RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen
[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/3696
(gemachtigde: mr. G. Grijs),
en
(gemachtigde: mr. drs. M.A.C. Kooij).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing door verweerder van de aanvraag van eiseres om een urgentieverklaring zodat zij met voorrang een sociale huurwoning in de regio Rijnmond kan verkrijgen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de urgentieverklaring op goede gronden heeft afgewezen.
Procesverloop
2. Verweerder heeft met het besluit van 30 december 2024 de door eiseres gevraagde urgentieverklaring afgewezen. Met het besluit van 6 mei 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven (het bestreden besluit).
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Het geschil
3. Eiseres (geboren in 1998) heeft op 11 november 2024 een aanvraag om urgentieverklaring ingediend wegens huislijk geweld door de ex-partner in de gezamenlijk gehuurde woning op het adres [adres] te Rotterdam. In haar aanvraag heeft eiseres toegelicht dat zij de woning heeft verlaten en zich van het gezamenlijke huurcontract heeft laten afschrijven; zij logeerde tevoren op advies van Veilig Thuis bij vriendinnen, nu is zij ingetrokken bij haar nicht in Rotterdam, aldus eiseres in de aanvraag. Zij staat sinds 16 januari 2023 inschreven als woningzoekende voor een sociale huurwoning bij Woonnet Rijnmond. In een telefoongesprek over de aanvraag voorafgaand aan het primaire besluit heeft eiseres tegenover verweerder verklaard dat ook de ex-partner de woning inmiddels heeft verlaten.
4. In het bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat de gevraagde urgentieverklaring terecht is afgewezen. Volgens verweerder was ten tijde van de aanvraag geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, van Bijlage 1 van de Verordening Woonruimtebemiddeling Regio Rotterdam 2024 (de Verordening 2024) aanspraak geeft op een urgentieverklaring. Het huurcontract voor de woning waar eiseres woonde met haar ex-partner van wie zij huislijk geweld zou hebben ondervonden, was ten tijde van de aanvraag al opgezegd, waarna eiseres was verhuisd naar de woning van haar nicht waar zij een veilig onderkomen had gevonden. Daarmee werd niet voldaan aan de voorwaarde dat een zelfstandige woning werd bewoond waar een acuut bedreigende situatie voor eiseres een andere woning onmiddellijk noodzakelijk maakte. Er was dan ook geen maatregel nodig om te voorkomen dat eiseres opnieuw slachtoffer zou worden van huislijk geweld als bedoeld in artikel 18, derde lid, van het Verdrag van Istanbul, terwijl uit artikel 20 van het Verdrag van Istanbul slechts voortvloeit dat opvang is gewaarborgd. Ten overvloede heeft verweerder nog overwogen dat de politie niet bekend is met mishandeling van eiseres door de ex-partner.
De afwijzing doorstaat daarom volgens verweerder de evenredigheidstoets. Ook vindt verweerder de situatie van eiseres niet dusdanig schrijnend, dat ondanks het enorme woningtekort aanleiding bestond om met toepassing van de hardheidsclausule haar toch een urgentieverklaring te verlenen.
5. Eiseres betoogt dat verweerder artikel 5.4, eerste lid, van Bijlage 1 van de Verordening 2024 te beperkt uitlegt en wel degelijk ziet op haar situatie. Zij heeft op advies van Veilig Thuis haar woning na huislijk geweld door de ex-partner verlaten en zit daardoor zonder woning. Eiseres tegenwerpen dat zij die situatie is ontvlucht en dit niet bij de politie heeft gemeld, is volgens eiseres in strijd met artikel 18, derde lid, van het Verdrag van Istanbul. Uit artikel 20 van dat verdrag vloeit de verplichting voort om onder die omstandigheden een vervangende woning aan te bieden. Los daarvan betoogt eiseres dat verweerder op grond van evenredigheid en hardheid reden had om haar een urgentieverklaring te verlenen. Zij vindt dat verweerder in dat verband, net als in de zaak waarover de rechtbank Rotterdam in de uitspraak van 3 oktober 2022 ECLI:NL:RBROT:2022:8316 oordeelde, onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar haar huidige woonsituatie. Verder acht eiseres haar situatie gelijk aan die waarover de voorzieningenrechter van die rechtbank in de uitspraak van 19 november 2024 ECLI:NL:RBROT:2024:11377 over oordeelde, omdat ook daar de woning al was verlaten en het acute gevaar was geweken.
Beoordeling door de rechtbank
6. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiseres om een urgentieverklaring mocht afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden. Het juridisch kader dat is gebruikt voor de beoordeling, is opgenomen in de bijlage bij de uitspraak.
7. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de gevraagde urgentieverklaring mocht afwijzen.
De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder in het bestreden besluit dat artikel 5.4, eerste lid, van Bijlage 1 van de Verordening 2024 zo moet worden gelezen, dat alleen aanspraak bestaat op een urgentieverklaring voor een andere woning, als op het moment van de aanvraag de betrokkene nog woont in de gezamenlijke zelfstandige woning en niet langer kan worden gevergd dat de betrokkene in die woning blijft wonen vanwege (bedreiging met) ernstig geweld. Daarvan was in dit geval geen sprake. Ten tijde van de aanvraag was eiseres niet langer huurder van de woning en had zij haar intrek genomen bij haar nicht, terwijl kort daarna ook de ex-partner was vetrokken naar elders en ook hij ten tijde van de besluitvorming niet langer huurder van de woning was.
Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiseres alleen al daarom niet voor een urgentieverklaring in aanmerking kwam, omdat niet werd voldaan aan de voorwaarden van artikel 5.4, eerste lid, van Bijlage 1 van de Verordening 2024. Wat partijen nog hebben aangevoerd over het melden van het huislijk geweld bij de politie in verband met de voorwaarde genoemd in artikel 5.4, derde lid, van Bijlage 1 van de Verordening 2024, behoeft verder geen bespreking.
Dat in een periode voorafgaand aan de afschrijving van de huurovereenkomst en het vertrek naar haar nicht eiseres op advies van Veilig Thuis vanwege huislijk geweld zich genoodzaakt heeft gezien tijdelijk enig tijd bij vriendinnen te verblijven, doet er niet aan af dat ten tijde van de aanvraag de crisissituatie in de gezamenlijke woning niet langer bestond, nu zowel eiseres als haar ex-partner niet langer huurder van de woning waren. Daarmee is sprake van een andere situatie dan die waarin de eigen huiselijke situatie korte tijd wordt ontvlucht wegens geweld. De rechtbank volgt de stelling van eiseres dat verweerder vrouwen zou dwingen om bij een gewelddadige partner te blijven wonen om aanspraak te kunnen maken op een urgentieverklaring dan ook niet. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat het weigeren van een urgentieverklaring onder de omstandigheden van eiseres ten tijde van de aanvraag strijdig zou zijn met het Verdrag van Istanbul. Er kan geen aanspraak op zelfstandige woonruimte worden gemaakt om de enkele reden dat een betrokkene op enig moment te maken heeft gehad met huislijk geweld. De rechtbank ziet bevestiging voor dit oordeel in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3894, en 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6162. Als zij niet langer bij haar nicht kan verblijven, kan eiseres zich zo nodig wenden tot daarvoor bedoelde opvang.
8. Voor zover eiseres zich beroept op het evenredigheidsbeginsel en de hardheidsclausule, is het aan haar om aannemelijk te maken dat haar situatie dermate schrijnend is en dus vasthouden door verweerder aan de in de Verordening 2024 dwingend neergelegde redenen voor toewijzing van een urgentieverklaring in haar geval dusdanig nadelig uitwerkt, dat verweerder haar toch een urgentieverklaring had moeten verlenen ten koste van de vele (urgent) woningzoekenden in de regio. Daarin is zij niet geslaagd. De rechtbank heeft in dit geval, anders dan in de door eiseres aangehaalde uitspraak ECLI:NL:RBROT:2022:8316, geen concrete aanknopingspunten dat verweerder de woonsituatie van eiseres onjuist heeft vastgesteld. Verder acht de rechtbank de situatie in dit geval in zoverre anders dan die in de door eiseres bedoelde uitspraak ECLI:NL:RBROT:2024:11377, dat eiseres en haar ex-partner zelf de woning hebben opgegeven.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de gevraagde urgentieverklaring in stand blijft.
10. Eiseres krijgt het betaalde griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Lammerse, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: juridisch kader
Bijlage 1 van de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024
Verplichting tot weigeren als geen sprake is van een omschreven urgentiegrond
Artikel 2.3, derde lid, bepaalt dat het bestuursorgaan dat bevoegd is te beslissen op een aanvraag om een urgentieverklaring, het aangevraagde weigert indien geen van de in artikel 5.1 tot en met 5.8 van deze Bijlage genoemde urgentiegronden zich voordoet.
Geweld en bedreiging
Artikel 5.4 bepaalt:
Hardheidsclausule
In artikel 2.5, eerste lid, staat dat het bestuursorgaan dat belast is met het beslissen op aanvragen om een urgentieverklaring bevoegd is om toch een urgentieverklaring toe te kennen indien strikte toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring:
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:4
1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul) Algemene verplichtingen
Artikel 18 (…)
3. De partijen waarborgen dat de maatregelen genomen uit hoofde van dit hoofdstuk:
(…) gericht zijn op het voorkomen dat slachtoffers opnieuw slachtoffer worden (…);4. De dienstverlening mag niet afhankelijk zijn van de bereidheid van het slachtoffer aangifte te doen of te getuigen tegen een dader.
(…)
Algemene ondersteuningsdiensten Artikel 20 1. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat de slachtoffers toegang hebben tot diensten die hun herstel na geweld vergemakkelijken. Deze maatregelen omvatten zo nodig diensten op het gebied van juridische en psychologische advisering, financiële ondersteuning, huisvesting, onderwijs, training en ondersteuning bij het vinden van werk.
2. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat de slachtoffers toegang hebben tot gezondheidszorg en maatschappelijke hulpverlening, dat de diensten over voldoende middelen beschikken en dat de beroepskrachten opgeleid zijn voor het opvangen van slachtoffers en voor het hen doorverwijzen naar de passende diensten.