Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-060107-23
Datum uitspraak: 25 maart 2026
Datum zitting: 11 maart 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. Ö. Saki,
Officier van justitie: mr. M. Kruit.
Kern van het vonnis
De verdachte wordt vrijgesproken van het witwassen van contante geldbedragen en een auto. Niet kan worden bewezen dat zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de contante geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig waren. Naar de verklaringen van de verdachte over de herkomst van het geld waarmee de auto is aangeschaft, is onvoldoende nader onderzoek verricht.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij contante geldbedragen van in totaal € 39.910,00 en een auto heeft witgewassen. De volledige tenlastelegging (beschuldiging) houdt in dat:
1
zij, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 december 2016 tot en
met 14 oktober 2021, te Dordrecht, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen
één of meerdere voorwerpen, te weten
- contante geldbedragen ad in totaal 39.910,00 euro
(contante stortingen boven 450 euro, pagina 20 dossier)
heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt,
terwijl zij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit voorwerp c.q. die
voorwerpen, geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk en/of middellijk, afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
2
zij, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 oktober 2020 tot en
met 31 maart 2022, te Dordrecht, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen
een voorwerp, te weten
- een (personen)auto (merk/type: mini Cooper S Countryman, voorzien van kenteken: [kentekennummer] )
heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt,
terwijl zij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit voorwerp geheel of
gedeeltelijk middellijk, afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
2. Vrijspraak
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor beide feiten.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak feit 1 (witwassen € 39.910,00)
De verdachte beschikte over een bankrekening, waarop gedurende meerdere jaren contante geldbedragen zijn gestort. Zij had in die periode een beperkt legaal inkomen. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat een deel van de contante stortingen afkomstig was uit de eenmanszaak van haar echtgenoot [persoon A] . Een ander deel van de contante stortingen betrof volgens haar verjaardagsgeld van haar kinderen en geld dat de verdachte bij andere feestelijke aangelegenheden had gekregen. [persoon A] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij contante geldbedragen uit zijn zaak heeft gestort op de bankrekening van de verdachte.
Voor een bewezenverklaring van witwassen van een voorwerp is onder meer vereist dat vast komt te staan dat de verdachte wist, dan wel redelijkerwijs moest vermoeden, dat het voorwerp afkomstig was uit enig misdrijf.
Op de bankrekening van de verdachte zijn van december 2016 tot en met medio oktober 2021 voor een totaalbedrag van € 39.910,00 contante stortingen boven de € 450,00 gedaan. In veel gevallen ging het om bedragen onder de € 1.000,00. Veruit het hoogste bedrag dat werd gestort was € 6.000,00 op 30 oktober 2020.
Uit de bewijsmiddelen is niet gebleken dat de verdachte wetenschap had dat de contante bedragen afkomstig waren uit enig misdrijf. De verdachte wordt daarom vrijgesproken van witwassen (artikel 420bis Wetboek van Strafrecht).
De volgende vraag die beantwoord moet worden, is of de verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat de contante bedragen afkomstig waren uit enig misdrijf. De rechtbank overweegt als volgt. Het is een feit van algemene bekendheid dat in de bouwsector, waarin de echtgenoot van de verdachte actief was, geregeld contante betalingen worden gedaan. De contante stortingen die op de bankrekening van de verdachte zijn gedaan, hadden niet een dusdanige omvang dat die niet verklaard zouden kunnen worden als omzet uit een onderneming in de bouwsector. Om die reden kan niet worden gezegd dat de verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat de gelden uit enig misdrijf afkomstig waren.
Dit betekent dat de rechtbank niet bewezen acht dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen van de ten laste gelegde contante geldbedragen van in totaal € 39.910,00 (artikel 420quater Wetboek van Strafrecht). Zij zal daarom ook daarvan worden vrijgesproken.
Vrijspraak feit 2 (witwassen Mini Cooper S Countryman, [kentekennummer] )
Zoals reeds eerder overwogen, is voor een bewezenverklaring van witwassen van een voorwerp vereist dat vast komt te staan dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Als er op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, kan witwassen toch bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden heeft aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Als de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring.
De verdachte heeft de Mini Cooper voor € 15.500,00 gekocht. Een gedeelte (€ 9.500,00) van de aanschafprijs is contant betaald en een gedeelte (€ 6.000,00) is betaald door middel van een pinbetaling, waaraan een contante storting voorafging. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij de € 9.500,00 heeft geleend van haar ene oma en dat de € 6.000,00 afkomstig is uit de erfenis van haar andere oma. De lening en de erfenis zijn in een eerdere klaagschriftprocedure over de in beslag genomen Mini Cooper onderbouwd met schriftelijke verklaringen.
De betaling van € 9.500,00 bleef net onder de grens van € 10.000,00 waarboven verdachte transacties moeten worden gemeld. Aan de pinbetaling van € 6.000,00 ging op dezelfde dag een contante storting op de bankrekening van de verdachte vooraf. Dit maakt dat er een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen voor deze bedragen was.
De verdachte heeft een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven voor de herkomst van het geld waarmee zij de Mini Cooper heeft aangeschaft – te weten de hierboven genoemde lening en erfenis. Het had daarom op de weg van het Openbaar Ministerie gelegen om die schriftelijke verklaringen nader te onderzoeken. Niet gebleken is dat het Openbaar Ministerie dat heeft gedaan. Dit leidt ertoe dat niet de conclusie kan worden getrokken dat het niet anders kan zijn dan dat de Mini Cooper is witgewassen, zodat de verdachte ook hiervan moet worden vrijgesproken.
3. In beslag genomen voorwerp
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen Mini Cooper wordt verbeurdverklaard.
Oordeel van de rechtbank
Gelet op de vrijspraak van het tenlastegelegde, wordt de vordering tot verbeurdverklaring afgewezen en beslist de rechtbank tot de teruggave van de Mini Cooper aan de verdachte.
4. Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
In beslag genomen voorwerp
beveelt de teruggave van de Mini Cooper S Countryman voorzien van kenteken [kentekennummer] aan de verdachte.
5. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. P. Joele, voorzitter, en
mrs. D.M. Douwes en J. Langeveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L. Lobs-Tanzarella, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 25 maart 2026.
Mrs. J. Langeveld en L. Lobs-Tanzarella zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.