ECLI:NL:RBROT:2026:6675

ECLI:NL:RBROT:2026:6675

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 15-04-2026
Datum publicatie 09-06-2026
Zaaknummer 10-347272-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

De verdachte heeft zijn ex-partner bedreigd door middel van het tonen van een vuurwapen. Hiermee heeft de verdachte tevens een vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden gehad. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van tien maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met daarbij bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10-347272-25

Datum uitspraak: 15 april 2026

Datum zitting: 1 april 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres:

[adres] , [postcode] te [plaatsnaam] ,

gedetineerd in [detentieadres] .

Advocaat van de verdachte: mr. T. Sandrk

Officier van justitie: mr. T. van den Bergh

Kern van het vonnis

De verdachte heeft zijn ex-partner bedreigd door middel van het tonen van een vuurwapen. Hiermee heeft de verdachte tevens een vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden gehad.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van tien maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met daarbij bijzondere voorwaarden.

1. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - zijn ex-partner heeft bedreigd en daarbij twee vuurwapens met bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad.

De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat

1.

hij op of omstreeks 19 december 2025 te Zwijndrecht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door de woning van die [slachtoffer] binnen te dringen, althans te betreden en/of (vervolgens) (daarbij) een vuurwapen aan die [slachtoffer] te tonen en/of voor te houden;

2.

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen(een) vuurwapen(s) in de zin van art. 1 onder 3, gelet op artikel 2, lid 1 van Categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten

een omgebouwd alarmpistool naar een kogelverschietend pistool van het merk Blow, type TR92K, kaliber 9 mm Br c. (9x17 mm)zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistoolen/of(voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van art. 1 onder 4, gelet op art. 2, lid 2 van Categorie III, te weten 15 kogelpatronen van het kaliber 9 mm Br c. (9x17 mm)

en/of

een omgebouwd gaspistool naar een kogelverschietend pistool van het merk Retay, type R26, kaliber .380 mm Auto (9x17 mm)zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistoolen/of(voor dit vuurwapen geschikte) munitiein de zin van art. 1 onder 4, gelet op art. 2, lid 2 van Categorie III, te weten een of meer kogelpatronen van het kaliber 380 Auto (9x17 mm),

voorhanden heeft gehad.

2. Bewijs

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten 1 en 2, met dien verstande dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het medeplegen van feit 1. De officier heeft ten aanzien van feit 2 geoordeeld dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het bezit van het pistool van het merk Blow, type TR92K met bijbehorende munitie en heeft voor dit gedeelte ook vrijspraak gevorderd.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor feit 1. De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat de verdediging het met de officier van justitie eens is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van het vuurwapen van het merk Blow, type TR92K, met bijbehorende munitie. Voorts heeft de verdediging vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde medeplegen.

Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

Oordeel van de rechtbank

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de feiten 1 en 2. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.

De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft feit 2 ten aanzien van het vuurwapen van het merk Retay, type R26, bekend en er is ten aanzien van dat vuurwapen geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd, maar niet uitgeschreven. Anders dan de officier van justitie en met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verdachte het vuurwapen niet tezamen en in vereniging met (een) ander(en) voorhanden heeft gehad, zodat de verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen.

Ten aanzien van feit 2

1. Verklaring van de verdachte

2. Proces-verbaal van de politie

3. Proces-verbaal van de politie

4. Proces-verbaal van de politie

5. Proces-verbaal van de politie

De bewezenverklaring van feit 1 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.

Ten aanzien van feit 1

6. Proces-verbaal van de politie, verklaring van de [aangeefster]

Plaats delict: Zwijndrecht.

Pleegdatum: 19 december 2025.

Op 19 december 2025 zag ik dat mijn dochter [naam 1] de voordeur open deed.

Hierop zag ik dat er drie mannen mijn woning in liepen. Ik zag dat het mijn ex-vriend [verdachte] geboren op [geboortedatum]/1997 was.

Ik hoorde dat [verdachte] vroeg waar mijn vriend was. Eerder op de dag had mijn vriend [naam 2] een discussie gehad met het zusje van [verdachte]. Dit gebeurde nadat het zusje van [verdachte] had gescholden op het moment dat zij ROBLOX aan het spelen was met de dochter van [slachtoffer]. [naam 2] hoorde dat het zusje van [verdachte] had gescholden en sprak haar hierop aan. Ik hoorde dat het zusje van [verdachte] zei dat ze zelf bepaalt wat zij wel of niet mag zeggen. Hierop hoorde ik de discussie verder gaan en het uit de hand liep.

Hierop zei ik dat [naam 2] zich niet in de woning bevond. Hierop liep [verdachte] door de woning om zelf te kijken of [naam 2] in de woning was.

Vervolgens kwam [verdachte] terug de woonkamer inlopen. Ik hoorde dat [verdachte] tegen mijn dochter [naam 1] zei dat [naam 1] even naar boven moest.

Vervolgens zei ik tegen [verdachte] dat hij mijn woning moest verlaten. Hierop zag ik dat [verdachte] met zijn rechterhand een vuurwapen uit zijn schoudertasje haalde. Ik herkende dit als een echt vuurwapen. Dit herken ik, omdat ik ongeveer zeven jaar geleden ook een vuurwapen zag in de woning van [verdachte]. Ook gezien de geschiedenis van [verdachte], had ik het gevoel dat het een echt vuurwapen betrof. Ik zag dat [verdachte] dreigende bewegingen maakte, door te zwaaien in mijn richting, met het vuurwapen in zijn rechterhand. Ik zag door de zwaaiende bewegingen die [verdachte] met het vuurwapen maakte, dat ik meerdere malen in zijn vuurlijn kwam. Ik hoorde hem tegelijkertijd dreigingen uiten, zoals dat hij nog een keer terug zou komen en: “Als je niet normaal doet, dan kom ik terug voor jou en je vriend.”.

Na de dreigende uitingen te horen en het vuurwapen te zien voelde ik mij erg bedreigd

en onveilig in mijn woning. Ik zat hoog in mijn adrenaline en hierdoor werd ik ook

angstig, omdat ik dacht dat hij mij echt wat zou aan doen met het vuurwapen.

7. Verklaring van de verdachte

Ik had het vuurwapen ongeveer vijf seconden in mijn hand en toen vroeg ik of haar vriend thuis was.

Bewijsmotivering

Standpunt verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde bedreiging wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Hiertoe is het volgende aangevoerd.

De verdachte is de woning van de aangeefster binnengelaten en daarom is er geen sprake van het ten laste gelegde binnendringen dan wel betreden van de woning. De verdachte kwam daar immers naartoe om hun dochter op te halen. Voorts ontkent de verdachte het vuurwapen op de aangeefster te hebben gericht en verbale bedreigingen te hebben geuit. Daarbij ontbreekt het voor een bewezenverklaring vereiste opzet op het bedreigen van de aangeefster. Op het moment dat de verdachte doorhad dat de partner van de aangeefster niet aanwezig was, heeft hij het vuurwapen opgeborgen.

De raadsman heeft subsidiair aangevoerd dat er in geval van een bewezenverklaring sprake is van opzet in voorwaardelijke vorm.

Beoordeling rechtbank

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat de verdachte de woning is binnengelaten en dat deze feitelijkheid niet kan worden gezien als onderdeel van een eventuele bedreiging.

Vast staat dat de verdachte in de woning van de aangeefster in haar bijzijn een vuurwapen uit zijn tas heeft gepakt en daarbij heeft gevraagd waar de vriend van de aangeefster was. De vraag die dient te worden beantwoord, is of het tonen van een vuurwapen in de gegeven omstandigheden een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, of met zware mishandeling, jegens de aangeefster oplevert. Daartoe is onder meer vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde persoon in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat de bedreiging ten uitvoer zou kunnen worden gelegd en dat de bedreigde persoon daarbij het leven zou kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.

De rechtbank is van oordeel dat daarvan sprake is. De aangeefster was immers op de hoogte van de onenigheid die eerder op de dag had plaatsgevonden tussen het zusje van de verdachte en de vriend van de aangeefster. In dat licht bezien heeft de aangeefster de voornoemde gedragingen kunnen aanmerken als bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht zoals bedoeld in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

De ten laste gelegde bedreiging kan wettig en overtuigend worden bewezen.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

3. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

feit 1

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 2

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4. Straf

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor feiten 1 en 2 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarden zoals de reclassering heeft geadviseerd, alsmede de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om het contactverbod met de medeverdachte als bijzondere voorwaarde achterwege te laten wegens gebrek aan noodzaak. Voorts heeft de raadsman verzocht om het locatieverbod te beperken tot de straat van de aangeefster zodat dit niet tot onnodige logistieke problemen zal leiden bij het ophalen en thuisbrengen van hun dochter.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft zijn ex-partner in haar woning bedreigd door middel van het tonen van een vuurwapen. Hiermee heeft de verdachte ook een vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden gehad. Hun dochtertje was tijdens de bedreiging in dezelfde woning aanwezig en was tevens in de auto aanwezig toen de verdachte met zijn voertuig door de politie langs de kant van de weg werd gezet en vervolgens werd aangehouden.

