ECLI:NL:RBROT:2026:6608

ECLI:NL:RBROT:2026:6608

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 22-05-2026
Datum publicatie 09-06-2026
Zaaknummer 11953914 CV EXPL25-23897
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Huurovereenkomst, woonruimte, onderverhuur, provisionele vordering, bewijsopdracht huurder

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 11953914 CV EXPL 25-23897

datum uitspraak: 22 mei 2026

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van

Stichting Woonbron,

vestigingsplaats: Rotterdam,

eiseres,

gemachtigde: mr. C.N. Vethanayagam,

tegen

[gedaagde] ,

woonplaats: [woonplaats],

gedaagde,

gemachtigde: mr. S.A. Chedie.

De partijen worden hierna ‘Woonbron’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.

1. De procedure

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

de dagvaarding van 1 oktober 2025, met bijlagen;

het antwoord, met bijlagen;

de mail van 6 maart 2026 van mr. Chedie, met één bijlage;

de mail van 9 maart 2026 van mr. Vethanayagam, met één bijlage;

de mail van 9 maart 2026 van mr. Chedie, met bijlagen;

de spreekaantekeningen van mr. Vethanayagam.

Op 20 maart 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: [naam 1], sociaal beheerder bij Woonbron met mr. Vethanayagam, [gedaagde], met een vriendin en mr. Chedie.

De vordering van Woonbron was aanvankelijk ook gericht tegen [naam 2]. Tijdens de zitting heeft Woonbron laten weten dat de vordering tegen hem is ingetrokken. Er zal daarom alleen een vonnis tussen Woonbron en [gedaagde] worden gewezen.

De kantonrechter heeft op verzoek van partijen de zaak twee weken aangehouden om hen in de gelegenheid te stellen met elkaar een minnelijke regeling te treffen. De gemachtigden van partijen hebben de kantonrechter per mail bericht dat zij geen minnelijke regeling hebben getroffen en verzocht vonnis te wijzen.

2. De beoordeling

Waar gaat de zaak over?

[gedaagde] huurt sinds 20 augustus 2019 van Woonbron de sociale huurwoning aan de [adres] (hierna: de woning). Op de aanvraag van [gedaagde] of [naam 3] (hierna: [naam 3]) bij haar mag inwonen, heeft Woonbron positief beslist en toestemming verleend. Volgens Woonbron woont [gedaagde] niet (meer) zelf in de woning en heeft zij in ieder geval over de periode van 28 januari 2024 tot en met 22 augustus 2025 de woning aan [naam 3] onderverhuurd. Woonbron eist daarom in deze procedure ontbinding van de huurovereenkomst en dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de woning te verlaten. Voorts eist Woonbron dat [gedaagde] wordt veroordeeld om een boete van € 15.000,- en de proceskosten te betalen. Daarnaast heeft Woonbron de kantonrechter verzocht vooruitlopend op de definitieve beslissing [gedaagde] te veroordelen om de woning te ontruimen.

[gedaagde] erkent dat zij de woning heeft onderverhuurd, maar heeft aangevoerd dat zij dat niet uit vrije wil heeft gedaan. [gedaagde] woont inmiddels weer in de woning en heeft er belang bij dat zij in de woning kan blijven wonen. Zij heeft de kantonrechter verzocht de vordering en de provisionele vordering af te wijzen.

De kantonrechter wijst de provisionele vordering af omdat in het geval [gedaagde] gelijk heeft, de huurovereenkomst niet zal worden ontbonden en [gedaagde] in de woning mag blijven wonen. In de hoofdzaak draagt de kantonrechter [gedaagde] op feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit kan worden afgeleid dat zij onder zware psychische druk van haar toenmalige partner de woning heeft onderverhuurd.

Provisionele vordering

De provisionele vordering tot ontruiming van de woning wordt afgewezen. [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij onder zware psychische druk van haar toenmalige partner de woning heeft onderverhuurd. Indien dat waar is, is de kantonrechter van oordeel dat de tekortkoming van [gedaagde], het onderverhuren van de woning, de ontbinding van de huurovereenkomst niet rechtvaardigt. In dat geval hoeft [gedaagde] de woning niet te ontruimen.

De hoofdzaak

Maatstaf voor ontbinding van een huurovereenkomst

Volgens artikel 6:265 lid 1 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding en haar gevolgen niet rechtvaardigt. Als ‘hoofdregel’ geldt volgens de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2018:1810) dat slechts een tekortkoming van voldoende gewicht recht geeft op gehele of gedeeltelijke ontbinding van de huurovereenkomst. De verhuurder moet stellen en zo nodig bewijzen dat hiervan sprake is.

Onderverhuur

Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] de woning vanaf 28 januari 2024 tot en met 22 augustus 2025 aan [naam 3] heeft onderverhuurd, zonder dat Woonbron daarvoor toestemming heeft verleend. Daardoor is [gedaagde] in de nakoming van haar verplichtingen tekortgeschoten en is er aldus sprake van een tekortkoming.

[gedaagde] heeft echter aangevoerd dat de tekortkoming haar niet kan worden toegerekend, althans dat het onderverhuren van de woning de ontbinding niet rechtvaardigt.

[gedaagde] heeft tijdens de zitting haar stelling dat zij onder zware psychische druk van haar toenmalige partner [naam 4] de woning heeft onderverhuurd nader toegelicht. Zij heeft onder meer verteld dat zij toen ze twee jaar oud was uit huis is geplaatst en op diverse internaten heeft gezeten. Dat de hulp die zij van Jeugdzorg kreeg vanaf haar achttiende levensjaar is gestopt, zij vanaf dat moment op zichzelf was aangewezen en onder meer op straat heeft geleefd. In augustus 2019 is ze samen met haar toenmalige vriend [naam 2] in de woning gaan wonen. Voorts heeft [gedaagde] verklaard dat [naam 2] problemen had waaronder een drankprobleem waardoor zij veel ruzie hadden en zij niet goed wist wat ze kon doen. [gedaagde] kreeg een baan in Amsterdam aangeboden. Die baan heeft ze geaccepteerd. Zij kon de woning ontvluchten en is bij haar oma in Amsterdam gaan wonen, die ook hulp nodig had in verband met haar gezondheid. [gedaagde] sliep nog af en toe in de woning maar de ruzie met [naam 2] maakte het lastig aldus [gedaagde]. [gedaagde] kreeg in Amsterdam een nieuwe vriend [naam 4]. Na het overlijden van haar oma begin 2023 was [naam 4] de enige persoon die haar hielp en steunde. Volgens de verklaring van [gedaagde] had zij echter niet door dat dit geen goede relatie was. Ze werd door hem mishandeld, geïsoleerd, gemanipuleerd en onder druk gezet. Ze was van hem afhankelijk waardoor ze niet bij hem weg kon. Volgens [gedaagde] was [naam 4] degene die alles regelde en had zij de gang van zaken niet in de hand. [gedaagde] heeft uiteindelijk wel hulp gezocht omdat het ook op haar werk niet goed ging.

Uit de stukken die [gedaagde] in het geding heeft gebracht kan worden afgeleid dat zij vanaf 20 augustus 2023 arbeidsongeschikt is, dat zij op 30 januari 2024 is onderzocht, dat de diagnose posttraumatisch stressstoornis en depressieve stoornis is gesteld en dat [gedaagde] in behandeling is gegaan. Voorts is in een verslag opgenomen “Client is een vrouw van 28 jaar, waarbij PTSS is vastgesteld ten gevolg van fysiek geweld en confrontaties met de dood. Naast PTSS geeft de MINI symptomen weer van een depressieve stoornis, gegeneraliseerde angststoornis en agorafobie. Client is verwezen vanuit HSK vanwege een toename aan angstklachten na een overval op werk in 2023.” Deze stukken onderbouwen dat er met [gedaagde] een en ander aan de hand is en blijkbaar een overval op het werk trigger is geweest voor een toename van klachten. Dat ook de door [gedaagde] gestelde persoonlijke omstandigheden zoals de door haar geschetste privé situatie hier mede debet aan zijn, is onduidelijk. Daarvoor ontbreken verklaringen en is er vooralsnog onvoldoende onderbouwing dat [gedaagde] onder zware psychische druk van [naam 4] heeft gehandeld. Tijdens de zitting is namens [gedaagde] verklaard dat daarvan nog stukken beschikbaar zijn en daarvan bewijs wordt aangeboden

[gedaagde] heeft op dit moment maatschappelijke hulp en is doende haar leven weer op te bouwen. In dat kader heeft zij belang bij behoud van de woning. Indien [gedaagde] door haar toenmalige partner onder zware psychische druk is gezet, kan de kantonrechter zich voorstellen dat [gedaagde] gelet op haar verleden, waarin zij als klein kind uit huis is geplaatst en vanaf haar 18e aan haar lot is overgelaten, geen weerstand heeft kunnen bieden. In dat geval is de kantonrechter van oordeel dat de tekortkoming van [gedaagde], het onderverhuren van de woning, de ontbinding van de huurovereenkomst niet rechtvaardigt. De kantonrechter zal [gedaagde] daarom toe laten tot bewijs.

Bewijsopdracht

De kantonrechter laat [gedaagde] toe om feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit kan worden afgeleid dat zij onder zware psychische druk van haar toenmalige partner de woning heeft onderverhuurd.

Direct nadat [gedaagde] bewijs heeft geleverd, mag Woonbron (tegen)bewijs leveren. De partijen mogen pas op elkaars bewijs reageren als het leveren van bewijs door beide partijen is afgerond. De kantonrechter beoordeelt daarna of het bewijs geleverd is.

In afwachting van de bewijslevering wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

3. De beslissing

De kantonrechter:

draagt [gedaagde] op om feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit kan worden afgeleid dat zij onder zware psychische druk van haar toenmalige partner de woning heeft onderverhuurd;

schriftelijk bewijs

bepaalt dat als [gedaagde] schriftelijk bewijs wil leveren dit bewijs uiterlijk een dag voor de rolzitting van dinsdag 23 juni 2026 om 11.30 uur in tweevoud moet zijn ontvangen op de rechtbank;

getuigenbewijs

bepaalt dat als [gedaagde] getuigen wil laten horen, zij uiterlijk een dag voor de rolzitting die hiervoor is genoemd het aantal en de personalia van de getuigen moet opgeven en de verhinderdata van de getuigen en beide partijen voor de maanden augustus, september en oktober 2026;

wijst erop dat [gedaagde] na het bepalen van een datum en plaats voor het getuigenverhoor zelf de getuigen moet oproepen;

ander bewijs

bepaalt dat als [gedaagde] op een andere manier bewijs wil leveren, [gedaagde] uiterlijk een dag voor de rolzitting die hiervoor is genoemd aan de kantonrechter moet laten weten hoe;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.

754

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand