RECHTBANK ROTTERDAM
einduitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2026 in de zaken tussen
[eiser 1] , uit [locatie] , de Vereniging,
[eiser 2] , uit [locatie] , de Stichting,
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college,
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 23/3687 en ROT 23/3688
(gemachtigde: mr. E.F.A. Linssen-van Rossum),
(gemachtigde: mr. J.W. Westenberg),
gezamenlijk te noemen: eisers
en
(gemachtigde: mr. S.J.C. Hocks).
Procesverloop
1. Voor een weergave van het procesverloop tot aan de tussenuitspraak van 30 oktober 2025 (de tussenuitspraak) verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in de bestreden besluiten te herstellen.
Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak op 19 december 2025 een aanvullende motivering ingediend, met als bijlage een advies van de Adviescommissie omgevingskwaliteit en cultureel erfgoed (de AOC) van 17 december 2026.
Eisers hebben hier op 2 februari 2026 en op 6 februari 2026 schriftelijk op gereageerd.
De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 20 april 2026 gesloten.
Overwegingen
2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij uit het navolgende uitdrukkelijk anders blijkt.
3. Nu in de tussenuitspraak is geoordeeld dat de bestreden besluiten onvoldoende zorgvuldig zijn voorbereid (artikel 3:2 van de Awb) en onvoldoende zijn gemotiveerd (artikel 7:12 van de Awb), zijn de hiertegen gerichte beroepen van eisers om deze reden al gegrond en zal de rechtbank de bestreden besluiten vernietigen. De rechtbank zal hieronder beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen blijven.
4. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank in rechtsoverweging 13.4. het volgende overwogen:
“(…) 13.4. De rechtbank volgt het college niet en is van oordeel dat uit het bestreden besluit en de daaraan ten grondslag liggende welstandsadviezen onvoldoende duidelijk wordt waarom het bouwplan binnen het Rijksbeschermd stadsgezicht past en dat daarmee de oorspronkelijke waardevolle karakteristiek van het pand of ensemble niet wordt aangetast, zoals artikel 25.3 van het bestemmingsplan voorschrijft. Uit de welstandsadviezen blijkt dat de welstandcommissie het bouwplan zou hebben beoordeeld in het kader van de dubbelbestemming Waarde-Cultuurhistorie, maar uit de adviezen blijkt dat vooral naar de detaillering van het bouwplan is gekeken en de wijze waarop die aansluit op het betrokken pand en de direct naastgelegen panden. Niet blijkt dat de welstandscommissie heeft gekeken naar de vraag of het bouwplan in de bredere omgeving past die behoort tot het beschermd stadsgezicht, waartoe in ieder geval ook delen van de wijk behoren van waaruit de dakopbouw zichtbaar zal zijn. De rechtbank is met eisers van oordeel dat uit de welstandsadviezen evenmin blijkt dat de welstandscommissie heeft gekeken naar het karakteristieke ensemble. Verder volgt uit de welstandsadviezen dat de welstandscommissie in haar stukken meerdere termen gebruikt, zoals kapverdieping, dakkapellen, dakopbouw en extra bouwlaag. Door het gebruik van deze verschillende termen, die een andere betekenis hebben met een eigen beoordelingskader, is het de rechtbank niet duidelijk waar precies aan is getoetst. Verder is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat de welstandscommissie voldoende is ingegaan op het advies van Nusselder. De welstandscommissie verwijst in haar advies van 22 oktober 2020 ten aanzien van de onderdelen A en B van de algemene criteria uit de Welstandsnota naar ‘haar reactie op het bezwaarschrift van de Stichting’. Deze reactie is echter niet ingebracht. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat aan het bestreden besluit onvoldoende onderzoek ten grondslag ligt, wat leidt tot een zorgvuldigheidsgebrek, en dat het niet wordt gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering zodat er ook sprake is van een motiveringsgebrek. (…)”
5. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 15. het volgende overwogen:
“(…)15. Om de gebreken te herstellen, moet het college nader onderzoek doen naar de vraag of, en zo ja, hoe het bouwplan zich verhoudt tot de specifieke cultuurhistorische waarden van het Rijksbeschermd stadsgezicht. Daarbij dient breder te worden gekeken dan alleen naar het betrokken pand en de direct naastgelegen bebouwing. Hierin dient ook beoordeeld te worden of het bouwplan in de bredere omgeving past die behoort tot het beschermd stadsgezicht, waartoe in ieder geval ook delen van de wijk behoren van waaruit de dakopbouw zichtbaar zal zijn De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak. (…)”
6. Na de tussenuitspraak heeft het college bij brief van 19 december 2025 ten behoeve van de bestreden besluiten een aanvullende motivering verstrekt en daarbij het advies van de AOC van 17 december 2026 bijgevoegd. Het college is van mening dat hiermee de door de rechtbank geconstateerde zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek zijn hersteld.
