RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11656965 CV EXPL 25-9769
datum uitspraak: 22 mei 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[opdrachtgever] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
gemachtigde: mr. A.F.M. den Hollander,
tegen
[onderneming] B.V., die mede handelt onder de naam [onderneming] ,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
vertegenwoordigd door: [bestuurder] (bestuurder).
De partijen worden hierna ‘ [opdrachtgever] ’ en ‘ [onderneming] ’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
- het tussenvonnis van 5 september 2025, met de daarin genoemde stukken.
Op 12 maart 2026 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren aanwezig [opdrachtgever] met gemachtigde en V. Bolt (tolk) en [bestuurder] namens [onderneming] .
2. Waar gaat de zaak over?
Partijen zijn rond 27 augustus 2023 een overeenkomst van aanneming overeengekomen voor de verbouwing van de woning van [opdrachtgever] . [opdrachtgever] stelt dat [onderneming] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst door geen deugdelijk werk te leveren en de werkzaamheden niet tijdig af te ronden, waardoor hij zich genoodzaakt voelde een derde in te huren om de werkzaamheden af te maken. Hij vordert daarom vervangende schadevergoeding van € 1.727,25, met de rente en (proces)kosten.
[onderneming] betwist de vordering en voert hiertoe het volgende aan. De werkzaamheden hebben meer tijd gekost doordat [opdrachtgever] telkens nieuwe werkzaamheden opdroeg. Van de aanneemsom heeft [opdrachtgever] een deel contant betaald. Het restant wilde [onderneming] aanvankelijk laten zitten maar gelet op de vordering in conventie wil [onderneming] dat [opdrachtgever] alsnog betaalt. Daarom vordert [onderneming] een bedrag van in totaal € 4.676,- (restant € 2.600,- en € 1.576,87 voor loodgieterswerkzaamheden). Als de vordering van [opdrachtgever] wordt afgewezen, is hij bereid zijn vordering in te trekken. De proceskosten wil hij niet betalen.
De vorderingen in conventie en in reconventie worden afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
3. De beoordeling
in conventie en in reconventie
Vaststaat dat tussen partijen rond 27 augustus 2023 een overeenkomst van aanneming ex artikel 7:750 BW tot stand is gekomen voor de verbouwing van de keuken en badkamer in de woning van [opdrachtgever] . Uit de overgelegde offerte van [onderneming] volgt dat de werkzaamheden bestaan uit 10 fasen met een totaalbedrag van € 5.500,-, waarbij de betaling in drie delen zou plaatsvinden. Een aanbetaling van 30%, een tweede betaling van 40% nadat fasen 1,2,3,7 en 9 waren afgerond en het restant van 30% van het bedrag na oplevering. De werkzaamheden zouden op grond van de overeenkomst binnen drie weken zijn afgerond.
Om te bepalen of [onderneming] aansprakelijk is voor de gevorderde schade omdat hij is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst is verzuim vereist. Voor het intreden van verzuim is een schriftelijke ingebrekestelling vereist, waarbij [onderneming] nog een laatste kans krijgt om de verbintenis deugdelijk na te komen. Indien [onderneming] geen gebruik heeft gemaakt van deze kans, dan is hij na het verstrijken van deze termijn in beginsel schadeplichtig. Als nakoming blijvend onmogelijk is, is een ingebrekestelling niet vereist.
[opdrachtgever] stelt dat hij op 1 oktober 2023 al een totaalbedrag van € 5.150,- had voldaan terwijl de fases 1,2,3,7 en 9 nog niet waren afgerond. Dit terwijl [onderneming] op 4 oktober 2023 alweer een aanvullende overeenkomst ter hoogte van € 1.576,87 stuurt met wijzigingen en evaluaties. Hierin stond ook vermeld welke werkzaamheden wel waren afgerond en welke niet. [onderneming] zou vervolgens zonder geldige reden de werkzaamheden hebben gestaakt nadat [opdrachtgever] de aanvullende factuur niet wilde betalen. Volgens [opdrachtgever] is er een vaste set van werkzaamheden afgesproken voor een vaste prijs en zag die aanvullende factuur op loodgieterswerkzaamheden waarvoor hij geen opdracht had gegeven.
[onderneming] betwist niet dat partijen een termijn van drie weken zijn overeengekomen, maar stelt dat die termijn een inschatting is waaraan geen rechten kunnen worden ontleend. Dit is door [opdrachtgever] onvoldoende weersproken. Gebleken is voorts dat tijdens de werkzaamheden zich allerlei omstandigheden – mede door toedoen van [opdrachtgever] – hebben voorgedaan die voor vertraging hebben gezorgd. Zo heeft [onderneming] onbetwist gesteld dat hij kasten uit elkaar moest halen, behang, lichtarmaturen en tapijt moest verwijderen en nog een aantal extra werkzaamheden moest verrichten voor hij aan de overeengekomen werkzaamheden kon beginnen. Ook blijkt uit de door [onderneming] overgelegde Whatsapp gesprekken dat hij tijdens de werkzaamheden stuitte op problemen met de pijpleidingen in de badkamer en de wc en hij [opdrachtgever] daarvan op de hoogte heeft gesteld. Los van de discussie of de daarvoor door [onderneming] gestelde extra bestede tijd juist is, kan worden vastgesteld dat deze werkzaamheden niet in de overeenkomst staan en zorgen voor vertraging. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat [onderneming] het werk niet tijdig opleverde. Tijdens de zitting heeft [onderneming] verder aangevoerd dat van de aanvullende factuur alle werkzaamheden zijn verricht en van de overeenkomst alleen het cementdekvloer op het leidingwerk nog niet was gedaan. [opdrachtgever] betwist dat en stelt dat de badkamer en de keuken nog niet af waren en dat daar de prioriteit lag. [opdrachtgever] heeft vervolgens niet voldoende onderbouwd wat niet is afgerond. [opdrachtgever] heeft in dat kader weliswaar foto’s van zijn woning overgelegd, maar die zijn, in het licht van het bovenstaande, ontoereikend.
Voor wat betreft de gestelde ondeugdelijkheid van de werkzaamheden geldt dat – naast de betwisting van [onderneming] – [opdrachtgever] [onderneming] niet in de gelegenheid heeft gesteld om het werk af te maken. Ook heeft [opdrachtgever] niet gesteld en onderbouwd dat hij [onderneming] vóór de ingebrekestelling van 17 december 2024 heeft aangesproken op de kwaliteit van het tot dan toe door [onderneming] verrichte werk en hem daarvoor (voor zover vereist) in gebreke heeft gesteld. Op het moment dat [onderneming] werd aangeschreven voor een schadevergoeding, was al een ander klusbedrijf ingeschakeld en waren de herstelwerkzaamheden verricht. Dit blijkt uit de factuur van 18 november 2023 van het klusbedrijf. [onderneming] is daarom niet schriftelijk in gebreke gesteld om na te komen, terwijl nakoming nog mogelijk was. Al hetgeen [onderneming] daarover verder heeft aangevoerd stuit op het voorgaande af.
Daarnaast staat op de factuur van het klusbedrijf weliswaar kort omschreven welke werkzaamheden zijn uitgevoerd, maar daaruit kan niet worden opgemaakt wat zij precies heeft gedaan en of dat ziet op de gestelde niet deugdelijk uitgevoerde werkzaamheden van [onderneming] aan de badkamer en de keuken. [opdrachtgever] heeft daarom onvoldoende onderbouwd dat de werkzaamheden ondeugdelijk zijn uitgevoerd.
Gelet op al het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat [onderneming] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Het voorgaande betekent dat de conventionele vordering van [opdrachtgever] wordt afgewezen.
Nu de vordering in conventie wordt afgewezen, zal gelet op hetgeen door [onderneming] is aangevoerd, ook de eis in reconventie worden afgewezen. Daarbij komt dat de vordering van [onderneming] onduidelijk en onvoldoende onderbouwd is, waardoor de vordering niet is komen vast te staan. Gelet daarop zou de vordering ook worden afgewezen.
Proceskosten
Omdat beide partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld, ziet de kantonrechter aanleiding om in dit geval de proceskosten te compenseren in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.
4. De beslissing
De kantonrechter:
in conventie en in reconventie
wijst de vorderingen af;
compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij verder de eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.
48436