ECLI:NL:RBROT:2026:6609

ECLI:NL:RBROT:2026:6609

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 15-04-2026
Datum publicatie 09-06-2026
Zaaknummer 10-347964-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het meermalen seksueel misbruiken van zijn kleindochter, terwijl zij aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd. Hij heeft het vaginaal binnendringen ontkend. De rechtbank acht dit wel wettig en overtuigend bewezen, omdat zij de verklaring van de kleindochter betrouwbaar acht en er sprake is van steunbewijs. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden met aftrek van voorarrest.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10-347964-25

Datum uitspraak: 15 april 2026

Datum zitting: 1 april 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [gebortedatum] 1959 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres:

[adres] , [postcode] te [plaatsnaam] ,

gedetineerd in [detentieadres] .

Advocaat van de verdachte: mr. M.J.R. van Walsem

Officier van justitie: mr. N.A. van Manen

Benadeelde partij: [benadeelde partij]

Advocaat van de benadeelde partij: mr. S. Vermeulen

Kern van het vonnis

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het meermalen seksueel misbruiken van zijn kleindochter, terwijl zij aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd. Hij heeft het vaginaal binnendringen ontkend. De rechtbank acht dit wel wettig en overtuigend bewezen, omdat zij de verklaring van de kleindochter betrouwbaar acht en er sprake is van steunbewijs. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden.

1. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij met zijn zesjarige kleindochter [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) meermalen seksuele handelingen heeft verricht, waaronder het seksueel binnendringen van het lichaam. De volledige tenlastelegging (beschuldiging) houdt in dat:

1

hij op een of meer tijdstip(pen)

in of omstreeks de periode van 01 juli 2025 tot 18 december 2025 te Gorinchem, in elk geval in Nederland,

met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2019), een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

- het meermalen, althans eenmaal, brengen en/of (vervolgens) houden en/of bewegen van zijn vinger(s) in de vagina, althans tussen de schaamlippen

van die [slachtoffer] ,

terwijl die [slachtoffer] aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd;

2

hij op een of meer tijdstip(pen)

in of omstreeks de periode van 01 juli 2025 tot 18 december 2025 te Gorinchem, in elk geval in Nederland,

met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2019), een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten

- het meermalen, althans eenmaal, betasten van en/of wrijven over de (blote) vagina en/of de schaamstreek van die [slachtoffer] en/of

- het meermalen, althans eenmaal, pakken van de hand(en) van die [slachtoffer] en/of vervolgens het naar/op zijn (blote) penis brengen/leggen van die hand(en),

terwijl die [slachtoffer] aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd.

2. Bewijs

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor feit 1 en feit 2 ten aanzien van het eerste gedachtestreepje. De officier van justitie heeft partiële vrijspraak gevorderd van feit 2 ten aanzien van het tweede gedachtestreepje.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor feit 1 en feit 2 ten aanzien van het tweede gedachtestreepje. De verdediging heeft zich met betrekking tot feit 2 ten aanzien van het eerste gedachtestreepje gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

Oordeel van de rechtbank

Partiële vrijspraak feit 2 tweede gedachtestreepje

De beschuldiging van feit 2 ten aanzien van het tweede gedachtestreepje is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging waren tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen feit 1 en feit 2 eerste gedachtestreepje

Bewezen is dat de verdachte zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan verkrachting en aanranding van een kind beneden de leeftijd van twaalf jaar, dat aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.4.

De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft feit 2 partieel (eerste gedachtestreepje) bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit partiële feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd, maar niet uitgeschreven.

De aanvang van de ten laste gelegde periode is gebaseerd op de eerste dag van de maand waarin [slachtoffer] zes jaar werd en het einde daarvan op de dag waarop zij voor het eerst met haar moeder over het misbruik sprak. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen wanneer het misbruik precies is aangevangen. De verdediging heeft weliswaar verweer gevoerd ten aanzien van de ten laste gelegde periode, maar de verdachte heeft zelf bekend dat het misbruik vier à vijf keer heeft plaatsgevonden en er zijn ook geen aanwijzingen in het dossier dat het om meer voorvallen zou gaan. Zo bezien is binnen de bewezenverklaring de exacte periode minder relevant.

1. Bekennende verklaring van de verdachte

2. Proces-verbaal van de politie, studioverhoor [slachtoffer]

De bewezenverklaring van feit 1 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.

1. Aangifte van de [aamngeefster]

Mijn dochter [slachtoffer] is geboren op [geboortedatum] 2019. Zij verblijft sinds 13 augustus 2023 om de week van vrijdagavond tot en met zondagavond bij haar opa en oma. Haar opa is [verdachte] . [slachtoffer] vertelde mij op 18 december 2025 dat opa weleens met zijn vingers aan haar vagina zat. Ze zei dat hij ook in haar vagina ging. Dat verklaarde voor mij op dat moment het plekje aan de binnenzijde van haar vagina. In de auto zei [slachtoffer] dat ze iets vergeten was te vertellen aan de huisarts. Ze zei dat opa weleens spuug op zijn vingers deed en dan haar vagina aanraakte.

2. Proces-verbaal van de politie, studioverhoor [slachtoffer]

Mijn opa heeft vaak aan mijn vagina gezeten. Dat is bij opa op de bank beneden gebeurd. Ik was toen zes. Mijn opa zat met zijn blote hand in mijn onderbroek op mijn blote vagina. Hij maakte met zijn hand met twee vingers mijn vagina open en met één vinger in mijn vagina. Dat deed hij vaker. Soms deed hij het te hard en dan voelde ik dat het een beetje pijn deed bij mijn vagina aan de binnenkant.

3. Verklaring van de verdachte

De verdachte [verdachte] , wonende aan de [adres] te [plaatsnaam] verklaarde op 21 december 2025: ik heb aan mijn kleindochter gezeten. Ik ben met mijn hand in haar onderbroek gegaan. Vervolgens heb ik met mijn hand over haar schaamlippen gewreven. Daarna is het nog drie à vier keer gebeurd. Ik denk dat augustus of september 2025 de eerste keer is geweest dat ik over de blote schaamlippen van [slachtoffer] heb gewreven. Het wrijven over de pyjama bij de schaamstreek is misschien begin augustus begonnen. Het gebeurde thuis op de bank. Ik wreef van boven naar beneden of draaide een rondje. Ik wreef met mijn vingers. Soms mijn hele hand of twee en soms drie vingers over de buitenste schaamlippen. Als het wat vochtig was, dan stuiterde mijn hand wat. Ik gleed er niet makkelijk overheen. Dus door wat meer druk te geven over de gehele vagina voorkwam ik het stuiteren. Ik heb wel eens spuug op mijn vinger gedaan om dat stuiteren op te heffen.

4. Proces-verbaal van de politie, camerabeelden

Op 21 december 2025 ontving ik videofragmenten van [aamngeefster] .

Deze camerabeelden zijn afkomstig van een RING deurbel welke in de woonkamer van

[aamngeefster] bewegende videobeelden opneemt.

18 december 2025:

[slachtoffer] : Opa zit dus heel vaak. Bijna heel vaak. Hij heeft het niet zo heel erg vaak gedaan maar, hij deed wel een keertje zo aan mijn vagina zitten. Als ik op de bank zit dan doet hij het.

Bewijsmotivering

Beoordeling rechtbank

De moeder van [slachtoffer] heeft aangifte gedaan van seksueel misbruik van haar zesjarige dochter [slachtoffer] . [slachtoffer] had haar verteld dat haar opa met zijn vingers aan de binnenzijde van haar vagina had gezeten. [slachtoffer] is hierover vervolgens gehoord. Zij verklaarde onder andere dat de verdachte meerdere malen met twee vingers haar vagina had opengemaakt en met één vinger in haar vagina had gezeten. De verdachte heeft bekend dat hij meerdere malen met zijn vingers over de buitenste schaamlippen van [slachtoffer] heeft gewreven.