De AOC heeft het bouwplan getoetst aan de algemene criteria A en B van de Welstandsnota en aan de objectspecifieke criteria voor dakopbouwen. De beoordeling in het kader van de dubbelbestemming was een beoordeling op basis van artikel 25 van de regels van het bestemmingsplan “Statenkwartier” (het bestemmingsplan).
De AOC heeft als volgt geadviseerd:
“(…) De cultuurhistorische waarden van het beschermd stadsgezicht ‘Statenkwartier’ zijn beschreven in het aanwijzingsbesluit en de toelichting. De daarin beschreven waarden van “de bredere omgeving” van het bouwplan zijn:
Een optopping van [adres 1] is in enige vorm mogelijk. Daarmee verliest de gevel het oorspronkelijke hoogteaccent, verandert het individuele gevelbeeld en verandert het ensemble aan deze zijde van [locatie 2] en rondom [locatie 2] . Dit beïnvloedt elk van de bovengenoemde waarden.
In vier beoordelingen - drie keer als beginselplan, één als bouwplan - is gezocht naar een ontwerp dat het bestaande beeld weliswaar wijzigt, maar de waarden zo veel als mogelijk behoudt. In reactie op het eerste advies heeft de commissie een extra bouwlaag met steile dakschilden bepleit, aan de voorzijde op de lijn van het rechter smallere deel van de gevel. Het beeld dat zo ontstaat, drie lagen metselwerk en een vierde laag met dakschilden als beëindiging van de gevel, komt in de directe omgeving veelvuldig en in varianten voor. Aan [adres 1] en [adres 2] , rondom [locatie 2] en in omringende straten.
De bekleding van de dakschilden met leien, de afdekking van de hoekkepers met zinkende geschilderde houten lijst met een zinken kraai zijn een geëigende architectonische uitwerking bij deze architectuur en in deze context. Zie de voorbeelden aan het plein en in de genoemde straat.
Aan de hoofdvorm zijn een balkon met houten hekwerken tussen gemetselde penanten en drie dakkapellen, één aan de voorzijde en twee op de zijdakschilden, toegevoegd. Het ontwerp van het balkon verwijst naar en volgt voorbeelden in het Statenkwartier. Niet letterlijk, wel op een voor deze situatie passende manier. Dakkapellen in zink op de zijdakschilden zijn verspreid door het Statenkwartier te vinden, zowel aan één als aan beide zijden en soms verbonden met het buurpand. De vormgeving verschilt, maar is altijd ondergeschikt, dat wil zeggen terughoudend ontworpen ten opzichte van ‘kap’. Een uitwerking in zink is een geëigende.
Voor de dakkapel aan de voorzijde heeft de commissie ook gestuurd op ondergeschikt. Andere oplossingen die in het Statenkwartier voorkomen zijn bijvoorbeeld topgevels of aangekapte dakkapellen (dakkapellen met een schuin dak) of dakkapellen die een torentje lijken. Die oplossingen vond de commissie in deze situatie minder passend. Om de voorgevel en de knik daarin bepalend te laten blijven, is aangestuurd op een neutrale dakkapel daarboven.
De achtergevel van de extra bouwlaag is een gemetselde gevel met twee vensters, zoals in het Statenkwartier meer voorkomt. Bijvoorbeeld bij de directe buren en verspreid in de straten rondom het [locatie 2] . Een dakschild als achtergevel komt vaker voor, maar gemetselde rechte achtergevels zijn niet zeldzaam.
