Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/710302 / FA RK 25-8811
Beschikking van 12 mei 2026 over de hoofdverblijfplaats van de minderjarige, de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de kinderbijdrage
en over voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv
in de zaak van:
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. N. Plaisier te Hendrik-Ido-Ambacht,
t e g e n
[naam man] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. S.A. Ray te Rotterdam.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 18 november 2025;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 23 december 2025;
het verweerschrift op de zelfstandige verzoeken met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 14 januari 2026;
de berichten met bijlagen van de vrouw van 25 maart 2026 en 1 april 2026;
het bericht met bijlagen van de man van 27 maart 2026.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 7 april 2026. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw met haar advocaat;
de man met zijn advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam] .
De minderjarige is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft met de kinderrechter gesproken.
2. De vaststaande feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
De man en de vrouw zijn de ouders van de minderjarige
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats] .
Daarnaast zijn de man en de vrouw de ouders van de meerderjarige:
[meerderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] 2004.
Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over de minderjarige.
3. De beoordeling
Voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv
Beide partijen hebben hun verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken. De rechtbank zal die verzoeken afwijzen.
Hoofdzaak
Hoofdverblijfplaats
De vrouw verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij haar zal zijn.
De man geeft tijdens de mondelinge behandeling aan dat hij geen bezwaar heeft tegen de bepaling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw en evenmin tegen inschrijving van de minderjarige op het adres van de vrouw.
De rechtbank beslist volgens het verzoek, omdat dit verzoek niet is weersproken en op de wet is gegrond. Niet is gebleken dat het belang van de minderjarige zich hiertegen verzet.
Zorgregeling
De vrouw verzoekt een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen waarbij de minderjarige bij de man is:
twee keer in de week met het avondeten;
om de week van vrijdag 17:00 uur tot zondag 17:00 uur;
waarbij de contactmomenten niet bij de vrouw thuis plaatsvinden;
en vakanties en feestdagen worden in onderling overleg geregeld.
De man verzoekt te bepalen dat de vrouw niet meer in de woning zal verblijven op de afgesproken momenten dat de man omgang met de kinderen heeft in de gezamenlijke woning van partijen (hierna: de woning) en te bepalen dat er een zorgregeling moet worden vastgelegd zodra de woning is verkocht waarbij een vorm van co-ouderschap wordt aangehouden in die vorm dat de kinderen om de week bij de man en de vrouw verblijven en het wisselmoment vast te leggen op vrijdagavond.
Op dit moment woont de vrouw in de woning. De man heeft twee keer per week tijdens het avondeten in de woning contact met [minderjarige] (en [meerderjarige] ) en ook om de week van vrijdag 17:00 uur tot zondag 17:00 uur, ook in de woning. Inmiddels is de woning verkocht en beide partijen zullen begin juli 2026 hun eigen woning betrekken. De vrouw vindt de huidige regeling erg belastend omdat zij als de man in de woning is ofwel bij anderen moet verblijven ofwel boven in de woning moet blijven. Alhoewel de man de huidige regeling niet ideaal vindt, wil hij deze nog wel voorzetten totdat partijen hun eigen huis kunnen betrekken.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn de mogelijkheden van de man om de contacten tussen hem en de minderjarige ergens anders dan in de woning te laten plaatsvinden en ook de mogelijkheden van de vrouw om tijdens die momenten niet in de woning te verblijven, besproken. Die mogelijkheden zijn niet gevonden. Met de raad is de rechtbank van oordeel dat de huidige regeling totdat partijen eigen woonruimte hebben nog even moet worden voortgezet. Hoewel de rechtbank begrijpt dat dat niet ideaal is, gaat het om een nog maar zeer korte periode. Het contact tussen de man en [minderjarige] (en [meerderjarige] ) is erg belangrijk en omdat dit kennelijk niet ergens anders kan plaatsvinden en het voor [minderjarige] prettig is als het contact in zijn vertrouwde omgeving plaatsvindt, is de woning de enige oplossing. Het is aan de vrouw zo veel mogelijk afwezig te zijn en anders om zich zoveel mogelijk afzijdig te houden.
In de huidige regeling hebben de man en [minderjarige] beperkt contact. De rechtbank ziet niet in waarom deze beperkte regeling gehandhaafd moet worden op het moment dat beide partijen in hun eigen woning wonen. De vraag die voorligt is vervolgens of de zorg verdeeld moet worden in de vorm van een co-ouderschapsregeling zoals door de man verzocht. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend.
Het bezwaar dat de vrouw aanvoert tegen de co-ouderschapsregeling is het gebrek aan communicatie tussen partijen. Weliswaar is communicatie belangrijk, maar het gebrek daaraan kan niet in de weg staan aan co-ouderschap. De vrouw heeft geen andere bezwaren aangevoerd, anders dan dat de man veel werkt, maar ook zij werkt nu vier dagen in de week. Gesteld noch gebleken is dat de man de zorg voor [minderjarige] niet aankan. De rechtbank ziet wel dat partijen nog stappen moeten zetten op het gebied van de communicatie. Hun communicatiestijlen zijn erg uiteenlopend. Het is aan partijen om een passende manier van communicatie te vinden, die niet via de kinderen verloopt, maar rechtstreeks tussen partijen. Dit kan bijvoorbeeld via de mail. De rechtbank verwacht ook dat de spanning tussen partijen afneemt vanaf het moment dat zij ieder hun eigen woning bewonen. Het is aan partijen om zo nodig begeleiding op dit punt te zoeken. De rechtbank kan zich voorstellen dat partijen, met behulp van een deskundige, naar elkaar uitspreken wat zij wel en niet prettig vinden aan ieders communicatie waarna zij met elkaar kunnen bespreken wat voor ieder wel werkt zodat het in het vervolg beter gaat.
De man heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw de vakanties en feestdagen in onderling overleg te verdelen. Dit verzoek zal de rechtbank dan ook toewijzen.
Kinderbijdrage
De vrouw verzoekt, na wijziging van haar verzoek, vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna: kinderbijdrage) van € 559,- per maand.
De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt een kinderbijdrage van € 221,- per maand vast te stellen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
De ingangsdatum
Tussen partijen is in geschil met ingang van welke datum de kinderbijdrage moet worden vastgesteld. Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst over dit geschilpunt een beslissing nemen.
De rechtbank zal de kinderbijdrage vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking. De man heeft in de afgelopen periode bijgedragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , in ieder geval door drie maal een bedrag over te maken aan de vrouw en de kosten voor de mobiele telefoon van [minderjarige] alsmede de kosten voor de sportschool te voldoen. Daarnaast heeft de man onweersproken gesteld te hebben bijdragen in de woonlasten van de gezamenlijke woning.
De behoefte
Tussen partijen is niet in geschil dat het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarige (hierna: de behoefte van de minderjarige) € 830,- per maand in 2025 bedraagt. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte € 868,- per maand.
Draagkrachtberekening
Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarige tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht. Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld worden. Gezien de ingangsdatum van de vaststelling van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2026-1.
De man is directeur groot aandeelhouder van zijn onderneming [bedrijf 1] (hierna: de holding). De holding houdt 100% van de aandelen van [bedrijf 2] (hierna: de werkmaatschappij). Daarnaast bezit de man 30 van de 90 aandelen in [bedrijf 3] De holding ontvangt van de werkmaatschappij een management fee voor de door de man voor de werkmaatschappij verrichte werkzaamheden. De man ontvangt loon van de holding.
Tussen partijen is het inkomen van de man uit de holding in geschil. Uit de stukken blijkt dat de man in 2024 een salaris uit zijn holding heeft ontvangen van € 56.000,- bruto per jaar (en in 2023 van € 54.000,- bruto per jaar). De man stelt dat zijn inkomen in 2025 en 2026 ongewijzigd is gebleven ten opzichte van 2024, zodat uitgegaan moet worden van een inkomen van € 56.000,- bruto per jaar bij het bepalen van zijn draagkracht. Ter onderbouwing daarvan voert de man onder verwijzing naar de BTW-aangiften 2025 aan dat de omzet in de werkmaatschappij in 2025 lager is dan in 2024, zodat hierdoor in de rede ligt dat het inkomen van de man niet kan zijn gestegen. De stelling van de man over zijn inkomen is echter niet te verifiëren. De man heeft, op de BTW-aangiften 2025 na, geen stukken over 2025 en 2026 overgelegd. De man stelt dat de jaarstukken over 2025 niet klaar zijn, maar hij is in loondienst bij de holding zodat hij geacht wordt in ieder geval salarisspecificaties en jaaropgaven te ontvangen. Het had op zijn weg gelegen om de jaaropgave over 2025 alsmede de salarisspecificaties over 2026 in het geding te brengen. Als die er om welke reden dan ook toch niet zijn, dan had de man op zijn minst een verklaring van zijn accountant over die jaren kunnen overleggen. Op de man rust een verzwaarde motiveringsplicht in welk kader hij ter onderbouwing van zijn verweer de daarop betrekking hebbende stukken in het geding moet brengen. De vrouw heeft daar ook op aangedrongen. Nu hij dat niet heeft gedaan zal de rechtbank dan ook uitgaan van het door de vrouw gestelde inkomen uit loondienst van € 65.000,- bruto per jaar. Het enkele feit dat uit de aangiften BTW 2025 volgt dat er dat jaar sprake was van een lagere omzet in de werkmaatschappij zodat een verhoging van het inkomen uit de holding niet logisch voorkomt, maakt dat, bij gebrek aan overige recente financiële gegevens, niet anders.
Vervolgens is tussen partijen in geschil of de man zichzelf dividend uit de holding kan uitkeren. De vrouw stelt dat rekening moet worden gehouden met een jaarlijkse dividenduitkering van € 50.000,-. Bij gebrek aan recente stukken, en gelet op de positieve resultaten in de holding in het verleden, gaat de vrouw ook voor 2026 uit van een positief resultaat in de holding dat, in plaats van dit toe te voegen aan de reserves, als dividend kan worden uitgekeerd.
De man voert aan dat van een uitkering van dividend geen sprake kan zijn. Het uitkeren van een positief resultaat is niet mogelijk, omdat er ook vermogen in zijn holding beschikbaar moet zijn voor de situatie waarin hij tijdelijk geen opdrachten heeft. Als onweersproken staat vast dat de man geen arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft en dat hij tien van de twaalf maanden niet werkt. Verder is door de man niets naar voren gebracht waaruit blijkt dat een uitkering van dividend niet mogelijk is, anders dan dat gelden moeten worden toegevoegd aan de reserves.
De rechtbank constateert dat de omzet in de holding van de man in 2023 en 2024 bestaat uit een door de werkmaatschappij aan de holding verschuldigde management fee van € 90.000,- per jaar. Na aftrek van kosten, waaronder het loon van de man, en onder bijvoeging van het aandeel in het resultaat van de werkmaatschappij is het resultaat in die jaren (2023: € 34.386,-; 2024: € 58.392,-), rekening houdend met rente en belastingen, toegevoegd aan het eigen vermogen (de overige reserves). Dat eigen vermogen bedraagt per 31 december 2023 € 198.132,- en per 31 december 2024 € 256.524,-. De rechtbank is bij gebrek aan de (concept-)jaarstukken 2025 en een prognose over 2026 niet bekend met recente cijfers van de ondernemingen. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen dat de holding op dit moment niet in staat is om dividend van € 50.000,- uit te keren. Weliswaar kan het aanhouden van een buffer redelijk zijn, maar aangezien de stukken er niet zijn, kan de rechtbank niet vaststellen welke buffer nodig is en waarom het reeds aanwezige eigen vermogen daarin niet al voorziet. Onder verwijzing naar de al vermelde verzwaarde motiveringsplicht die voor de man geldt, zal de rechtbank daarom bij het bepalen van de draagkracht van de man rekening houden met een jaarlijkse dividenduitkering van € 50.000,-. Gelet op het bij de rechtbank bekende meest recente resultaat in 2024 in combinatie met het eigen vermogen in dat jaar, komt de rechtbank dat niet onredelijk voor.
Tenslotte stelt de vrouw dat privé kosten als zakelijke kosten worden geboekt. Daarom heeft de man een inkomen van € 1.500,- netto per maand extra. Dit is gemotiveerd betwist door de man. De rechtbank overweegt dat de vrouw ter onderbouwing van haar stelling weliswaar bonnen heeft overgelegd, maar daarmee is niet komen vast te staan dat die kosten niet in rekening courant zijn geboekt zoals door de man naar voren is gebracht en welke kosten aan het bedrijf moeten worden terugbetaald. Daarbij komt dat de man aanvoert dat een deel van de bonnen ook daadwerkelijk zakelijke kosten zijn. In het kader van deze betwisting had het op de weg van de vrouw gelegen nader toe te lichten op welke wijze uit de beschikbare financiële stukken uit de jaren waarop de bonnen ook (deels) betrekking hebben, volgt dat privékosten als zakelijke kosten zijn opgevoerd. Dat heeft zij niet gedaan. Gelet hierop zal de rechtbank geen rekening houden met een extra netto inkomen van € 1.500,- per maand.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de als bijlage 1 in deze beschikking opgenomen berekening) het huidige NBI van de man aan de hand van een inkomen van € 65.000,- bruto per jaar en een jaarlijkse dividenduitkering van € 50.000,- op € 6.693,- per maand. Rekening is gehouden met de op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet van € 3.152,-. De algemene heffingskorting en de arbeidskorting zijn in aanmerking genomen.
De vrouw heeft haar NBI berekend aan de hand van haar loonstroken, zoals weergegeven in de als productie 16 overgelegde draagkrachtberekening. De man heeft de juistheid van die berekening niet weersproken, zodat de rechtbank van die berekening zal uitgaan. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de als bijlage 2 in deze beschikking opgenomen berekening) het huidige NBI van de vrouw op € 3.082,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens:
- basisloon € 2.810,-
- vakantiegeld 8% op jaarbasis
- pensioenpremie € 105
- aanvullende premie € 5
- netto werknemerspremie € 11
De algemene heffingskorting en de arbeidskorting zijn in aanmerking genomen.
Rekening is gehouden met het kindgebonden budget van € 6.313,- per jaar, waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft. De vrouw gaat in haar berekening zelf uit van een lager kindgebonden budget, maar dat lijkt gebaseerd op een ander (hoger) inkomen.
De draagkracht van partijen wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 2.324,- per maand voor de man en € 554,- per maand voor de vrouw.
Draagkrachtvergelijking
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarige moet de behoefte over partijen worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het deel van de man bedraagt: € 2.324 / € 2.878 x € 868 = € 701
het deel van de vrouw bedraagt: € 554 / € 2.878 x € 868 = € 167 +
samen € 868
Van de totale behoefte van de minderjarige komt dus een gedeelte van € 701,- per maand voor rekening van de man.
Zorgkorting
Bij de nu vast te stellen co-ouderschapsregeling hoort een zorgkorting van 35%. Weliswaar is de zorgregeling de komende periode beperkter waarbij een lagere zorgkorting hoort, maar deze periode is zo kort dat de rechtbank per de ingangsdatum van de kinderbijdrage met een zorgkorting van 35% rekent.
Omdat de behoefte van de minderjarige € 868,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 304,- per maand.
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarige, wordt de eerder berekende bijdrage van de man verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen € 397,- per maand.
Conclusie
Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige van € 397,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.
Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4. De beslissing
De rechtbank:
in de voorlopige voorziening:
wijst de verzoeken af;
in de hoofdzaak:
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw zal zijn;
stelt vast dat de minderjarige in het kader van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de man zal zijn als volgt:
tot het moment dat partijen ieder hun eigen woning hebben betrokken: twee keer per week tijdens het avondeten alsmede om de week van vrijdag 17:00 uur tot zondag 17:00 uur in de gezamenlijke woning;
vanaf het moment dat partijen ieder hun eigen woning hebben betrokken: om de week een week met het wisselmoment op vrijdagavond waarbij de vakanties en feestdagen in onderling overleg worden geregeld;
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 397,- per maand;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. Berghuis-Knijff, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. E.L. Visser, griffier, op 12 mei 2026.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.
Bijlage 1