RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/717075 / JE RK 26-572
Datum uitspraak: 29 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2026 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder] ,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M.F.C. Gommans, kantoorhoudende te Rotterdam.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
De tussenbeschikking van 7 april 2026 van deze rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
Het verweerschrift met bijlagen van mr. M.F.C. Gommans van 28 april 2026, ontvangen op dezelfde datum.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [persoon A] en [persoon B] .
Er is toegang tot de zitting verleend aan de ex-schoonmoeder van de moeder, [persoon C] . Ter zitting is zij gehoord als informant.
2. De feiten
De moeder heeft het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
[voornaam minderjarige] verblijft in een crisispleeggezin.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 6 maart 2026 de toen nog niet geboren [voornaam minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 6 juni 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 april 2026 de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 1 mei 2026.
3. Het aangehouden verzoek
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Bij beschikking van 7 april 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing reeds verlengd tot 1 mei 2026. Er dient nog beslist te worden over het resterende deel van het verzoek, te weten tot 6 juni 2026.
4. De standpunten
De GI handhaaft het verzoek en licht dat als volgt toe. De vaste jeugdbeschermer, te weten dhr. [persoon D] , is momenteel op vakantie en is daarom niet bij de zitting aanwezig. De advocaat van de moeder heeft een moeder-kindhuis gevonden in Delden , genaamd het Twentse Geluk , waar de moeder en [voornaam minderjarige] vanaf deze week terecht kunnen. De moeder heeft nu drie keer per week een begeleid bezoekmoment met [voornaam minderjarige] en dit verloopt gelukkig goed. De moeder toont veel liefde richting [voornaam minderjarige] en er zijn weinig zorgelijke signalen te zien. Het moeder-kindhuis is voor nu daarom een logische stap. De moeder heeft er vertrouwen in dat het contact tussen haar en haar andere kinderen, ondanks de afstand, goed zal blijven.
Door en namens de moeder wordt verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. De moeder en [voornaam minderjarige] kunnen waarschijnlijk morgen of overmorgen bij het moeder-kindhuis terecht. De advocaat voert aan dat een machtiging tot uithuisplaatsing daarom niet noodzakelijk is, ook niet voor een korte periode als veiligheidsnet. De kinderrechter heeft bij het uitspreken van de voorwaardelijke ondertoezichtstelling uitgesproken dat die voorlopige ondertoezichtstelling niet betekende dat de ongeboren baby ook meteen uit huis zou worden geplaatst. Toch heeft de GI - zonder overleg met de advocaat en zonder melding te maken van getroffen veiligheidsmaatregelen als verlengde kraamzorg en de aanwezigheid van de ex-schoonmoeder - een spoedmachtiging uithuisplaatsing voor [voornaam minderjarige] verzocht terwijl de bevalling (letterlijk) gaande was. Daardoor is [voornaam minderjarige] en de moeder de kans ontnomen althans de eerste uren/dagen samen te zijn. Hierdoor is het vertrouwen in de GI geschaad en vreest de advocaat dat een machtiging tot uithuisplaatsing opnieuw onnodig zal worden gebruikt om moeder en [voornaam minderjarige] te scheiden. Er is veel vertrouwen dat het traject bij het moeder-kindhuis goed zal verlopen. Door en namens de moeder wordt daarom verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van twee weken te verlengen. Zo is er voldoende tijd om de plaatsing bij het moeder-kindhuis te realiseren. Als in het moeder-kindhuis blijkt dat er zorgen zijn, kan de GI opnieuw een verzoek tot een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing doen.
5. De informatie
De ex-schoonmoeder van de moeder geeft aan dat zij aanwezig was bij de bevalling van [voornaam minderjarige] en de moeder ook na de geboorte heeft ondersteund. Afgesproken was dat zij ook na de geboorte bij de moeder en [voornaam minderjarige] in het ziekenhuis zou blijven. Toch is [voornaam minderjarige] meteen bij de moeder weggehaald, wat erg verdrietig was om te zien. Hopelijk kan vanaf nu worden samengewerkt, zodat deze situatie in de toekomst wordt voorkomen.
6. De beoordeling
De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] is noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid BW). De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
[voornaam minderjarige] is op 25 maart 2026 via een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing vanuit het ziekenhuis in een crisispleeggezin geplaatst en verblijft daar nog steeds. De kinderrechter heeft tijdens de zitting van 13 maart 2026 over de voorlopige ondertoezichtstelling benadrukt dat er op dat moment geen aanleiding tot een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing was. De veiligheid van [voornaam minderjarige] kon in het ziekenhuis met behulp van veiligheidsafspraken gewaarborgd blijven. Er werd afgesproken dat de GI bij ernstige zorgen contact op zou nemen met de advocaat van moeder. De GI heeft echter, zonder overleg, een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing gevraagd, waardoor [voornaam minderjarige] direct na zijn geboorte van de moeder is gescheiden. Wat extra wrang is omdat [voornaam minderjarige] om andere redenen direct daarna weer korte tijd – maar zonder de moeder – in het ziekenhuis is opgenomen. De kinderrechter betreurt deze gang van zaken en acht dit niet in het belang van [voornaam minderjarige] .
Het is belangrijk dat [voornaam minderjarige] samen met zijn moeder in het moeder-kindhuis wordt geplaatst. De moeder ontvangt via deze weg passende begeleiding en ook de veiligheid van [voornaam minderjarige] blijft gewaarborgd. Omdat [voornaam minderjarige] en de moeder op korte termijn bij het moeder-kindhuis terecht kunnen, namelijk één of twee dagen na de zitting, vindt de kinderrechter de verzochte verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing tot 6 juni 2026 niet noodzakelijk. De kinderrechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing daarom voor de duur van twee weken. Er is dan voldoende tijd voor een overgang naar het moeder-kindhuis. De kinderrechter schaart zich hiermee achter het verweer van moeder. Als toch blijkt dat er ernstige zorgen zijn over de veiligheid van [voornaam minderjarige] , kan de GI opnieuw een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing verzoeken. De kinderrechter benadrukt dat de GI de moeder hiervan wel op de hoogte moet stellen en dat goed overleg met de advocaat noodzakelijk is. De kinderrechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] voor de duur van twee weken en wijst het overige verzochte van de GI af.
7. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 15 mei 2026;
wijst het meer of anders verzochte af;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026 door mr. A.M.I. van der Does, kinderrechter, in aanwezigheid van R.J.S. Mulder als griffier, en op schrift gesteld op 15 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.