Het laatste ontwerp heeft de commissie geaccordeerd als een bij de architectuur van het huis en in de context van (de waarden van) het Statenkwartier passende oplossing van de in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte vierde laag. (…)”
7. Eisers hebben in hun zienswijze naar voren gebracht dat het college het door de rechtbank in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet dan wel onvoldoende heeft hersteld. Samenvattend hebben eisers gesteld dat de AOC zich slechts beperkt tot het oordeel dat het architectonisch uiterlijk van het bouwplan in onderdelen voorkomt in de directe omgeving, maar niet motiveert waarom het uiterlijk van de dakopbouw niet storend is, ondanks dat het karakteristieke bouwdeel van het hoekpand verdwijnt. Eisers voeren verder aan dat de vergunde dakkapel niet passend is en een aantasting vormt van het beschermd stadsgezicht. Daarnaast hebben eisers een reactie van ir. E.J. Nusselder van 26 januari 2026 overgelegd.
8. De rechtbank overweegt als volgt.
Criterium B van de Welstandsnota Den Haag 2017 (Welstandsnota) luidt: “(…) Indien er sprake is van een bouwwerk in een beschermd stadsgezicht, leidt het bouwwerk tot behoud of versterking van de architectonische, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden daarvan. (…)”
In de toelichting bij criterium B staat: “(…) Een gebied kan vanwege zijn stedenbouwkundige opzet of bijzondere structuur door de gemeente of het rijk worden aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht. Het doel van de toekenning van deze kwalificatie of status is de bescherming van waardevolle architectonische, stedenbouwkundige en cultuurhistorische karakteristieken. Voor een bouwwerk in een beschermd stadsgezicht, ongeacht of dit rijks- of gemeentelijk beschermd is, geldt dat meer specifiek rekening moet worden gehouden met die kenmerken van de omgeving, die hebben geleid tot de aanwijzing. Deze dienen op zijn minst gerespecteerd te worden en waar mogelijk versterkt. De architectonische, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden van een beschermd stadsgezicht zijn beschreven in de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht. In de webapplicatie zijn de aanwijzingen als feitelijke informatie beschikbaar. (…)”
Artikel 25.1 van de planregels (Bestemmingsomschrijving) luidt:
De voor ‘Waarde – Cultuurhistorie’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen als bedoeld in de artikelen 3 tot en met 26, mede bestemd voor:
behoud en bescherming van de cultuurhistorische waarden van het Rijksbeschermd stadsgezicht 's-Gravenhage, zoals beschreven in het aanwijzingsbesluit van 26 juli 1996 met de bijbehorende toelichting, als opgenomen in de bijlagen 6, 7 en 8 bij de regels van dit plan;
behoud en bescherming van karakteristieke panden of ensembles zoals opgenomen in bijlage 12 bij de regels van dit plan.
In het aanwijzingsbesluit van 26 juli 1996 (het aanwijzingsbesluit) is door de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer overwogen dat het Statenkwartier een bijzondere vroeg 20ste-eeuwse stadsuitbreiding buiten de 17de-eeuwse singelomgrachting van Den Haag is, dat het bebouwingsbeeld en de structuur van het gebied samenhangend en waardevol is en dat het gebied van algemeen belang is vanwege zijn schoonheid en zijn ruimtelijke structurele samenhang. Gelet op artikel 35 en artikel 36 van de Monumentenwet 1988 is het Statenkwartier aangewezen als beschermd stadsgezicht.
Bijlage 8 bij het bestemmingsplan betreft de toelichting bij het besluit tot aanwijzing van het beschermde stadsgezicht Statenkwartier gemeente Den Haag. Op pagina 6 van die toelichting zijn de nadere typeringen van de te beschermen waarden nader omschreven. Daarin staat, zoals ook het college heeft aangehaald, dat het karakter van het Statenkwartier in zijn algemeenheid niet ligt in het individuele object maar veeleer in de stedenbouwkundige opzet van de wijk met fraaie lanen en pleinen en gaaf bewaard gebleven ensembles. Typerend zijn (voor zover hier relevant):
het hoogwaardige stadsbeeld met zijn bijzondere panden in vroeg 20ste-eeuwse overgangsarchitectuur die een vrijwel gaaf ensemble vormen;
de oorspronkelijke planmatige aanleg van de woonwijk die op een hoog peil is gebleven ondanks de wijzigingen aan de rand van de wijk;
het stratenpatroon met de lange zichtassen en de pleinvormige kruisingen, gecombineerd met de levendige en rijk gedetailleerde homogene architectuur geven deze wijk een buitengewone identiteit;
de ruimtelijke kwaliteit van [locatie 2] , [locatie 3] en [locatie 4] ;(…).
Daarin staat ook dat het Statenkwartier een gaaf voorbeeld is van een vroeg 20e-eeuwse staduitbreiding met een goed bewaarde planmatige structuur en architectonisch samenhangende bebouwing, die voornamelijk gekenmerkt wordt als overgangsarchitectuur onder een sterke Art Nouveau invloed.
De rechtbank is gelet op wat hiervoor in 8.1. is opgenomen van oordeel dat het college met de aanvullende motivering van de AOC nog steeds niet afdoende heeft gemotiveerd waarom het bouwplan binnen het Rijksbeschermd stadsgezicht past en dat de oorspronkelijke waardevolle karakteristiek van het pand of ensemble niet wordt aangetast. Uit de aanvullende motivering van het college blijkt niet hoe het bouwplan zich verhoudt tot de specifieke cultuurhistorische waarden van het Rijksbeschermd stadsgezicht. Daarnaast is het bouwplan niet dan wel onvoldoende afgezet tegen de typeringen uit de toelichting bij het aanwijzingsbesluit. De door de AOC gegeven motivering betreft naar het oordeel van de rechtbank slechts een samenvatting van de reactie van de welstandscommissie op de negatieve welstandsadviezen en de oplossingen van de welstandscommissie om alsnog tot een positief welstandsadvies te kunnen komen. De oplossingen van de welstandscommissie zijn afgezet tegen de directe omgeving en daaruit blijkt niet dat het door de welstandscommissie geaccordeerde bouwplan ook is afgezet tegen de in de toelichting bij het aanwijzingsbesluit genoemde typeringen terwijl dit op grond van criteria B van de Welstandsnota en artikel 25.1 van de planregels (dubbelbestemming “Waarde-Cultuurhistorie”) wel is vereist. Er moet immers rekening worden gehouden met die kenmerken van de omgeving, die hebben geleid tot de aanwijzing. Deze dienen op zijn minst gerespecteerd te worden en waar mogelijk versterkt, zoals in de toelichting bij Criterium B staat.
De rechtbank constateert verder dat het AOC zich in het advies op het standpunt heeft gesteld dat artikel 25.3 van de planregels niet van toepassing is, omdat gebruik is gemaakt van artikel 25.2, onder e, van de planregels en het ontwerp aan de naar openbaar toegankelijk gebied gerichte zijden binnen de maximale bouw- en goothoogte valt. In het advies van de bezwaarschriftencommissie, dat onderdeel is van het bestreden besluit, is naast artikel 25.2, onder e, van de planregels ook artikel 25.3 van de planregels opgenomen. Daar is ook naar verwezen in het verweerschrift in beroep. Het college is in haar brief bij de aanvullende motivering van 19 december 2025 niet ingegaan op deze mededeling van het AOC. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat er sprake is van een innerlijke tegenstrijdigheid tussen het bestreden besluit en de aanvullende motivering van 19 december 2025 gelet op het advies van de AOC dat daarvan onderdeel uitmaakt.
Zoals de rechtbank in rechtsoverweging 13.1 van de tussenuitspraak heeft overwogen, is het college volgens vaste rechtspraak niet gebonden aan een welstandsadvies en ligt de verantwoordelijkheid voor de welstandstoetsing bij het college zelf. Het college mag op het welstandsadvies afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Als het college een welstandsadvies overneemt, behoeft dit in beginsel geen nadere toelichting. Gelet op wat hiervoor is overwogen hebben eisers, en het ingebrachte advies van Nusselder van 26 januari 2026, naar het oordeel van de rechtbank echter concrete aanknopingspunten naar voren gebracht op grond waarvan getwijfeld kan worden aan de zorgvuldigheid, de begrijpelijkheid en de conclusies van het advies van de AOC.
De rechtbank ziet daarom aanleiding voor het oordeel dat het college de gebreken in het bestreden besluit niet met het advies van AOC heeft hersteld. Het betoog van eisers slaagt.
9. De rechtbank ziet geen aanleiding om het college nogmaals in de gelegenheid te stellen om de gebreken in zijn besluitvorming te herstellen. Zij overweegt daartoe dat niet aannemelijk is dat het nogmaals toepassen van een bestuurlijke lus spoedig en op de meest effectieve manier zal bijdragen aan de finale beslechting van het tussen partijen bestaande geschil.
