Rechtbank RotterdaM
Meervoudige economische kamer strafzaken
Parketnummer: 83-066144-23
Datum uitspraak: 27 mei 2026
Datum zitting: 13 mei 2026
Tegenspraak
Verdachte rechtspersoon:
[verdachte rechtspersoon]
statutair gevestigd op het adres [vestigingsadres] , [postcode] [vestigingsplaats] ,
op de zitting vertegenwoordigd door de heer [persoon A] .
Advocaten van de verdachte: mrs. A.H. Gaastra en D. Mollee
Officier van justitie: mr. A.A. de Groot
Kern van het vonnis
[verdachte rechtspersoon] wordt vrijgesproken van de beschuldiging. [verdachte rechtspersoon] kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor de aan boord van het schip ontstane lekkage van de vloeistof styreenmonomeer, nu de gedragingen die tot de lekkage hebben geleid niet hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon [verdachte rechtspersoon] . Verder kan niet worden vastgesteld dat [verdachte rechtspersoon] valsheid in geschrift heeft gepleegd, aangezien zij uitsluitend verantwoordelijk kan worden gehouden voor het deel van de controlelijst dat ziet op de walinstallatie.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt [verdachte rechtspersoon] ervan dat zij - samengevat - in strijd met artikel 6.2 van de destijds geldende Waterwet heeft gehandeld (feit 1) en dat zij valsheid in geschrift heeft gepleegd (feit 2). De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
1
zij, op of omstreeks 14 september 2022 te Rotterdam (Maasvlakte), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk, een stof, te weten Styreen monomeer, heeft gebracht in de Europahaven, zijnde een oppervlaktewaterlichaam, terwijl daartoe geen strekkende vergunning was verleend door de Minister als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet en/of het bestuur van het betrokken waterschap, en/of daarvoor geen vrijstelling was verleend bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, en/of artikel 6.3 eerste tot en met derde lid van de Waterwet niet van toepassing was;
2
zij, op of omstreeks 14 september 2022 te Rotterdam (Maasvlakte), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een ADN controlelijst, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door op die controlelijst een ‘X’ in te vullen bij ‘Ja’ bij
en (vervolgens) dat document te ondertekenen,
met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
2. Vrijspraak
Inleiding; vaststaande feiten en omstandigheden
Op 14 september 2022 lag het binnenvaartschip [naam schip] (hierna: het schip) afgemeerd bij [verdachte rechtspersoon] (hierna: [verdachte rechtspersoon] ) in de Europahaven op de Maasvlakte in Rotterdam. Het schip was daar om de vloeistof styreenmonomeer (hierna: styreen) te laden. Styreen is gevaarlijk voor de gezondheid en het watermilieu. De bemanning van het schip heeft voorafgaand aan het laden een ‘veiligheidsrondje’ aan boord van het schip gedaan. Zij hebben de schipper (verdachte) verteld dat het schip laadbereid was. De schipper heeft de kolom ‘schip’ van de ADN-controlelijst ingevuld, waaronder vragen 7 en 14. De heer [persoon B] heeft namens [verdachte rechtspersoon] de kolom ‘walinstallatie’ van die lijst ingevuld, waaronder eveneens vragen 7 en 14. Vervolgens is begonnen met het laden. Via de leiding waar de ontgassingsventilator nog op was aangesloten, lekte er daarna styreen. De bemanning heeft direct het proces stilgelegd en geprobeerd de schade te beperken. Zo’n 150 liter styreen is in het water terechtgekomen. Naderhand is gebleken dat de bemanning van het schip tijdens het veiligheidsrondje over het hoofd heeft gezien dat voornoemde leiding naar de ontgassingsventilator niet was afgeflensd. Hierdoor kon styreen uit de tanks op het schip en het water terechtkomen.
Standpunten van de procespartijen
De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte rechtspersoon] moet worden veroordeeld voor de feiten 1 en 2. De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor beide feiten.
Oordeel van de rechtbank
Oppervlaktewaterlichaam
De verdediging heeft betwist dat (artikel 6.2 van) de destijds geldende Waterwet van toepassing was op de Europahaven. De rechtbank stelt vast dat de Europahaven een oppervlaktewaterlichaam is als bedoeld in de toenmalige Waterwet, zodat de Waterwet van toepassing is.
Feit 1; toerekening
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de rechtspersoon [verdachte rechtspersoon] strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor de onder feit 1 opgenomen gedragingen (het lekken van styreen in het oppervlaktewater). Zij overweegt daarover als volgt.
Een rechtspersoon kan als dader van een strafbaar feit worden aangemerkt indien de gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Een belangrijk oriëntatiepunt daarbij is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich één of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:
handelen of nalaten van iemand die voor de rechtspersoon werkt;
de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;
de gedraging heeft de rechtspersoon voordeel opgeleverd;
de rechtspersoon heeft invloed gehad op het al dan niet plaatsvinden van de gedraging of dit soort handelen werd aanvaard door de rechtspersoon. Onder aanvaarden valt ook het nalaten van redelijke zorg om de gedraging te voorkomen.
Het staat vast dat de lekkage zich aan boord van het schip heeft voorgedaan ten gevolge van menselijk handelen en/of nalaten aan boord van het schip en dat de medewerkers van de verdachte, verantwoordelijk voor de walinstallatie, daarbij niet betrokken waren. Het aan boord aanwezige personeel en de schipper waren niet werkzaam voor [verdachte rechtspersoon] . Wat aan boord van het schip gebeurt, past niet in de normale bedrijfsvoering van [verdachte rechtspersoon] , nu [verdachte rechtspersoon] zich uitsluitend bezighoudt met het reilen en zeilen aan de wal. De schipper is verantwoordelijk voor alle beslissingen en handelingen aan boord van het schip. De gedragingen hebben voor [verdachte rechtspersoon] geenszins voordeel opgeleverd, maar juist nadeel (de operatie is stilgelegd en er waren kosten voor het opruimen). [verdachte rechtspersoon] heeft op geen enkele wijze bemoeienis met beslissingen die door de schipper worden genomen of invloed op de gedragingen van de personen aan boord van het schip, waardoor ook niet kan worden gezegd dat het bewuste handelen en/of nalaten blijkens de feitelijke gang van zaken door [verdachte rechtspersoon] werd aanvaard.
Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het niet de verantwoordelijkheid van [verdachte rechtspersoon] is om de onderwerpen, genoemd op het gedeelte van de ADN-controlelijst dat ziet op het schip (mede) te controleren. De rechtbank verwijst in dit verband naar de onderstaande overwegingen over feit 2.
Bij deze stand van zaken kan niet worden vastgesteld dat de gedragingen die hebben geleid tot de onder 1 opgenomen beschuldiging hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon [verdachte rechtspersoon] . Die gedragingen kunnen daarom in redelijkheid niet aan [verdachte rechtspersoon] worden toegerekend.
Feit 2; geen valsheid
[verdachte rechtspersoon] wordt onder feit 2 beschuldigd van valsheid in geschrift; zij zou de ADN Controlelijst valselijk hebben opgemaakt vanwege het onterecht aankruisen van ‘ja’ bij de vragen 7 en 14.
Het ADN is de Europese overeenkomst voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de binnenwateren. In het ADN staan alle eisen waaraan dergelijke transporten moeten voldoen. De ADN-controlelijst maakt deel uit van de ADN (8.6.3). 7.4.10.2.1 van de ADN luidt: “Met het laden en lossen mag pas worden begonnen wanneer een Controlelijst overeenkomstig 8.6.3 is ingevuld voor de betreffende ladingen en de vragen 1 t/m 20 in de Controlelijst met “X” zijn aangekruist. Niet van toepassing zijnde vragen moeten worden doorgehaald. De Controlelijst moet, nadat de pijpleidingen voor het overslaan zijn aangesloten en voorafgaand aan het overslaan, in tweevoud worden ingevuld en zowel door de schipper (of door een door hem met de verantwoording belaste persoon) als door de voor de behandeling verantwoordelijke persoon van de walinstallatie worden ondertekend. Indien niet alle van toepassing zijnde vragen positief kunnen worden beantwoord, is laden of lossen slechts met voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit toegestaan.”
Het formulier bevat twee kolommen: één voor het schip en één voor de walinstallatie. Dit is een eerste aanwijzing dat de schipper de vragen dient te beantwoorden die zien op het schip en dat de personen van de wal de vragen betreffende de walinstallatie moeten beantwoorden. Uit de verklaringen van de vertegenwoordiger van [verdachte rechtspersoon] en de schipper blijkt ook dat dit in de praktijk de heersende opvatting is. Daar komt bij dat in de ADN is vastgelegd dat de vervoerder, in casu de schipper, voorafgaand aan het laden zijn deel van de ADN-controlelijst moet invullen (ADN bijlage onder 1.4.2.2) en dat de vuller, in casu [verdachte rechtspersoon] , zijn deel van ADN-controlelijst dient in te vullen (ADN bijlage onder 1.4.3.3). Dit wijst eveneens in de richting van gescheiden verantwoordelijkheden bij het invullen van de ADN-controlelijst. De rechtbank volgt het standpunt van de officier van justitie, dat beide partijen verantwoordelijk zijn voor de controle van alle punten op de lijst, daarom niet.
De rechtbank houdt gelet op het voorgaande het personeel van de walinstallatie, [verdachte rechtspersoon] in dit geval, in deze zaak, niet verantwoordelijk voor het ‘schipdeel’. De lekkage is ontstaan aan boord van het schip. Dat betekent dat de rechtbank niet kan vaststellen dat namens [verdachte rechtspersoon] het deel van de ADN-controlelijst aangaande de walinstallatie onjuist is ingevuld. Alleen al om die reden kan niet worden bewezen dat [verdachte rechtspersoon] valsheid in geschrifte heeft gepleegd.
Concluderend
De feiten waarvan [verdachte rechtspersoon] wordt beschuldigd, zijn niet bewezen. [verdachte rechtspersoon] wordt dus integraal vrijgesproken.
3. Beslissing
De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte rechtspersoon [verdachte rechtspersoon] de feiten 1 en 2 heeft gepleegd en spreekt de verdachte rechtspersoon daarvan vrij.
4. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E.M. Havik, voorzitter,
en mrs. M. Langstraat en R. ter Haar, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. Soeteman, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 27 mei 2026.
Mrs. Langstraat en Ter Haar zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.