Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/703405 / FA RK 25-5427
Beschikking van 12 mei 2026 over de onderhoudsbijdrage
in de zaak van:
[naam man] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. M.A.J. Beers te Hendrik-Ido-Ambacht,
t e g e n
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. B.J. de Deugd te Nieuwerkerk a/d IJssel.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 16 juli 2025;
het verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 26 augustus 2025;
de berichten met bijlagen van de man van 13 januari 2026 en 24 maart 2026;
het bericht met bijlagen van de vrouw van 14 januari 2026.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 7 april 2026. Daarbij zijn verschenen:
de man met zijn advocaat;
de advocaat van de vrouw.
De vrouw is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
De oudste minderjarige is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft hier geen gebruik van gemaakt.
2. De vaststaande feiten
De man en de vrouw zijn de ouders van de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats 1] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats 2] .
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 9 juni 2017 is bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna: kinderbijdrage) steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 196,75 per maand per kind.
Door een gewijzigde zorgkorting hebben partijen de kinderbijdrage in onderling overleg gewijzigd naar € 153,38 per maand per kind met ingang van 1 mei 2019.
De man is in 2023 gehuwd met [naam] (hierna: [naam] ). Dit huwelijk is op 16 juli 2025 ontbonden.
Met [naam] heeft de man twee minderjarige kinderen:
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2019 te [geboorteplaats 3] ;
[minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2020 te [geboorteplaats 4] .
[naam] heeft een dochter uit een eerdere relatie voor wie zij onderhoudsplichtig is: [minderjarige 5] , geboren op [geboortedatum 5] 2014 te [geboorteplaats 3] .
3. De beoordeling
Het geschil
De man verzoekt:
te verklaren voor recht dat de in de beschikking van 9 juni 2017 opgenomen kinderbijdrage op 1 mei 2019 is gewijzigd naar een kinderbijdrage van € 153,38 per kind per maand, per 1 september 2024 naar € 50,- per kind per maand en per 1 maart 2025 naar € 17,- per kind per maand;
wijziging van de beschikking van 9 juni 2017 in die zin, dat de in die beschikking vastgestelde kinderbijdrage met ingang van 16 juli 2025 wordt bepaald op een bedrag van € 17,- per kind per maand.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
Verklaring voor recht
De verzochte verklaring voor recht wordt afgewezen. De vrouw erkent dat de kinderbijdrage per 1 mei 2019 is verlaagd naar € 153,38 per kind per maand en partijen hebben hier feitelijk gevolg aan gegeven, zodat de man geen belang heeft bij zijn verzochte verklaring voor recht. Dat er nadien andere afspraken zijn gemaakt over verlaging van de bijdrage wordt door de vrouw gemotiveerd betwist. Gelet op deze gemotiveerde betwisting had de man zijn stelling nader moeten onderbouwen. Dat heeft hij niet gedaan. Hij volstaat met de constatering dat hij feitelijk minder is gaan betalen, maar daaruit kan geen afspraak worden afgeleid.
Wijziging van omstandigheden
Op grond van artikel 1:401 lid 1 BW kan een rechterlijke uitspraak of overeenkomst over levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Deze wettelijke maatstaven zijn de behoeften van de alimentatiegerechtigde en de draagkracht van de alimentatieplichtige (artikel 1:397 lid 1 BW). Niet elke wijziging van omstandigheden is voldoende voor wijziging van de onderhoudsbijdrage. Alleen die wijzigingen waardoor het aanvankelijk vastgestelde of overeengekomen bedrag niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven, zijn in dit opzicht rechtens relevant.
Volgens vaste jurisprudentie moet in geval van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden een volledige herbeoordeling plaats vinden aan de hand van alle op dat moment bestaande omstandigheden.
Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden omdat de man nu onderhoudsplichtig is voor vier minderjarigen in plaats van voor twee minderjarigen. De rechtbank zal de kinderbijdrage dan ook opnieuw beoordelen.