De eigen woning is bij uitstek een plek waar iemand zich veilig moet kunnen voelen. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij door zijn handelen afbreuk heeft gedaan aan dat gevoel van veiligheid. Bovendien heeft hij bij vertrek uit de woning zijn dochtertje in de auto meegenomen. Omdat de politie vervolgens naar die auto op zoek is gegaan, rekening houdend met mogelijk vuurwapenbezit, is hiermee ook nog het risico ontstaan dat bij de aanhouding zou worden geschoten en het kind daarbij zou zijn geraakt. Het voorhanden hebben van een vuurwapen leidt - zoals ook blijkt uit het feit dat de verdachte ermee heeft gedreigd - gemakkelijk tot het gebruik ervan en vormt daarom een onaanvaardbaar risico in de maatschappij. Vuurwapengeweld leidt regelmatig tot zeer gevaarlijke situaties en slachtoffers, zoals ook blijkt uit de hoeveelheid schietincidenten in de regio Rotterdam. Zowel het gebruik als het voorhanden hebben van een vuurwapen brengt ook gevoelens van onveiligheid in de samenleving teweeg. Tegen het ongecontroleerde bezit van vuurwapens dient daarom streng te worden opgetreden.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 26 februari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.

Rapport van de reclassering

In het rapport van Reclassering Nederland van 19 maart 2026 staat het volgende.

De reclassering ziet de relatie met ex-partner, het sociale netwerk en het psychosociale functioneren van de verdachte als delict gerelateerde factoren. De reclassering krijgt de indruk dat de verdachte over onvoldoende vaardigheden beschikt om problemen op een adequate manier op te lossen wanneer hij zich boos en/of gefrustreerd voelt, zoals in geval van het onderhavige feit. De verdachte geeft achteraf aan niet te weten wat er met hem gebeurde.

De verdachte en zijn ex-partner zijn acht jaar geleden uit elkaar gegaan. Samen hebben zij een dochter van negen jaar oud. De omgang rondom hun dochter is op basis van informatie van Veilig Thuis altijd goed verlopen. De reclassering heeft geen directe zorgen op dit gebied.

Ten tijde van het onderhavige feit waren tevens een vriend en het neefje van de verdachte betrokken. Deze vriend had ook een vuurwapen bij zich. Daarnaast geeft de verdachte aan dat hij het vuurwapen heeft verkregen via een kennis. Om deze redenen acht de reclassering risicofactoren aanwezig ten aanzien van het sociale netwerk van de verdachte.

De reclassering schat de risico’s op recidive en op letsel in als gemiddeld en het risico op onttrekken aan voorwaarden als laag.

De reclassering adviseert oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, deelname aan de gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, een contactverbod met de aangeefster en de medeverdachte en een locatieverbod voor de stad Zwijndrecht.

Oplegging straf

Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen; zij vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De rechtbank houdt in strafverminderende zin rekening met het feit dat de verdachte berouw heeft getoond ten aanzien van zijn handelen en enige openheid van zaken heeft gegeven. Daarom wordt een gevangenisstraf van tien maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.

De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd, met uitzondering van het locatieverbod en het contactverbod met de aangeefster en de medeverdachte. De wel opgelegde bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen. De rechtbank ziet geen meerwaarde in oplegging van het locatieverbod en het contactverbod. Dit zou tot onnodige praktische problemen leiden ten aanzien van de omgang met zijn dochter. Bovendien heeft verdachtes ex-partner ook niet aangegeven die verboden op prijs te stellen.

Nu de rechtbank geen locatie- en contactverbod oplegt als bijzondere voorwaarden, ziet de rechtbank evenmin meerwaarde in het dadelijk uitvoerbaar verklaren van de bijzondere voorwaarden.

5. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

6. Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 10 (tien) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Voorwaardelijk strafdeel

bepaalt dat van deze gevangenisstraf 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

stelt als bijzondere voorwaarden dat:

geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:

Voorlopige hechtenis

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk is aan die van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

7. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P. Joele, voorzitter,

en mrs. A.P. Hameete en A. Kortrijk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. Tanzarella, griffier.

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 15 april 2026.

Mrs. Kortrijk en Tanzarella zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. P. Joele

Griffier

  • mr. L. Tanzarella

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand