RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de meervoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen
[eiser 1] , eiser, [eiser 2] , eiser en [eiseres 1] , eiseres,
de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, hierna: de Svb
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 25/5083, ROT 25/5087, ROT 25/5089, ROT 25/5096, ROT 25/5097, ROT 25/5098 en ROT 25/5119.
[eiser 3] , eiser en [eiseres 2], eiseres,
[eiser 4] , eiser en [eiseres 3], eiseres,
[eiser 5] , eiser,De erven van [persoon A] en [persoon B], eisers,[eiseres 4], eiseres,
allen uit [woonplaats] , hierna gezamenlijk te noemen: eisers,
(gemachtigde: mr. R. Küçükünal),
en
(gemachtigden: mr. P. van der Voorn en mr. P.C.A. Buskens).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de Svb van het herzieningsverzoek van eisers. De Svb heeft geconcludeerd dat het herzieningsverzoek met bijlagen geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden bevat op grond waarvan moet worden teruggekomen van de eerdere besluitvorming. Eisers zijn het niet eens met deze afwijzing. Eisers voeren daartoe aan dat het aan de eerdere besluitvorming ten grondslag liggende projectmatig onderzoek van de Svb discriminatoir is. Volgens eisers is dit een nieuw feit op grond waarvan de Svb tot herziening van zijn besluitvorming over had moeten gaan. De Svb heeft in de beroepen met zaaknummers ROT 25/5087, ROT 25/5089, ROT 25/5097, ROT 25/5098 en ROT 25/5119 geconcludeerd dat de aanleiding voor het vermogensonderzoek was gelegen in een tip dan wel eigen melding en niet in het projectmatig onderzoek. Volgens eisers maakt dit geen verschil. De rechtbank komt in alle zaken tot het oordeel dat het beroep ongegrond is.
Procesverloop
2. Eisers hebben in december 2024 allemaal een verzoek ingediend tot herziening van eerdere besluiten over hun AIO-aanvulling. De Svb heeft het herzieningsverzoek met afzonderlijke besluiten van 19 februari 2025 afgewezen. Met de afzonderlijke bestreden besluiten (van 23 mei 2025, 30 juni 2025 en 30 mei 2025) op de bezwaren van eisers is de Svb bij de afwijzing van de herzieningsverzoeken gebleven.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
De Svb heeft verweerschriften ingediend.
Eisers hebben op 7 oktober 2025 nadere gronden ingediend.
De rechtbank heeft eisers in de beroepen met zaaknummers ROT 25/5087, ROT 25/5089, ROT 25/5097, ROT 25/5098 en ROT 25/5119 op 10 december 2025 verzocht om een nadere toelichting. Eisers hebben hier met een bericht van 19 december 2025 op gereageerd. 2.5. De rechtbank heeft de beroepen op 26 januari 2026 gevoegd behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigden van de Svb.
Beoordeling door de rechtbank
Herzieningsverzoek
3. Eisers hebben bij hun herzieningsverzoek een verzameling documenten gevoegd (15 producties van in totaal 636 pagina’s) die de gemachtigde van eisers via Wob- en Woo-verzoeken van de Svb heeft verkregen. Daarbij heeft de gemachtigde van eisers een door hem opgestelde notitie overgelegd, die volgens de gemachtigde een uitgebreide juridische analyse en evaluatie van grensoverschrijdende vermogensonderzoeken betreft die de Svb bij AIO-gerechtigden met een migratieachtergrond (met name Turkse, Marokkaanse en Surinaamse herkomst) heeft verricht. Volgens de gemachtigde van eisers is het projectmatig onderzoek door de Svb discriminatoir.
Het beroep met zaaknummer ROT 25/5098
De Svb heeft aan de afwijzing van het herzieningsverzoek in zaak ROT 25/5098 allereerst ten grondslag gelegd dat eisers niet hebben onderbouwd dat zij een procesbelang hebben. Nu de erfenis beneficiair is aanvaard, zijn eisers niet gehouden om de schulden (uit eigen vermogen) te voldoen. Evenmin is inzichtelijk gemaakt dat er sprake is van een situatie waarin een gunstige uitkomst van deze procedure ertoe zal leiden dat de baten van de nalatenschap hoger zijn dan de lasten.
Eisers hebben aangevoerd procesbelang te hebben omdat zij door de Svb zijn aangesproken als erfgenaam voor schulden van de overleden ouders en omdat een gunstige uitkomst van deze procedure de financiële situatie van eisers kan verbeteren.
Tijdens de zitting is door de Svb niet betwist dat de Svb brieven heeft verstuurd naar eisers over overname van de schulden van de overleden ouders. Ook heeft de Svb toegelicht niet over stukken te beschikken waaruit blijkt dat eisers de erfenis ook naar Turks recht beneficiair hebben aanvaard. De rechtbank stelt vast dat partijen hun standpunten niet met stukken hebben onderbouwd en het dossier geen informatie bevat op grond waarvan de rechtbank kan beoordelen of eisers procesbelang hebben. De rechtbank ziet er om proceseconomische redenen vanaf om het onderzoek hiervoor te heropenen, omdat duidelijk is dat het beroep inhoudelijk niet kan slagen. De rechtbank licht dat hieronder toe.
De beroepen met zaaknummers ROT 25/5087, ROT 25/5089, ROT 25/5097, ROT 25/5098 en ROT 25/5119
5. De Svb heeft aan de afwijzing van het herzieningsverzoek in de beroepen met zaaknummers ROT 25/5087, ROT 25/5089, ROT 25/5097, ROT 25/5098 en ROT 25/5119 onder meer ten grondslag gelegd dat de aanleiding voor het vermogensonderzoek was gelegen in een (anonieme) tip dan wel een eigen melding. De gronden dat het projectmatige onderzoek naar vermogen in het buitenland van AIO-gerechtigden met een ander land van herkomst dan Nederland discriminatoir is, de door eisers gemaakte vergelijking met de DUO- en ING-zaken en de aangevoerde rechtspraak over onrechtmatig bewijs door discriminatoir onderzoek, slagen daarom al niet, aldus de Svb.
6. Eisers hebben aangevoerd dat het geen verschil maakt dat het onderzoek is gestart naar aanleiding van een (anonieme) tip dan wel eigen melding, omdat de onderzoeksopzetten van de Svb door institutionele discriminatie zijn besmet. Eisers hebben verwezen naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin is geoordeeld dat de opsporing en vervolging van de verdachte in strijd was met het discriminatieverbod omdat zij uitsluitend was geselecteerd op haar Turkse afkomst. Het hof sloot alle bewijs uit dat voortkwam uit dit onrechtmatige onderzoek, inclusief haar eigen verklaring, wat leidde tot vrijspraak. De Svb is gehouden om van de besluiten terug te komen omdat deze tot stand zijn gekomen binnen een discriminerend onderzoeksbeleid. Daarnaast hebben eisers gewezen op de DUO- en ING-zaken, waarin is geoordeeld dat risicoprofilering heeft geleid tot discriminatie.
Tussen partijen is niet in geschil dat het onderzoek naar het vermogen in het buitenland is begonnen met een (anonieme) tip dan wel een eigen melding en niet in het kader van het projectmatig onderzoek waarover eisers hebben aangevoerd dat het discriminatoir was. De start van het onderzoek was dus gelegen in een concreet en objectief feit in het individuele geval van eisers. De rechtbank is daarom, in lijn met een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad), van oordeel dat de stelling van eisers dat de Svb van de eerdere AIO-besluitvorming moet terugkomen omdat het projectmatig onderzoek berust op een discriminatoire behandeling, feitelijke grondslag mist.
De verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden kan eisers niet baten. In dat arrest is geoordeeld dat in het door een gemeente uitgevoerde bestuursrechtelijk onderzoek sprake is geweest van schending van het discriminatieverbod, maar dat betrof een themacontrole waarbij uitsluitend mensen van Turkse komaf zijn gecontroleerd. In de beroepen met zaaknummers ROT 25/5087, ROT 25/5089, ROT 25/5097, ROT 25/5098 en ROT 25/5119 is, anders dan in dat arrest, juist sprake van een individueel onderzoek naar aanleiding van een (anonieme) tip dan wel eigen melding. Gelet daarop kan de verwijzing naar de DUO- en ING-zaken evenmin slagen. In wat eisers hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor hun stelling dat in hun zaken sprake was van institutionele discriminatie.
De beroepen met zaaknummers ROT 25/5087, ROT 25/5089, ROT 25/5097, ROT 25/5098 en ROT 25/5119 zijn ongegrond.
De beroepen met zaaknummers ROT 25/5083 en ROT 25/5096 8. De Svb heeft aan de afwijzing van het herzieningsverzoek in deze beroepen het volgende ten grondslag gelegd. Het verzoek met bijlagen en de notitie van de gemachtigde, zijn geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden op grond waarvan moet worden teruggekomen van de eerdere besluitvorming. Die stukken bevatten eigen aannames van de gemachtigde van eisers dan wel conclusies die geen steun vinden in objectieve bewijsstukken of in uitspraken die eerder zijn gedaan door de Raad. De weigering om terug te komen van de besluiten is niet evident onredelijk, aldus de Svb.
9. Eisers hebben aangevoerd dat de overgelegde stukken een samenhangende en diepgaande onderbouwing van een structureel discriminerende onderzoekspraktijk vormen. Deze onderbouwing was pas na de oorspronkelijke besluitvorming via Woo- en Wob-verzoeken beschikbaar en kon dus niet tijdens de oorspronkelijke besluitvorming worden overgelegd, zodat daarom sprake is van een nieuwe omstandigheid in de zin van artikel 4:6 Awb. De Svb heeft verzuimd inhoudelijk op de stukken in te gaan en heeft daarmee in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld.
De bestuursrechter toetst aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als de bestuursrechter tot het oordeel is gekomen dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat de afwijzing van de aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of de afwijzing van het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Feiten of omstandigheden waarvan zonder meer duidelijk is dat die, indien die eerder bekend waren geweest, niet tot een ander besluit hadden geleid worden niet als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden beschouwd.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Svb in de bestreden besluiten voldoende gemotiveerd dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb op grond waarvan moet worden teruggekomen op de eerdere AIO-besluitvorming. De door de gemachtigde van eisers van de Svb ontvangen Wob- en Woo-documenten bevatten een eerdere uitleg die de Svb over het verrichte projectmatige onderzoek naar vermogen in het buitenland over de periode 2013 tot en met 2018 heeft gegeven. Over dit projectmatige onderzoek heeft de Raad op basis van de overgelegde stukken herhaaldelijk geoordeeld dat dit niet discriminatoir is.De omstandigheid dat de gemachtigde van eisers de door hem opgestelde notitie niet eerder kon opstellen dan nadat hij de bij de Svb opgevraagde stukken had ontvangen, maakt, anders dan eisers stellen, niet dat die stukken als nieuw feit of veranderde omstandigheid moeten worden aangemerkt. De rechtbank volgt hierbij de conclusie van de Svb dat het hier door de gemachtigde van eisers zelf getrokken conclusies betreft, zonder dat daaraan een nieuwe objectieve onderbouwing ten grondslag is gelegd. De door eisers naar voren gebrachte argumenten zijn of al eerder door de Raad beoordeeld en verworpen of zijn door hen niet gerelateerd aan concrete passages in de overgelegde stukken.
De gemachtigde van eisers heeft op 7 oktober 2025 nadere stukken overgelegd. Op grond van vaste rechtspraak worden stukken die pas in beroep worden ingebracht in zaken waarop artikel 4:6 van de Awb van toepassing is, niet bij de beoordeling in beroep betrokken als die stukken voorafgaand aan het besluit op bezwaar niet bij het bestuursorgaan bekend waren als onderbouwing van reeds in de fase voorafgaand aan het primaire besluit dan wel in de bezwaarfase opgeworpen stellingen. De rechtbank ziet aanleiding om, in weerwil van de geldende rechtspraak, uit een oogpunt van proceseconomie en omdat partijen tijdens de zitting hebben toegelicht dit zelf ook zo te willen, dit stuk wel bij haar oordeel te betrekken.
De gemachtigde van eisers heeft op 7 oktober 2025 het (door hem op 19 september 2025) ontvangen Woo-besluit van 12 mei 2025 met bijlagen en de door hem gemaakte notitie overgelegd. Het Woo-besluit van 12 mei 2025 vormt volgens de gemachtigde het sluitstuk omdat met het projectjaar 2019, dat betrekking heeft op in Nederland geboren AIO-gerechtigden, zichtbaar wordt dat de Svb jarenlang onderscheid heeft gemaakt tussen allochtone AIO-gerechtigden (streng en integraal) en autochtone AIO-gerechtigden (beperkt en mild) en dat dit als discriminatie moet worden aangemerkt. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eisers nader toegelicht dat inmiddels, zoals bijvoorbeeld bij de DUO-zaken, eerder discriminatie wordt aangenomen dan jaren geleden en dat met het verkrijgen van projectjaar 2019 waarbij autochtone AIO-gerechtigden zijn gecontroleerd, een totaalplaatje is ontstaan. Het nieuwe feit is volgens de gemachtigde van eisers dus het totaalplaatje van het projectmatig onderzoek waaruit discriminatie blijkt, afgezet tegen de lager liggende lat voor het aannemen van discriminatie.
De rechtbank is van oordeel dat wat de gemachtigde van eisers aanvoert niet concreet (met de overgelegde stukken) is onderbouwd en dat daarmee niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is geweest van discriminatie. Eisers hebben niet duidelijk gemaakt uit welke passages uit de overgelegde stukken volgt dat in Nederland geboren AIO-gerechtigden bij controles minder streng werden onderzocht dan niet in Nederland geboren AIO-gerechtigden. De gemachtigde kon tijdens de zitting desgevraagd die passages ook niet aanwijzen en volstond met de stelling dat de discriminatie duidelijk blijkt uit het geheel van de stukken. Die stelling is onvoldoende om de gestelde discriminatie aannemelijk te maken. In wat naar voren is gebracht ziet de rechtbank geen nieuw feit of veranderde omstandigheid op grond waarvan de Svb moet terugkomen van de eerdere AIO-besluitvorming.
De rechtbank ziet in wat eisers hebben aangevoerd evenmin aanleiding voor het oordeel dat de afwijzing van het herzieningsverzoek van eisers evident onredelijk is.
De beroepen met zaaknummers ROT 25/5083 en ROT 25/5096 zijn ongegrond.
Conclusie en gevolgen
11. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de Svb de herzieningsverzoeken terecht heeft afgewezen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, voorzitter, mr. M. Zoethout en mr. A.M.E.A. Neuwahl, leden, in aanwezigheid van mr. J.J. van Giezen-Groenewoud, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.