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaring van [slachtoffer] ten aanzien van het in de vagina gaan onbetrouwbaar is. Daarnaast ontbreekt volgens de verdediging voor dit onderdeel steunbewijs. De rechtbank volgt deze verweren niet en acht feit 1 en feit 2 eerste gedachtestreepje wettig en overtuigend bewezen.

[slachtoffer] heeft op meerdere momenten gedetailleerd verklaard over de seksuele handelingen die de verdachte met haar verrichtte. Zij verklaarde hierover eerst tegen haar moeder. Vervolgens bevestigde zij dit opnieuw in een gesprek met haar moeder en vader samen. Daarnaast heeft zij zowel bij de arts als tijdens het studioverhoor gedetailleerd en consistent verklaard over de seksuele handelingen die haar opa verrichtte. Zo vertelde zij na het bezoek bij de huisarts aan haar ouders dat zij vergeten was te vertellen dat opa weleens spuug op zijn vingers deed en dan haar vagina aanraakte.

De verklaring van [slachtoffer] is authentiek, consistent en mede gelet op haar jonge leeftijd, gedetailleerd. Zij heeft tijdens het studioverhoor niet alleen over de seksuele handelingen zelf verklaard, maar ook aangegeven wat ze ervan vond en hoe het voelde. Specifiek over het seksueel binnendringen verklaarde zij dat de verdachte met twee vingers haar vagina openmaakte en met één vinger in haar vagina ging. Daarnaast vertelde zij dat hij het soms te hard deed. Het deed dan pijn aan de binnenkant van haar vagina.

Bovendien vindt de verklaring van [slachtoffer] op concrete onderdelen steun in de verklaring van de verdachte. Hij heeft immers bekend dat hij meerdere malen met zijn vingers over de buitenste schaamlippen van [slachtoffer] heeft gewreven. Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat hij met zijn vingers van boven naar beneden ging en over haar gehele vagina heeft geduwd. De rechtbank acht, gelet op het vorenstaande, de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar en merkt deze dan ook in het geheel aan als bewijsmiddel. Daar komt bij dat het door de verdachte verklaarde duwen van de vingers, het gebruik van spuug en de door [slachtoffer] ervaren pijn niet passen bij het door de verdachte verklaarde ‘oppervlakkig over haar schaamlippen wrijven’, maar wel bij het binnendringen van de vingers in de vagina.

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, het door de verdediging geschetste alternatieve scenario – dat [slachtoffer] de verdachte heeft verward met haar moeder of oma, die crème aanbrachten – niet aannemelijk. De verdediging heeft dit onvoldoende onderbouwd. Bovendien vindt dit scenario geen steun in het procesdossier. Het verweer wordt verworpen.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte meerdere malen seksuele handelingen, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] , heeft verricht. [slachtoffer] was op die momenten aan de waakzaamheid van de verdachte toevertrouwd, nu zij op regelmatige basis bij de verdachte thuis verbleef en de verdachte dan zorg droeg voor het slachtoffer.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

1

hij

op meer tijdstippen

in de periode van 01 juli 2025 tot 18 december 2025 te Gorinchem,

met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2019),

seksuele handelingen, die bestonden uit het seksueel

binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

- het meermalen, brengen en

bewegen van zijn vinger(s) tussen de schaamlippen

van die [slachtoffer] ,

terwijl die [slachtoffer] aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd;

2

hij

op meer tijdstippen

in de periode van 01 juli 2025 tot 18 december 2025 te Gorinchem,

met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2019),

seksuele handelingen heeft verricht, te weten

- het meermalen betasten van en wrijven over de

blote vagina en de schaamstreek van die [slachtoffer] ,

terwijl die [slachtoffer] aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd.

3. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

Feit 1

verkrachting in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren, begaan jegens een anderszins aan de zorg, waakzaamheid of opleiding van diegene toevertrouwd kind, meermalen gepleegd;

Feit 2

aanranding in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren, begaan jegens een anderszins aan de zorg, waakzaamheid of opleiding van diegene toevertrouwd kind, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4. Straf

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor de feiten 1 en 2 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierenveertig maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast moet aan de verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht worden opgelegd, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] , haar zusje en haar beide ouders en een locatieverbod voor [plaatsnaam] , voor de duur van vijf jaar, met vervangende hechtenis van twee weken per overtreding met een maximum van zes maanden. Tevens wordt gevorderd dat de 38v-maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit de geëiste straf te matigen, gelet op de omstandigheden van het geval en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarnaast heeft de verdediging bepleit het eventuele locatieverbod te beperken tot de straat of wijk waar de familie woont.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan herhaalde verkrachting en aanranding van zijn zesjarige kleindochter [slachtoffer] , terwijl zij aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd. Dit seksueel misbruik heeft zich in een periode van meerdere maanden afgespeeld. Het misbruik is enkel gestopt omdat [slachtoffer] desgevraagd over het seksueel misbruik aan haar moeder vertelde en niet op initiatief van de verdachte zelf. De verdachte heeft door zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van zijn eigen kleindochter. Het is een feit van algemene bekendheid dat feiten als deze doorgaans grote impact hebben op het slachtoffer en op zijn of haar directe omgeving, zoals ook blijkt uit de door de ouders van [slachtoffer] op de zitting voorgedragen schriftelijke slachtofferverklaringen. De verdachte heeft geen rekening gehouden met de gevolgen die dit kan hebben voor haar (latere) psychische en/of seksuele ontwikkeling. Kinderen moeten erop kunnen rekenen dat zij tegen seksueel misbruik worden beschermd door degenen die voor hen zorgen.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 26 februari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad leidt dus niet tot een hogere straf.

Rapport van deskundigen en de reclassering

In het rapport van [naam] (psycholoog) van 4 maart 2026 staat het volgende. De verdachte lijdt niet aan een psychische stoornis en/of verstandelijke handicap, ook niet ten tijde van de ten laste gelegde feiten. De verdachte heeft ten tijde van het tenlastegelegde – indien bewezen – besef gehad van de wederrechtelijkheid daarvan. Hij werd niet op basis van een psychische stoornis belemmerd in zijn vermogen om zijn wil in vrijheid te bepalen. Daarom wordt geadviseerd om het tenlastegelegde volledig toe te rekenen. De kans op recidive is klein. Er zijn geen gronden om een advies voor begeleiding en/of behandeling in een strafrechtelijk kader uit te brengen.

Nu de conclusies van de psycholoog gedragen worden door zijn bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt zij die tot de hare. De verdachte wordt dus volledig toerekeningsvatbaar geacht.

In het reclasseringsadvies van Fivoor van 25 maart 2026 staat het volgende. Uit de gesprekken met de reclassering komen geen aanwijsbare factoren naar voren die het handelen van de verdachte kunnen verklaren. Het risico op recidive blijkt laag. De reclassering is van mening dat geen gronden aanwezig zijn voor begeleiding of behandeling in een strafrechtelijk kader. De reclassering adviseert dan ook een straf zonder voorwaarden bij een bewezenverklaring. Daarnaast adviseert de reclassering ter slachtofferbescherming oplegging van een contact- en gebiedsverbod als vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Het gebiedsverbod houdt in dat de verdachte zich gedurende twee jaren niet bevindt in Gorinchem. Het contactverbod houdt in dat de verdachte zich gedurende twee jaren onthoudt van - direct of indirect - contact met het slachtoffer en aangeefster in deze zaak. Bij deze maatregelen is geen sprake van actief of elektronisch toezicht. De politie treedt reactief handhavend op bij het overtreden van het gebiedsverbod of het contactverbod.

Oplegging straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen; zij vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De rechtbank heeft bij de straftoemeting oog gehad voor de concrete omstandigheden van dit geval. Daarbij heeft de rechtbank de frequentie, de duur en de context waarin de feiten zijn gepleegd, betrokken. De gedachte die de verdachte zegt te hebben gehad zijn kleindochter hiermee te plezieren is, zoals hij achteraf zelf ook heeft onderkend, onbegrijpelijk, omdat een zesjarig kind nog niet in staat is de betekenis en lading van dergelijk gedrag zo te duiden zoals volwassenen dat kunnen doen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat, ondanks de ernst van de feiten, kan worden volstaan met een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank acht een gevangenisstraf van vierentwintig maanden passend en geboden, nu daarin enerzijds voldoende tot uitdrukking wordt gebracht dat sprake is van ernstig strafbaar gedrag, maar anderzijds recht wordt gedaan aan de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de specifieke kenmerken van deze zaak.

Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding tot oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Oplegging hiervan is enkel mogelijk indien de rechtbank van oordeel is dat er rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen dan wel zich belastend naar personen toe zal gedragen. De verdachte heeft zich sinds het incident aan het licht is gekomen, onthouden van het leggen van contact met het slachtoffer en het gezin. Voorts heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard niet meer in Gorinchem te zullen komen, met uitzondering van het ophalen voor zijn persoonlijke spullen, of contact met de familie op te zullen nemen. De verdachte lijkt te zijn doordrongen van het feit dat de familie geen enkele vorm van contact meer wenst. Daarbij heeft de verdachte een blanco strafblad en schat de reclassering de kans op recidive in als laag.

De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

5. Vordering van de benadeelde partij

Vordering [benadeelde partij]

heeft als benadeelde partij voor beide feiten samen € 10.123,68 als vergoeding voor materiële schade en € 12.500,00 als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen minus de stelpost die ziet op medische kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering betreffende de gevorderde materiële medische toekomstige schade van € 10.000,00, omdat de vordering op dit punt onvoldoende is onderbouwd. Ten aanzien van de overige materiële schade van € 123,68 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechter. Het toe te wijzen bedrag aan immateriële schade moet worden gematigd tot een bedrag tussen de € 1.500,00 en € 1.600,00.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van de onder 1 en 2 gepleegde strafbare feiten, namelijk reiskosten, parkeerkosten en kosten van de aanschaf van antischimmelcrème. Dit gedeelte van de vordering wordt toegewezen, nu de verdediging dit gedeelte van de vordering niet heeft weersproken.

Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op toekomstige medische kosten van € 10.000,00, heeft de verdediging betwist. De beoordeling van dit deel van de vordering vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk om bewijslevering. De behandeling van dit deel van de vordering van de benadeelde partij levert een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit betekent dat de verdachte € 123,68 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft als gevolg van de strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij is namelijk op andere wijze in haar persoon aangetast, waardoor zij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van haar immateriële schade.

Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 5.000,00. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard en de ernst van het verwijt. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, maar ook met hoe dit gedrag en de gevolgen ervan geplaatst moet worden binnen de Rotterdamse schaal. Volgens de rechtbank is plaatsing in categorie 15.1.c. van de schaal het meest passend. Binnen de bandbreedte van die categorie wordt dan weer voor een hoge vergoeding gekozen, omdat sprake was van een vertrouwensband tussen dader en slachtoffer en van een heel groot leeftijdsverschil. Het resterende deel van de vordering wordt afgewezen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 5.000,00 als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 18 december 2025.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,00.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 50 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

6. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 57, 249, 250 en 254 van het Wetboek van Strafrecht.

7. Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2, zoals in hoofdstuk 2 omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Vordering benadeelde partij

veroordeelt de verdachte, aan de [benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 5.123,68, bestaande uit € 123,68 als vergoeding van materiële schade en € 5.000,00 als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 18 december 2025 tot de dag van volledige betaling;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering betreffende de materiële schade; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde betreffende de immateriële schade;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,00 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor de feiten 1 en 2 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij]

aan de staat € 5.123,68 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 18 december 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 50 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

8. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P. Joele, voorzitter,

en mrs. A.P. Hameete en A. Kortrijk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. Tanzarella, griffier.

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 15 april 2026.

Mrs. Kortrijk en Tanzarella zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. P. Joele

Griffier

  • mr. L. Tanzarella

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand