen Drok is.

Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [minderjarige] inmiddels is verhuisd naar een andere gezinshuis. Hij verblijft daar nog niet zo lang, maar lijkt het naar zijn zin te hebben. Hij kan hier langere tijd blijven, ook na zijn achttiende verjaardag. Van belang is dat de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] binnen dit nieuwe gezinshuis gewaarborgd blijft en dat hij daar op een zo goed mogelijke manier kan toewerken naar zijn meerderjarigheid. Ondersteuning door de GI en vanuit het K&J Centrum voor [minderjarige] blijft van groot belang. Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is.

De kinderrechter spreekt daarbij de hoop uit dat de jeugdbeschermer die sinds januari 2026 betrokken is, langere tijd beschikbaar zal blijven en zal blijven investeren in een goed contact en vertrouwen tussen de GI, de vader, [minderjarige] , de gezinshuisouders van [minderjarige] én die van zijn zussen ( [naam familie 1] ) en de overige betrokkenen. De GI zal ook aandacht moeten schenken aan het onbegrip dat bij de families [naam familie 2] en [naam familie 1] is ontstaan – en de verwerking ervan – over de afwezigheid van de GI op cruciale momenten.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6. De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot [datum] ;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026, in aanwezigheid van P. Thakoerdat als griffier, en op schrift gesteld op 30 maart 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand