Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/671453 / FA RK 24-67
Beschikking van 11 mei 2026 over de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht
in de zaak van:
[naam man] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. P.V. Hübner te Rotterdam,
t e g e n
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. M. Soytekin te Rotterdam.
Deze zaak gaat over de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] , hierna: de minderjarige.
1. De verdere procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
de beschikking van 29 december 2025;
het bericht met bijlagen van de vrouw van 24 maart 2026.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 30 maart 2026. Daarbij zijn verschenen:
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] .
2. De verdere beoordeling
Bij beschikking van 29 december 2025 is de raad verzocht om onderzoek of andere bemoeienis over de regeling van de definitieve uitoefening van het omgangsrecht dan wel de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en het ouderlijk gezag over de minderjarige en 1 oktober 2026 aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen. De eerder vastgestelde voorlopige omgangsregeling is gewijzigd en er is een tussentijdse mondelinge behandeling bepaald om van partijen te vernemen hoe de voorlopige regeling van de uitoefening van het omgangsrecht is verlopen en te bezien of uitbreiding mogelijk is.
De vrouw verklaart tijdens de mondelinge behandeling dat zij haar best heeft gedaan om de huidige omgangsregeling naar behoren uit te voeren. Volgens haar is gebleken dat partijen prima in staat zijn om afspraken met elkaar te maken. Enerzijds erkent de vrouw dat de omgangsmomenten goed zijn verlopen en dat de minderjarige het fijn heeft gehad, anderzijds merkt zij op dat de minderjarige angstig en driftig gedrag vertoont, iets wat voorheen niet zo was. De vrouw wil dit gedrag niet gelijk koppelen aan de omgang van de minderjarige met de man, maar maakt zich wel veel zorgen om haar gezondheid. Deze zorgen zien daarnaast ook op de thuissituatie van de man, omdat er in zijn woning volle asbakken zouden staan. Ook zou de man gedurende de omgangsmomenten te veel op zijn telefoon zitten. Om de rust en stabiliteit van de opvoedsituatie van de minderjarige te waarborgen, wenst de vrouw op dit moment geen uitbreiding van de omgangsregeling. In plaats daarvan zou de vrouw graag zien dat partijen hulpverlening krijgen en dat de huidige omgangsregeling, gedurende de periode dat het raadsonderzoek loopt, wordt voortgezet.
De man ervaart de omgangsmomenten met de minderjarige als positief. Hij vindt het fijn om de minderjarige te zien en krijgt het gevoel dat zij vrolijk is als zij bij hem is. Desalniettemin komt de vrouw de omgangsafspraken regelmatig niet na en beperkt zij de omgang door tijdens de omgangsmomenten nauwelijks afstand te houden. De omgangsmomenten hebben tot nu toe alleen maar plaatsgevonden in de bibliotheek. Wat betreft de stellingen van de vrouw dat de man tijdens de omgangsmomenten veel op zijn telefoon zou zitten en dat hij thuis veel zou roken, benadrukt de man dat deze stellingen onjuist zijn. Hij heeft enkel wat foto’s en filmpjes van de minderjarige gemaakt en rookt thuis niet langer binnen in de woning. De man heeft zich de afgelopen tijd geduldig en meewerkend opgesteld, maar wenst – onder meer vanwege de gezondheidssituatie van de minderjarige - meer betrokkenheid in haar leven. Hij zou dan ook graag zien dat de huidige omgangsregeling wordt uitgebreid.
De raad benadrukt het belang van continuïteit in het contact tussen de man en de minderjarige en adviseert de rechtbank om de huidige omgangsregeling stapsgewijs uit te breiden. Volgens de raad moeten de gezondheidsproblemen van de minderjarige serieus genomen worden, maar kunnen deze problemen niet gelijk gekoppeld worden aan het contact van de minderjarige met de man. Het is belangrijk dat de man leert over het gedrag wat de minderjarige vertoont, zodat hij in de omgang signalen leert herkennen en hierop ook kan inspelen. Ten aanzien van de omgangsmomenten adviseert de raad om videobelmomenten in te plannen. Dit extra contact met de man kan fijn zijn voor de minderjarige, aldus de raad.
De rechtbank is evenals de raad van oordeel dat de huidige omgangsregeling moet worden uitgebreid. Uit hetgeen beide partijen hebben verklaard maakt de rechtbank op dat de minderjarige het tijdens de omgangsmomenten met de man fijn heeft gehad. De rechtbank begrijpt dat de vrouw zorgen heeft over de gezondheidstoestand van de minderjarige, maar kan niet op basis van objectieve gegevens van bijvoorbeeld het omgangshuis en de huisarts, vaststellen dat deze zorgen één op één veroorzaakt worden door het contact dat de minderjarige met haar vader heeft. De rechtbank heeft sterk de indruk dat de minderjarige last heeft van het feit dat het haar ouders niet lukt om samen tot een regeling te komen die voor de minderjarige fijn is. Daarbij zal de geschiedenis van de relatie tussen partijen een rol spelen. De rechtbank heeft de indruk dat de vrouw moeite heeft om de minderjarige los te laten en de man wil juist meer en actiever betrokken zijn. Dit is vanuit beide ouders te begrijpen. Het is van belang dat ouders de bril van de minderjarige op gaan zetten: wat is in haar belang? Zoals de raad heeft aangegeven is het in het belang van de minderjarige dat zij regelmatig blijvend contact heeft met haar vader en dat dit ook contact is waarbij de man zich als verzorgende ouder kan gaan opstellen. Dus zonder de vrouw. Daarbij zullen er dingen misgaan: soms kleine dingen, soms grotere dingen. Maar de rechtbank heeft op voorhand geen concrete aanwijzingen dat de opvoedvaardigheden van de man ernstig tekort schieten. De rechtbank begrijpt dat dit veel van de vrouw vraagt maar ziet geen aanwijzingen om aan te nemen dat dit van de vrouw én de minderjarige teveel vraagt.
De rechtbank zal een nieuwe voorlopige regeling vaststellen en uitleggen hoe de rechtbank tot deze regeling is gekomen. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling voorgesteld dat de minderjarige bij hem thuis verblijft op zaterdag van 11.00 tot 17.00 uur waarbij de man haar ophaalt en haar voor het eten weer thuisbrengt. De vrouw heeft, ondanks haar weerstand, voorgesteld dat zij bereid is de minderjarige lopend naar de ballenbak in Charlois te brengen op zaterdag zodat de minderjarige de man van 11.00 tot 14.00 uur kan zien om zo toch enige vooruitgang te boeken. Beide partijen verdienen een groot compliment dat zij in staat zijn geweest om in het belang van de minderjarige een stap te zetten. De rechtbank zal beide voorstellen verwerken in een opbouwregeling omdat het voor de minderjarige, die nog maar drie jaar oud is, van belang is dat er kleine stapjes worden gezet (‘kleine meisjes, kleine stapjes’). De rechtbank zal niet het advies van de raad over nemen en bepalen dat na elke stap wordt bezien hoe het gaat voordat verder wordt uitgebreid. De rechtbank heeft er op basis van de voorgeschiedenis te weinig vertrouwen in dat alle aspecten van het belang van de minderjarige daarin evenveel gewicht krijgen. Bijvoorbeeld het belang van de minderjarige om in de eigen omgeving van de man alleen contact met hem te hebben, zonder aanwezigheid van de vrouw. Daarom zal de rechtbank een regeling vaststellen waar niet vanaf geweken kan worden en die door beide partijen op de minuut moet worden nagekomen. De eerstvolgende drie omgangsmomenten na deze beschikking, één voor ieder jaar dat de minderjarige oud is, vinden plaats op zaterdag van 11:00 uur tot ten minste 14:00 uur bij de ballenbak in Charlois, waarbij de vrouw de minderjarige naar de ballenbak brengt en de man de minderjarige na afloop weer naar huis brengt. De vrouw mag het eerste kwartier van deze drie omgangsmomenten op afstand aanwezig zijn. De daaropvolgende drie omgangsmomenten vinden plaats op zaterdag van 11:00 uur tot ten minste 14:00 uur bij de man thuis, waarbij de man de minderjarige ophaalt en weer naar huis brengt. De omgangsmomenten die hierop volgen zullen – totdat de rechtbank een andere regeling vaststelt of partijen daarover samen afspraken maken - plaatsvinden op zaterdag van 11:00 uur tot 17:00 uur bij de man thuis, waarbij de man de minderjarige ophaalt en weer naar huis brengt.Voor het geval de minderjarige ziek is, zal de rechtbank bepalen dat in elke fase van de opbouw, de omgang éénmaal niet door kan gaan of ingehaald moet worden. Dat betekent dus dat als de minderjarige in de eerste fase een keer ziek is, er maximaal twee of drie keer wordt afgesproken bij de ballenbak en daarna de omgang bij de man thuis plaatsvindt. Voor de minderjarige is het wel fijn dat zij, als zij ziek is, contact met de man kan hebben. Partijen moeten daar dan iets voor bedenken zoals kort (video) bellen of dat er een kort contactmoment plaatsvindt in de buurt van de minderjarige. Overigens is het van belang dat de vrouw de man betrekt bij de medische zorg van de minderjarige. Het is ook de dochter van de man, hij heeft het recht om te weten welke medische zorgen er over haar zijn. Net zoals de vrouw daar recht op zou hebben als de minderjarige fulltime bij de man zou verblijven.
Tot slot zal de rechtbank nog een (video)belmoment vaststellen. Dat moment zal de rechtbank vaststellen op het moment dat de omgang conform de vorige beschikking in de bibliotheek had moeten plaatsvinden te weten op woensdag om 16.00 uur. De man zal de vrouw bellen op haar mobiele nummer, waarbij de vrouw de telefoon zal opnemen, op speaker zal zetten en aan de minderjarige zal geven. De vrouw mag zich niet mengen in het gesprek. De man zal van te voren vragen moeten bedenken om het gesprekje met de minderjarige wat vorm te kunnen geven. Het zal naar verwachting slechts een gesprek van een aantal minuten zijn. De rechtbank begrijpt dat de vrouw op dit moment geen gebruik kan maken van de camera op haar telefoon. Dat is voor de minderjarige wel heel spijtig. Partijen dienen samen te bedenken hoe toch een videobelmoment kan plaatsvinden en daar uitvoering aan te geven. In het belang van de minderjarige. Een keer per week contact met haar vader is voor haar te weinig, het is in haar belang dat zij tenminste tweemaal per week contact kan hebben en haar vader kunnen zien is dan behulpzaam.
Onder verwijzing naar de beschikking van 29 december 2025 zal de rechtbank de zaak ten aanzien van het gezag en de definitieve uitoefening van het omgangsrecht dan wel de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken pro forma aanhouden tot 1 oktober 2026 in afwachting van het onderzoek van de raad.
Proceskosten
Omdat ten aanzien van het gezag en de omgangsregeling dan wel zorgregeling nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.
3. De beslissing
De rechtbank:
wijzigt de voorlopige omgangsregeling zoals bepaald bij beschikking van 29 december 2025 en bepaalt dat de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht voorlopig met ingang van de datum van deze beschikking als volgt zal zijn:
de man heeft de eerstvolgende drie omgangsmomenten contact met de minderjarige op zaterdag van 11:00 uur tot ten minste 14:00 uur bij de ballenbak in Charlois, waarbij de vrouw de minderjarige naar de ballenbak brengt en de man de minderjarige na afloop weer naar huis brengt en waarbij de vrouw het eerste kwartier van deze omgangsmomenten op de achtergrond aanwezig mag zijn;
de man heeft de daaropvolgende drie omgangsmomenten contact met de minderjarige op zaterdag van 11:00 uur tot ten minste 14:00 uur bij de man thuis, waarbij de man de minderjarige ophaalt en weer naar huis brengt;
de man heeft de daaropvolgende omgangsmomenten – totdat de rechtbank een andere regeling vaststelt of partijen daarover samen afspraken maken - contact met de minderjarige op zaterdag van 11:00 uur tot 17:00 uur bij de man thuis, waarbij de man de minderjarige ophaalt en weer naar huis brengt;
enelke woensdag om 16.00 uur zal de man de vrouw bellen op haar mobiele nummer, waarbij de vrouw de telefoon zal opnemen, op speaker zal zetten en aan de minderjarige zal geven zodat de man en de minderjarige kort kunnen (video)bellen.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
en voordat verder wordt beslist:
houdt de beslissing over het ouderlijk gezag over de minderjarige en de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht dan wel de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken pro forma aan tot 1 oktober 2026 in afwachting van het raadsonderzoek;
bepaalt dat – zodra de rechtbank in deze zaak de verzochte rapportage heeft ontvangen – partijen in de gelegenheid gesteld zullen worden hun procedurele wensen kenbaar te maken, waarna – als nodig – de mondelinge behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een dan te bepalen datum en tijdstip.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.L. Raphael, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M. van Wees, griffier, op 11 mei 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.