RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Dordrecht
zaaknummer: 12008532 CV EXPL 25-4960
datum uitspraak: 11 juni 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V.,
vestigingsplaats: Arnhem,
eiseres,
gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats: [woonplaats],
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘VGZ’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 2 december 2025 met bijlagen;
het mondelinge en schriftelijke antwoord, met bijlagen;
de akte van VGZ met bijlagen;
brieven van [gedaagde] van 26 mei 2026 en 3 juni 2026 met bijlagen.
Op 4 jun1 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig de gemachtigden van VGZ en [gedaagde].
2. De beoordeling
Wat is de kern?
VGZ vordert verschillende bedragen met rente en kosten en zij stelt dat [gedaagde] sinds 2012 een ziektekostenverzekering bij haar heeft afgesloten. [gedaagde] betwist dat. Hij beroept zich op verjaring en op verrekening van verschillende bedragen.
De vordering van VGZ wordt nog nader onderzocht. [gedaagde] kan geen bedragen verrekenen. Deze beslissingen wordt hieronder uitgelegd.
Tussen VGZ en [gedaagde] bestaat sinds 2012 een overeenkomst
VGZ stelt dat [gedaagde] sinds 2012 een ziektekostenverzekering bij VGZ heeft afgesloten. Dat betwist [gedaagde]. Hij voert aan dat hij in 2012 is overgestapt van Trias naar Ditzo.
In een vonnis van 22 november 2022 heeft de kantonrechter beslist [gedaagde] verzekerd is bij VGZ en zij heeft van de totale achterstand een bedrag van € 500,00 toegewezen.
Deze beslissing in het eerdere vonnis kan in deze procedure niet opnieuw worden genomen, want het eerdere vonnis heeft bindende kracht tussen partijen. [gedaagde] heeft dus een overeenkomst met VGZ en hij moet betalen wat is overeengekomen.
Er staat € 1.409,15 aan premies open
VGZ heeft een overzicht overgelegd van alle in haar visie verschuldigde bedragen in de periode van 1 januar1 2012 tot september 2021.
[gedaagde] moet premies voor de verzekering betalen. Het overzicht begint met ‘polismutaties’ € 866,00. VGZ heeft uitgelegd dat het gaat om premies over januari 2012 tot en met augustus 2012: 8 x € 166,25 per maand. [gedaagde] heeft geen premies aan VGZ betaald, dus dit bedrag moet [gedaagde] nog betalen.
Op het overzicht staan de premies van september, november, december 2012 en januari en februari 2013. Deze premies en de kosten voor de acceptgirokaart, in totaal € 543,15, staan ook open.
[gedaagde] is wettelijke rente vanaf 14 dagen na opeisbaar worden verschuldigd over elke maandpremie.
VGZ moet van een aantal declaraties een onderliggende factuur overleggen
In het eerdere vonnis van 24 november 2022 is € 500,00 van de jongste declaraties toegewezen. Vast staat dat [gedaagde] op basis van dat vonnis € 645,33 heeft betaald. Dat wilde VGZ op de zitting in mindering brengen op de oudste vordering, maar de kantonrechter heeft de jongste vordering van € 500,00 toegewezen. Daarom moet de betaling worden toegerekend aan de laatste posten op het overzicht:
- ziekenhuishulp € 185,69;
ziekenhuishulp € 168,15
farmacie € 11,14
polikliniek € 94,66 betaald en € 49,09 niet betaald
[gedaagde] betwist alle declaraties op het overzicht. VGZ heeft daarvan geen onderbouwing gegeven. De kantonrechter wil de facturen zien die horen bij de volgende declaratienummers:1. [nummer 1] van 23 februari 2013
2. [nummer 2] van 9 december 2014
3. [nummer 3] van 31 januari 2016
4. [nummer 4] van 2 maart 2016
5. [nummer 5] van 2 maart 2016
6. [nummer 6] van 2 maart 2016
7. [nummer 7] van 26 mei 2016
8. [nummer 8] van 26 juli 2016
9. [nummer 9] van 26 juli 2018
10. [nummer 10] van 11 september 2018
11. [nummer 11] van 6 november 2020
12. [nummer 12] van 5 februari 2021
13. [nummer 13] van 5 februari 2021 (staat nog € 49,09 open)
VGZ mag stuitingsbrieven overleggen over de vorderingen van vóór 11 september 2018
[gedaagde] beroept zich op verjaring. Een vordering verjaart vijf jaar na opeisbaar worden. In het vonnis van 24 november 2022 heeft de kantonrechter overwogen dat het jongste deel van de vordering nog niet was verjaard. Dat ging om € 807,24 en van dat bedrag heeft zij € 500,00 toegewezen.
Deze beslissing kan niet meer gewijzigd worden, maar het betekent ook dat over verjaring van de rest van de vordering in deze procedure nog een beslissing moet worden gegeven.
Hiervoor is al uitgelegd, dat de laatste bedragen op het overzicht al eerder zijn beoordeeld. Die tellen in deze procedure niet meer mee. Het gaat in deze procedure nog om de vorderingen van 1 januari 2012 tot 5 februari 2021 (€ 49,90 van het bedrag van € 143,73).
[gedaagde] heeft in ieder geval op 17 juni 2022 de dagvaarding van de vorige procedure gekregen. Alle bedragen die vijf jaar daarvoor opeisbaar waren, waren op 17 juni 2022 nog niet verjaard en door de dagvaarding kreeg VGZ een nieuwe termijn van vijf jaar. Dat betekent dat de vorderingen over alle bedragen op het overzicht vanaf 17 juni 2017 niet zijn verjaard. Dat zijn de vorderingen vanaf 11 september 2018.
Als VGZ bieven heeft gestuurd waarin staat dat zij wil dat [gedaagde] betaalt, dan krijgt zij steeds een nieuwe periode van vijf jaar.
VGZ heeft brieven overgelegd waarin staat dat [gedaagde] moet betalen in 2012, 2015, 2018, 2020 en 2021. [gedaagde] betwist dat hij deze brieven heeft ontvangen. VGZ kan niet echter aantonen dat [gedaagde] deze brieven daadwerkelijk heeft ontvangen. Wel wil zij graag aanmaningen overleggen, die zij aan het e-mailadres van [gedaagde] heeft gestuurd. VGZ mag een akte nemen en deze e-mails overleggen. Ook mag VGZ in haar administratie zoeken of [gedaagde] op de overgelegde (papieren) stuitingsbrieven inhoudelijk heeft gereageerd of andere stukken overleggen waaruit blijkt dat [gedaagde] stuitingsbrieven heeft ontvangen. [gedaagde] mag daar weer op reageren.
[gedaagde] heeft geen vordering op VGZ
[gedaagde] wil een bedrag van € 5.000,00 van VGZ hebben omdat InKassier onrechtmatig zou hebben gehandeld. Zelfs als dat waar is, hoeft VGZ dat bedrag niet te betalen, dus [gedaagde] kan dit bedrag niet verrekenen. InKassier is geen procespartij, dus zij kan ook niet worden veroordeeld in deze procedure.
VGZ handelt niet onrechtmatig door deze vordering in te stellen. Daarom kan [gedaagde] geen schadevergoeding van VGZ vorderen in de vorm van € 630,-- voor het opstellen van 9 e-mails. Hij heeft ook geen recht op vergoeding van € 1.127,79 bevelkosten. Dit zijn kosten die de deurwaarder na het vorige vonnis in rekening heeft gebracht. Daar kan in deze procedure geen andere oordeel meer over worden gegeven.
Tenslotte is VGZ niet verplicht om de 30% verhoging van de premie die het CAK aan hem heeft opgelegd aan [gedaagde] te vergoeden.
Slotsom is dat [gedaagde] geen tegenvordering heeft op VGZ die hij zou kunnen verrekenen.
VGZ mag de 14 dagenbrief overleggen
[gedaagde] heeft de ontvangst van alle incassobrieven betwist. VGZ heeft alleen recht op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten als [gedaagde] een zogenaamde 14 dagenbrief heeft ontvangen. VGZ mag stukken overleggen waar de ontvangst van deze brief uit blijkt.
3. De beslissing
De kantonrechter:
verwijst de zaak naar de rol van 9 juli 2026 voor het nemen van een akte door VGZ;
bepaalt dat VGZ de volgende stukken in het geding mag brengen:
e-mails of brieven waaruit blijkt dat [gedaagde] (1) stuitingsbrieven en (2) de 14 dagenbrief heeft ontvangen;
onderliggende facturen bij de posten ‘declaratie’ in het overzicht vanaf 23 februari 2013 tot en met 26 juli 2016 (zie 2.10);
bepaalt dat [gedaagde] op deze stukken zal mogen reageren;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. J.C. Halk en in het openbaar uitgesproken.