RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen
[naam eiser] , uit [plaats] , eiser
de Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond (SUWR).
Samenvatting
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4780
(gemachtigde: mr. J. van der Stel),
en
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een urgentieverklaring zodat hij met voorrang een sociale huurwoning in de regio Rijnmond kan verkrijgen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat SUWR niet bevoegd was om namens het college van burgemeester en wethouders van Schiedam op de aanvraag en het bezwaar van eiser te beslissen.
Procesverloop
2. Op 18 november 2024 heeft eiser een aanvraag tot urgentieverklaring bij SUWR ingediend.
De manager Urgentie van SUWR heeft namens het college van burgemeester en wethouders van Schiedam met een besluit van 3 december 2024 de door eiser gevraagde urgentieverklaring afgewezen.
De directeur van SUWR heeft namens het college van burgemeester en wethouders van Schiedam met een besluit van 6 juni 2025 op het bezwaar van eiser de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd (het bestreden besluit).
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Bij brief van 8 juli 2025 heeft SUWR de rechtbank verzocht om als verwerende partij SUWR in plaats van het college van burgemeester en wethouders van Schiedam aan te merken. SUWR heeft gereageerd op het beroep met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiser met zijn gemachtigde deelgenomen. Verder is mr. P.J. Remmelts namens SUWR verschenen.
Beoordeling
3. De manager Urgentie van SUWR heeft namens het college van burgemeester en wethouders van Schiedam de door eiser gevraagde urgentieverklaring afgewezen en de directeur van SUWR heeft namens het college van burgemeester en wethouders van Schiedam het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de afwijzing gehandhaafd. De rechtbank heeft echter niet kunnen vaststellen dat deze functionarissen van SUWR bevoegd waren deze besluiten namens het college van burgemeester en wethouders van Schiedam te nemen.
De bevoegdheid om te beslissen op een aanvraag om een urgentieverklaring is op grond van artikel 13, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014 toegekend aan het college van burgemeester en wethouders. In dat artikellid staat dat het college van burgemeester en wethouders aan een andere instantie mandaat kan verlenen om namens hem die besluiten te nemen, maar niets over het delegeren van die bevoegdheid. Mandaatverlening en delegatie zijn nader omschreven in afdeling 10.1.1 en 10.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 10:3 van de Awb eist voor een rechtsgeldig mandaat niet dat in het wettelijk voorschrift waarbij de bevoegdheid wordt toegekend, in een grondslag daarvoor is voorzien. Dat is op grond van artikel 10:15 van de Awb anders voor delegatie.
In de regio Rotterdam wordt samengewerkt door gemeenten in het Samenwerkingsverband Wonen regio Rotterdam. Hiertoe maken de deelnemende gemeenten gebruik van gelijkluidende verordeningen die telkens door de eigen raad worden vastgesteld. Voor het bepalen van urgentie op grond van die verordeningen is een gezamenlijke instantie in het leven geroepen, namelijk SUWR.
SUWR heeft op 8 juli 2025 de rechtbank verzocht om SUWR als verwerende partij aan te merken in plaats van het college van burgemeester en wethouders van Schiedam. Voor zover SUWR daarmee heeft bedoeld te zeggen dat SUWR onder eigen verantwoordelijkheid bevoegd is te beslissen op een aanvraag om urgentieverklaring, is dat onjuist.
In de Verordening Woonruimtebemiddeling Regio Rotterdam 2020 werd aan SUWR de bevoegdheid toegekend om onder eigen verantwoordelijkheid te beslissen over urgentieverlening. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat deze delegatie niet rechtsgeldig is omdat artikel 13, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014 die mogelijkheid niet biedt. Zie de uitspraken van 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6150 en ECLI:NL:RVS:2025:6141, en van 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:185.
Ten tijde van eisers aanvraag en de genomen beslissingen gold de Verordening Woonruimtebemiddeling Regio Rotterdam 2024 (de Verordening 2024), onder meer vastgesteld door de raad van Schiedam. In de Verordening 2024 is van delegatie aan SUWR niet langer sprake: in artikel 2.1, eerste lid, van Bijlage 1 van de Verordening 2024 staat dat het college van burgemeester en wethouders beslist op een aanvraag om een urgentieverklaring.
Eiser woonde ten tijde van de aanvraag in Schiedam. In artikel 2.1, tweede lid, van Bijlage 1 van de Verordening 2024 staat dat (onder meer) bevoegd is het college van burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar het huishouden waarvoor de verklaring wordt aangevraagd, woont (aanhef en onder a). Dat het college van burgemeester en wethouders van Schiedam in dit geval het beoogd bevoegde orgaan was om de besluiten te nemen, blijkt ook uit de ondertekening van de besluiten, die vermelden dat deze namens het college van burgemeester en wethouders van Schiedam zijn genomen.
4. Niet is gebleken dat het hier bevoegde bestuursorgaan (het college van burgemeester en wethouders van Schiedam) de bevoegdheid tot het nemen van besluiten over de aanvraag om urgentieverklaring en het bezwaar heeft gemandateerd aan de organen van SUWR die in dit geval daarover hebben beslist. Het mandaat daarvoor is in de Mandaatregeling Schiedam 2024 niet vermeld. Ook de gemachtigde van SUWR heeft, ondanks een voorafgaand aan de zitting door de rechtbank schriftelijk gedaan verzoek daartoe, geen bewijs van mandaat kunnen overleggen. Tot slot zijn de besluiten evenmin door het college van burgemeester en wethouders van Schiedam bekrachtigd.
Conclusie en gevolgen
5. De besluiten op de aanvraag en het bezwaar van eiser zijn onbevoegd genomen door (functionarissen van) SUWR en niet bekrachtigd door het bevoegde orgaan (het college van burgemeester en wethouders van Schiedam). Het bestreden besluit kan daarom niet in stand blijven. Het beroep is gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen.
6. De rechtbank draagt het college van burgemeester en wethouders van Schiedam op alsnog op het bezwaar van eiser te beslissen en na heroverweging te bezien of het de primaire afwijzing wil bekrachtigen.
7. Alvorens tot heroverweging over te gaan moet het college van burgemeester en wethouders van Schiedam ervoor zorgen dat de brief van eisers huisarts van 3 december 2024 die in het tweede advies van de arts van het team Sociaal Medische Advisering (SMA) van 22 april 2025 wordt genoemd en kennelijk na een daartoe strekkend verzoek is ontvangen door de SMA-arts na het eerste advies van 2 december 2024, aan het dossier wordt toegevoegd en in afschrift aan eiser wordt toegestuurd. Voor zover het team SMA die weigert te verstrekken, zoals ter zitting is gesuggereerd, overweegt de rechtbank nog als volgt.
Het bestuursorgaan dat een aanspraak van een betrokkene op een voorziening moet beoordelen waarvoor een medische beoordeling nodig is, wint daartoe advies in van een medisch deskundige. De medisch deskundige adviseert dus in opdracht van het bestuursorgaan met toestemming van de betrokkene die de aanspraak maakt. De medisch deskundige kan daartoe met toestemming van die betrokkene informatie inwinnen bij diens behandelaars. Na het uitbrengen van het medisch advies moet het bestuursorgaan op grond van artikel 3:9 van de Awb dat advies toetsen op zorgvuldigheid en consistentie. Na afwijzing van de aanspraak door het bestuursorgaan op basis van het aldus getoetste advies is vervolgens van belang dat de betrokkene en de bestuursrechter die het geschil daarover krijgt voorgelegd, kunnen nagaan hoe de medisch deskundige tot zijn advies is gekomen. Het advies moet dus voor de bij de aanspraak betrokken partijen en de bestuursrechter controleerbaar zijn.
De controleerbaarheid vereist dat het medisch dossier waarop de medisch deskundige zich voor zijn advies over de aanspraak baseert, voor zowel het bestuursorgaan als de betrokkene als de bestuursrechter beschikbaar is. Dit geldt onverkort voor informatie die met toestemming van de betrokkene door een behandelaar aan de medisch deskundige is toegestuurd. Verder is voor controleerbaarheid noodzakelijk dat de medisch deskundige zijn redenering en gevolgtrekkingen op basis van dat medisch dossier inzichtelijk maakt in het advies. Het niet beschikbaar stellen van het volledige medisch dossier of het advies beperken tot een verder niet gemotiveerd oordeel verdraagt zich niet met een deugdelijke medische advisering en is bovenal niet in het belang van de betrokkene die de aanspraak tegenover het bestuursorgaan om medische redenen wil maken.
8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet SUWR het griffierecht aan eiser vergoeden (€ 194,-). SUWR moet eiser om die reden ook een vergoeding voor zijn proceskosten betalen. Die vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald op € 1.868,- voor het indienen van het beroepschrift en het deelnemen aan de zitting door een professionele gemachtigde.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Lammerse, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.