10. De rechtbank verklaart het beroep van eisers gegrond en vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb (zorgvuldigheidsbeginsel) en artikel 7:12 van de Awb (motiveringsbeginsel). De rechtbank draagt het college op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van eisers, met inachtneming van wat in deze uitspraak is beslist.
11. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.
12. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding nu de rechtsbijstand in beroep is verleend door mr. E.F.A. Linssen-van Rossum (De Vereniging) en mr. J.W. Westenberg (De Stichting), zijnde vertegenwoordigers van eisers, ten aanzien waarvan gesteld noch gebleken is dat deze op zakelijke basis is verleend en daarom niet kan gelden als door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Overschrijding redelijke termijn
13. Eisers hebben ter zitting een verzoek gedaan om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, is overschreden, indien de duur van de totale procedure te lang is. De behandeling van zaken als deze mag in beginsel maximaal twee jaar duren: een half jaar voor de bezwaarfase en anderhalf jaar voor de beroepsfase. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend en loopt door tot de datum waarop de rechtbank uitspraak heeft gedaan. Als de redelijke termijn is overschreden, wordt in beginsel verondersteld dat de betrokkene immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
De Vereniging
De Vereniging heeft op 4 mei 2020 bezwaar gemaakt. De beslissing op bezwaar is genomen op 21 juni 2021. De duur van een half jaar die voor de behandeling van het bezwaar redelijk wordt geacht is daarmee met (ruim) zeven maanden overschreden. In de beroepsfase heeft het vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 6 augustus 2021 (bij de rechtbank Denk Haag), vier jaar en negen maanden geduurd tot de uitspraak van heden. De duur van anderhalf jaar die voor de behandeling van het beroep redelijk wordt geacht, is daarmee met 39 maanden overschreden.
Dit betekent dat de overschrijding voor 7/46 deel moet worden toegerekend aan het college. Het resterende 39/46 deel van de overschrijding moet worden toegerekend aan de rechtbank. Uitgaande van een vergoeding van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan dat de termijn wordt overschreden, leidt dit tot een schadevergoeding van € 4.000,-. Omdat de overschrijding aan het college en de rechtbank is toe te rekenen, wordt de vergoeding van schade naar evenredigheid uitgesproken ten laste van het college en de Staat. De rechtbank zal het college veroordelen tot een schadevergoeding van € 608,70. De rechtbank zal de Staat veroordelen tot een schadevergoeding van € 3.391,30.
De Stichting
De Stichting heeft op 4 mei 2020 bezwaar gemaakt. De beslissing op bezwaar is genomen op 14 juni 2021. De duur van een half jaar die voor de behandeling van het bezwaar redelijk wordt geacht is daarmee met (ruim) zeven maanden overschreden. In de beroepsfase heeft het vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 23 juli 2021 (bij de rechtbank Denk Haag), vier jaar en tien maanden geduurd tot de uitspraak van heden. De duur van anderhalf jaar die voor de behandeling van het beroep redelijk wordt geacht, is daarmee met 40 maanden overschreden.
Dit betekent dat de overschrijding voor 7/47 deel moet worden toegerekend aan het college. Het resterende 40/47 deel van de overschrijding moet worden toegerekend aan de rechtbank. Uitgaande van een vergoeding van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan dat de termijn wordt overschreden, leidt dit tot een schadevergoeding van € 4.000,-. Omdat de overschrijding aan het college en de rechtbank is toe te rekenen, wordt de vergoeding van schade naar evenredigheid uitgesproken ten laste van het college en de Staat. De rechtbank zal het college veroordelen tot een schadevergoeding van € 595,75. De rechtbank zal de Staat veroordelen tot een schadevergoeding van € 3.404,25.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- draagt het college op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de bezwaren met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 360,- aan de Vereniging te vergoeden;
- veroordeelt het college om aan de Vereniging te betalen een schadevergoeding van € 608,70;
- veroordeelt de Staat om aan de Vereniging te betalen een schadevergoeding van € 3.391,30;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 360,- aan de Stichting te vergoeden;
- veroordeelt het college om aan de Stichting te betalen een schadevergoeding van € 595,75;
- veroordeelt de Staat om aan de Stichting te betalen een schadevergoeding van € 3.404.25;
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M.J. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. H.M. Hsu, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.