Samenloop van onderhoudsverplichtingen
Er is sprake van een samenloop van onderhoudsplichtingen. Partijen zijn beiden onderhoudsplichtig voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De man is tevens samen met [naam] onderhoudsplichtig voor [minderjarige 3] en [minderjarige 4] . Daarnaast is [naam] onderhoudsplichtig voor [minderjarige 5] . De onderhoudsplicht van de man voor zijn vier minderjarige kinderen is van gelijke rang. Bij een samenloop moet de rechtbank beoordelen of de man in staat is om aan al zijn onderhoudsverplichtingen te voldoen. De rechtbank zal voor de verdeling van de kosten de ‘nieuwe methode’ bij samengestelde gezinnen toepassen, zoals tijdens de mondelinge behandeling besproken en aangekondigd. Daarbij wordt de zuivere draagkracht van de man per gezin berekend, in plaats van zijn afgeleide draagkracht op basis van de vier kinderen waarvoor hij onderhoudsplichtig is. Dit wordt ook wel de ‘verhoudingenmethode’ genoemd. Voor zover de man een tekort heeft om in het totaal van de aandelen van de kinderen te kunnen voorzien, wordt dit naar rato van dit tekort over de vier aandelen omgeslagen.
De rechtbank is van oordeel dat deze wijze van berekening leidt tot een meer rechtvaardige uitkomst. Een andere verdeling van de draagkracht van de man, waarbij de draagkracht eerst over de kinderen wordt verdeeld en er daarna pas een draagkrachtvergelijking met de vrouw plaatsvindt, zou betekenen dat zij naar verhouding een groter deel van de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor haar rekening moet nemen, terwijl de man onderhoudsplichtig is voor vier kinderen en hij onvoldoende draagkracht heeft om de hierna berekende aandelen te voldoen.
De ingangsdatum
Tussen partijen is in geschil met ingang van welke datum de kinderbijdrage moet worden gewijzigd. Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst over dit geschilpunt een beslissing nemen.
Het verzoekschrift is op 16 juli 2025 bij de rechtbank ingediend, zodat de vrouw vanaf die datum rekening heeft kunnen houden met een eventuele wijziging van de kinderbijdrage. Daarbij komt dat de man na de datum van het verzoek niets meer heeft betaald, zodat geen terugbetalingsverplichting voor de vrouw ontstaat. Daarom zal de rechtbank deze datum als ingangsdatum vaststellen.
De behoefte
Tussen partijen is niet in geschil dat het eigen aandeel van partijen in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna: de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ) € 567,24 per maand per kind in 2025 bedraagt.
Ten aanzien van de behoefte van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] overweegt de rechtbank als volgt. De man heeft het ouderschapsplan van 16 juni 2025 tussen hem en [naam] overgelegd met daarbij een berekening van hun netto besteedbaar gezinsinkomen van € 3.163,- per maand. Dit gezinsinkomen is door de vrouw niet betwist. Vaststaat ook dat bij de bepaling van dit gezinsinkomen geen rekening is gehouden met de door de man aan de vrouw verschuldigde kinderbijdrage voor [minderjarige 1] en [minderjarige 4] en met de kosten van [minderjarige 5] . De vrouw voert aan dat op dit gezinsinkomen de per 1 mei 2019 overeengekomen bijdrage van € 153,38 per maand per kind (naar de rechtbank aanneemt geïndexeerd naar 2025) in mindering moet strekken en ook een bedrag voor [minderjarige 5] , omdat de man en [naam] feitelijk minder te besteden hadden voor [minderjarige 3] en [minderjarige 4] nu ook [minderjarige 5] onderdeel uitmaakte van hun gezin.
Vaststaat dat de man aan het einde het huwelijk met [naam] slechts € 100,- per maand bijdroeg in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De rechtbank is van oordeel dat het de vrouw terecht onredelijk voorkomt dat, doordat de man feitelijk minder betaalde dan overeengekomen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , de behoefte van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] hoger uitkomt. Voor de behoefte is echter bepalend wat er feitelijk beschikbaar was. Dat is het voornoemde netto besteedbaar gezinsinkomen minus een bedrag van € 100,- per maand voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Daarnaast zal de rechtbank, bij gebrek aan andere gegevens, in mindering brengen een geschat bedrag van € 100,- per maand voor [minderjarige 5] . Er resteert dan een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 2.963,-.
Hiervoor genoemd netto besteedbaar gezinsinkomen, levert op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen van 2025, die is opgenomen als bijlage bij het rapport, een bedrag op van € 632,- per maand. De behoefte van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] bedraagt dus € 632,- per maand, of te wel € 316,- per maand per kind in 2025.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte met worden verdeeld. Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld worden. Gezien de ingangsdatum van de wijziging van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2025-2.
De draagkracht van de man
Het inkomen van de man is in geschil. De man stelt dat hij in 2025 een winst uit onderneming van € 24.543,- had. Dit bedrag volgt ook uit de aangifte inkomstenbelasting 2025 en wordt op zich niet door de vrouw betwist. De vrouw voert echter aan dat uitgegaan moet worden van een verdiencapaciteit van € 80.000,- bruto per jaar.
De man is in 2021 gedeeltelijk gaan werken als zelfstandige en per mei 2022 volledig. Daarvoor werkte hij in loondienst als vrachtwagenchauffeur waarmee hij een inkomen stelde te genereren van € 38.000,- à € 39.000,- bruto per jaar. De reden om voor zichzelf te beginnen is dat de man er zo veel mogelijk wil zijn voor [minderjarige 3] en [minderjarige 4] . Hij geeft aan van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] veel gemist te hebben en dat niet ook bij [minderjarige 3] en [minderjarige 4] te willen.
In de beschikking van 9 juni 2017 is uitgegaan van een draagkracht van de man van € 482,- per maand. Daar waren partijen het over eens en is dus destijds als passend geacht. Sindsdien is het inkomen van de man gedaald door zijn eigen toedoen. Die keuze mag de man maken, maar het is wel een keuze waarop de vrouw geen invloed had en die ten nadele is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Naar het oordeel van de rechtbank kan die keuze niet betekenen dat de man daardoor nauwelijks meer kan bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Daar komt bij dat het de rechtbank niet duidelijk hoe de man zijn werkende leven heeft ingericht. Hij geeft aan in principe vier dagen per week te werken maar soms, als hij geen opdracht heeft, ook wel eens drie dagen of een week niet. Daarnaast geeft hij aan periodes van geen werk te hebben tussen opdrachten in verband met de planning van zijn werkzaamheden. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank de vrouw in haar standpunt dat niet aangesloten dient te worden bij het door de man gestelde inkomen. Dat hij een verdiencapaciteit heeft van € 80.000,- bruto per jaar, zoals door de vrouw gesteld, komt de rechtbank echter niet reëel voor. De rechtbank acht het redelijk om de draagkracht uit 2017 te indexeren naar 2025 en die draagkracht aan te houden bij de beantwoording van de vraag welk bedrag de man moet bijdragen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De rechtbank bepaalt de draagkracht van de man in 2025 aldus op € 628,- per maand.
De draagkracht van de vrouw
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de als bijlage 1 in deze beschikking opgenomen berekening) het NBI van de vrouw aan de hand van de cumulatieven op de loonstrook van 1 januari 2026, waarop een jaarloon staat genoemd van € 25.549,55, op € 2.889,- per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting
Op de omstandigheid dat de inkomensafhankelijke combinatiekorting gaat vervallen, kan de rechtbank nog niet vooruitlopen.
Rekening is gehouden met het kindgebonden budget van € 9.114,- per jaar, waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft.
De draagkracht van de vrouw wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 498,- per maand.
De man voert aan dat rekening moet worden gehouden met de werkelijke woonlast van de vrouw in plaats van met het woonbudget. Hij heeft echter onvoldoende onderbouwd gesteld wat die netto woonlasten feitelijk zijn. Daarbij komt dat het tekort van partijen om in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te voorzien minimaal is. In het vorenstaande ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om af te wijken van de formule.
De draagkracht van [naam]
Voor de draagkracht van [naam] sluit de rechtbank aan bij de laatste door de man gemaakte draagkrachtberekening. Hij becijfert de draagkracht van [naam] daarin op € 98,- per maand. Dat betekent dat [naam] , die onderhoudsplichtig is voor drie kinderen, voor [minderjarige 3] en [minderjarige 4] een draagkracht heeft van € 65,33 per maand.
Draagkrachtvergelijking tussen de man en de vrouw
De man en de vrouw hebben een gezamenlijke draagkracht van € 1.126,- per maand (€ 628,- plus € 498,-). Dit is onvoldoende om in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 1.134,48 per maand (€ 567,24 maal 2) te voorzien.
Omdat deze gezamenlijke draagkracht lager is dan de behoefte kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven. De bijdrage van de man is beperkt tot zijn draagkracht van € 628,- per maand.
Draagkrachtvergelijking tussen de man en [naam]
De man en [naam] hebben een gezamenlijke draagkracht van € 693,33 (€ 628,- plus € 65,33) voor [minderjarige 3] en [minderjarige 4] . Dat is voldoende om in de behoefte van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] van € 632,- te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] naar rato van de draagkracht van de man en [naam] wordt verdeeld.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: € 628 / € 693,33 x € 632 = € 572,-
Het eigen aandeel van [naam] bedraagt: € 65,33 / € 693,33 x € 632= € 60,-
Draagkrachtvergelijking conform de verhoudingsmethode
De totale eigen aandelen van de man bedragen € 1.200,- (€ 628,- en € 572,-). De man heeft maar een draagkracht van € 628,- per maand en dat is dus onvoldoende om in al zijn onderhoudsverplichtingen te voorzien.
In een dergelijk geval moet het beschikbare bedrag dan over de vier minderjarigen worden verdeeld, in beginsel gelijkelijk maar bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven tot een andere verdeling. Hier zal de rechtbank de draagkracht aldus verdelen dat iedere minderjarige een gelijk percentage krijgt van wat de rechtbank hiervoor als aandeel heeft berekend. Op die manier wordt ook rekening gehouden met verschil in behoefte van de minderjarigen en met wat de andere ouder voor de betreffende minderjarigen kan bijdragen. De man kan voor 52 % aan zijn onderhoudsverplichtingen voldoen (€ 628,- / € 1.200,- x 100%). Daarom stelt de rechtbank het uiteindelijke aandeel van de man in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vast op € 327- per maand (52% van € 628,-). Dat is € 163,50 per maand per kind.
Zorgkorting
Partijen zijn het eens over de toepassing van een zorgkorting van 5%. Omdat de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] € 1.134,48 per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 57,- per maand.
Omdat de draagkracht van partijen (€ 327,- plus € 498,- is € 825,-) tezamen onvoldoende is om volledig in de behoefte te voorzien, wordt het tekort aan beide partijen voor de helft toegerekend. Omdat de helft van dit tekort hoger is dan de zorgkorting kan de man de zorgkorting niet in mindering brengen op de eerder berekende bijdrage.
Conclusie
Op dit moment geldt tussen partijen de afspraak uit 2019 dat de man een bijdrage voldoet van € 153,38 per maand per kind. Partijen zijn het erover eens dat deze bijdrage geïndexeerd moet worden. Geïndexeerd naar 2025 is dat een bijdrage van € 192,- per maand per kind. Uit het vorenstaande blijkt dat de man slechts in staat is een bijdrage van € 163,50 per maand per kind te voldoen in 2025. De rechtbank zal het verzoek van de man dan ook in zoverre toewijzen dat de bijdrage met ingang van 16 juli 2025 wordt bepaald op € 163,50 per maand per kind als zijnde in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Met ingang van 1 januari 2026 bedraagt de bijdrage dan € 172,- per maand per kind, ingevolgde de wettelijke indexering.
Op deze alimentatie is verder van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4. De beslissing
De rechtbank:
wijzigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 9 juni 2017 en de afspraak tussen partijen per 1 mei 2019 in die zin, dat de daarbij aan de man opgelegde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen met ingang van 16 juli 2025 wordt bepaald op € 163,50 per maand per kind en met ingang van 1 januari 2026 op € 172,- per maand per kind;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. Berghuis-Knijff, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. E.L. Visser, griffier, op 12 mei 2026.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.
Bijlage 1