RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/716545 / JE RK 26-496
Datum uitspraak: 29 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2] ,
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [voornaam minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] ,
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. W.J. Oomkes, kantoorhoudende te Rotterdam,
[naam vader] ,
hierna te noemen: de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de GI van 12 maart, ontvangen op 16 maart 2026;
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] .
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader juist is opgeroepen.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] uitgenodigd voor een gesprek. [voornaam minderjarige 1] heeft niet gereageerd op de uitnodiging. [voornaam minderjarige 2] heeft een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige 2] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De ouders hebben het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] .
[voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] wonen bij de vader in een woning van Stichting Elckerlyc .
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 9 mei 2025 [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] onder toezicht gesteld tot 9 mei 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 februari 2026 een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] bij de vader verleend tot 9 mei 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] bij de ouder met gezag, te weten bij de vader, te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI handhaaft het verzoek en licht dat als volgt toe. De kinderen wonen samen met de vader in een opvangwoning bij Stichting Elckerlyc . Het gaat goed met de kinderen en ook hun schoolgang verloopt positief. De situatie bij de vader is in zoverre instabiel dat het belangrijk is dat zijn schuldenproblematiek in kaart wordt gebracht. De machtiging tot uithuisplaatsing is nodig zodat de vader als hoofdbewoner ingeschreven kan staan bij Stichting Elckerlyc . De komende periode moet ervoor gezorgd worden dat de opvoedomgeving van de kinderen stabiel blijft en de zaken rondom de woonsituatie van de vader worden aangepakt. Daarnaast moet de omgang tussen de kinderen en de moeder worden vastgesteld, zodat stappen gezet kunnen worden naar co-ouderschap. Hierbij is betrokkenheid en begeleiding vanuit de jeugdbescherming nodig om de situatie te monitoren en het gezin zo goed mogelijk te ondersteunen.
Door en namens de moeder wordt verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. De woonsituatie van het gezin is feitelijk sinds vorig jaar mei niet veranderd. Er is nog steeds sprake van bird nesting, waarbij de moeder voor de helft van de week voor de kinderen zorgt in de opvangwoning van Stichting Elckerlyc . De ouders hebben deze zorgregeling zelf met elkaar afgesproken en dit betekent dat er geen noodzaak is voor een machtiging tot uithuisplaatsing. Dit is ook tijdens de zitting van 9 mei 2025 door de kinderrechter bevestigd. Het in kaart brengen van de schuldenproblematiek van vader vormt geen noodzaak voor een machtiging tot uithuisplaatsing en kan ook in het vrijwillig kader worden geregeld. De machtiging tot uithuisplaatsing werkt contraproductief en zorgt voor spanning tussen de ouders. Na de zitting op 17 februari 2026 is er tussen de ouders een conflict geweest. De ouders hebben deze ruzie inmiddels uitgesproken, maar de discussie staat nog wel tussen hen in. De moeder acht de machtiging tot uithuisplaatsing daarom niet in het belang van de kinderen en ook niet noodzakelijk. De ondertoezichtstelling lijkt ook niet meer nodig te zijn voor de kinderen, echter voert de moeder hiertegen geen verweer.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan (artikel 1:260 BW). Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid BW). De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] wordt nog steeds ernstig bedreigd. De ouders hebben met elkaar een zorgregeling afgesproken, waarbij zij allebei de helft van de week voor de kinderen zorgen en om de beurt met hen in de opvangwoning van Stichting Elckerlyc verblijven. Dit wordt birdnesting genoemd en de verdeling van de opvoed- en zorgtaken verloopt hierin goed. Omdat de hoofdverblijfplaats van de kinderen momenteel nog bij moeder ligt, heeft de kinderrechter in februari 2026 een machtiging tot uithuisplaatsing verleend. De vader kon zich middels de machtiging inschrijven als hoofdbewoner bij de opvangwoning bij Stichting Elckerlyc en daar met de kinderen verblijven. Het is echter niet duidelijk of de machtiging tot uithuisplaatsing hiervoor nog steeds noodzakelijk is. Het is belangrijk dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen wordt geregeld in die zin dat wordt aangesloten bij de afspraken die ouders zelf hebben gemaakt over hun co-ouderschap, nu dat feitelijk goed verloopt. Vader is inmiddels ingeschreven als hoofdbewoner bij Stichting Elckerlyc en als Stichting Elckerlyc de birdnesting constructie die ouders hebben afgesproken accepteert, is het nog maar de vraag of voor voortzetting van de inschrijving van de vader als hoofdbewoner een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is. Wel is ter zitting duidelijk geworden dat het de bedoeling van beide ouders is dat vader – als zijn financiële situatie duidelijk is – op zoek gaat naar een woning voor het gezin, waar de birdnesting constructie dan zal worden voortgezet. Mogelijk is de machtiging uithuisplaatsing daarvoor nog noodzakelijk. De GI dient hierover met Stichting Elckerlyc , de ouders en andere mogelijk betrokken instanties in gesprek te gaan. Het is voor de kinderen belangrijk dat dit alles goed geregeld wordt. Daarnaast zijn er geen ernstige zorgen meer over de kinderen. Alle drie de kinderen doen het goed op school en het contact van de GI met de ouders verloopt positief.
Omdat de ouders samen een vorm van co-ouderschap hebben afgesproken, in dit geval birdnesting, die in de praktijk goed werkt en er geen ernstige zorgen meer zijn over de ontwikkeling van de kinderen, lijkt een ondertoezichtstelling niet veel langer noodzakelijk. Een overgang naar het vrijwillig kader is daarom mogelijk. Eerst is het nog belangrijk dat vaders schuldenproblematiek in kaart wordt gebracht en de urgentieverklaring voor de woningaanvraag wordt geregeld. De GI dient daarvoor samenwerking te zoeken met Stichting Elckerlyc , die daar zoals op zitting besproken al mee bezig is. Daarnaast moet het co-ouderschap formeel worden vastgesteld, ook de financiële gevolgen daarvan voor toeslagen, kinderbijslag etc. Als alles goed geregeld is zal dat ook rust en duidelijkheid voor de kinderen brengen.
Het is positief dat de ouders hun conflict van afgelopen februari hebben uitgesproken en dat birdnesting in de praktijk goed blijkt te werken. Hopelijk lukt de ouders om in het belang van de kinderen samen verdere afspraken te maken. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing daarom voor een kortere periode verlengen dan verzocht, namelijk voor een half jaar. Als blijkt dat een machtiging tot uithuisplaatsing toch langer nodig is om de vader als hoofdbewoner ingeschreven te laten en een eigen woning te zoeken, moet de GI hiertoe opnieuw een verzoek doen. Voor het overige zijn er immers geen zorgen meer over de kinderen en werken de ouders goed samen met de hulpverlening. Te verwachten is dat zij dat ook in een vrijwillig kader zullen doen, zodat een ondertoezichtstelling niet langer het juiste middel lijkt.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] tot 9 november 2026;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] bij de ouder met gezag, te weten bij de vader, tot 9 november 2026;
wijst het verzoek voor het overige af;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026 door mr. A.M.I. van der Does, kinderrechter, in aanwezigheid van R.J.S. Mulder als griffier, en op schrift gesteld op 15 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.