RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2026 in de zaak tussen
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/7220
[eiser] , uit [woonplaats], eiser, wettelijk vertegenwoordigd door [bedrijf],
(gemachtigde: mr. U. Karatas),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV,
(gemachtigde: [naam]).
Deze uitspraak gaat over de afwijzing door het UWV van de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wet Wajong). De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de aanvraag terecht heeft afgewezen, omdat de door eiser overgelegde medische stukken onvoldoende aanknopingspunten bieden voor de vaststelling dat eiser op zijn achttiende verjaardag of binnen vijf jaar daarna duurzaam geen arbeidsvermogen had.
Procesverloop
1. Met het besluit van 15 oktober 2024 heeft het UWV de aanvraag van eiser om een Wajong-uitkering afgewezen.
Met het besluit van 13 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser hiertegen ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Eiser, geboren op [geboortedatum], heeft op 27 mei 2024 een aanvraag ‘beoordeling arbeidsvermogen’ ingediend voor een Wajong-uitkering.
Naar aanleiding hiervan heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Het UWV heeft op basis van de onderzoeken geconcludeerd dat eiser op zijn achttiende verjaardag wel beperkingen had, maar dat hij zijn arbeidsvermogen pas na de verzekerde periode duurzaam is verloren. Het UWV heeft daarom met het primaire besluit de aanvraag om een Wajong-uitkering afgewezen.
In de heroverweging in bezwaar concludeert de verzekeringsarts bezwaar dat er onvoldoende medische informatie is om te stellen dat eiser op zijn achttiende verjaardag, tijdens studie of in de vijf jaar daarna geen arbeidsvermogen had. Het arbeidsvermogen is pas eind 2016 dan wel begin 2017 duurzaam verloren gegaan, toen eiser 27 jaar was. Dit is na de voor de Wajong-relevante periode. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep concludeert dat eiser in de jaren 2013 en 2015 arbeidsvermogen had, omdat eiser toen fulltime heeft gewerkt en tenminste het minimumloon heeft verdiend in reguliere arbeid. Hierdoor is er geen sprake van duurzaam verlies van arbeidsvermogen in de Wajong-relevante periode. Vervolgens heeft het UWV het bestreden besluit genomen, waarbij de afwijzing van een Wajong-uitkering is gehandhaafd.
Standpunt eiser
3. Eiser voert in beroep aan dat het UWV ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij geen recht heeft op een Wajong-uitkering. Het bestreden besluit is volgens eiser gebaseerd op een onjuiste toepassing van het duurzaamheidscriterium. De medische en arbeidskundige rapportages in bezwaar miskennen de causale lijn van zijn vroege problematiek naar het duurzame verlies van arbeidsvermogen. Er is sprake van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat sprake is van onvoldoende medische informatie om te stellen dat er op de achttiende verjaardag sprake was van beperkingen als gevolg van ziekte en gebrek, is gelet op de in het dossier aanwezige medische feiten onbegrijpelijk en onjuist. Door deze signalen niet te duiden in de context van de latere diagnose en het bewijsrisico volledig bij eiser te laten, heeft het UWV tevens zijn onderzoeksplicht geschonden. Eiser voert verder aan dat een tijdelijke en mislukte opleving in functioneren in arbeid in 2013 en 2015 niet in de weg kan staan aan het aannemen van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep baseert zijn conclusie uitsluitend op de kwantitatieve data uit de polisadministratie en had moeten onderzoeken en motiveren waarom de specifieke omstandigheden van die werkzaamheden niet afdoen aan zijn conclusie dat in de verzekerde periode geen sprake was van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen.
Toetsingskader
4. Een betrokkene heeft recht op een Wajong-uitkering als hij jonggehandicapte is in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong. Daarvan is sprake als een betrokkene op zijn achttiende verjaardag of tijdens studie duurzaam geen arbeidsvermogen heeft.
Als de betrokkene niet voldoet aan de criteria van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong, kan hij op grond van het tweede lid van artikel 1a:1 alsnog als jonggehandicapte worden aangemerkt, als hij op enig moment binnen vijf jaar na zijn achttiende verjaardag jonggehandicapte is geworden.
Een betrokkene heeft geen arbeidsvermogen als hij (a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, (b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, (c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur, of (d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Het UWV moet beoordelen of een betrokkene voldoet aan (ten minste) een van deze vier genoemde voorwaarden.
Het ontbreken van arbeidsvermogen moet daarnaast ook duurzaam zijn. Onder duurzaam geen arbeidsvermogen hebben wordt verstaan dat het arbeidsvermogen zich niet kan ontwikkelen. De beoordeling van het arbeidsvermogen wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en voor zover nodig een arbeidskundig onderzoek.
Beoordeling door de rechtbank
5. Eiser heeft de aanvraag voor een Wajong-uitkering niet rond zijn achttiende verjaardag ingediend, maar op latere leeftijd. Er is daarmee sprake van een laattijdige aanvraag, waardoor bij de aanvraag moet worden teruggekeken in de tijd. Bij een laattijdige aanvraag moet, naast een beoordeling aan de hand van de criteria van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong, beoordeeld worden of eiser op grond van artikel 1a:1, tweede lid, alsnog als jonggehandicapte kan worden aangemerkt, omdat hij (in dit geval) op enig moment binnen vijf jaar na zijn achttiende verjaardag alsnog jonggehandicapte is geworden.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) ligt de bewijslast en dus ook het bewijsrisico bij een laattijdige Wajong-aanvraag bij de aanvrager. Het is dan aan eiser om zijn standpunt met bewijsstukken te onderbouwen. Voor zover onvoldoende gegevens beschikbaar zijn over de gezondheidstoestand van eiser op de van belang zijnde data, en het medisch beeld met het verstrijken van de tijd steeds moeilijker is vast te stellen, komen deze omstandigheden voor risico van eiser.
6. Niet ter discussie staat dat eiser op de datum van de aanvraag geen arbeidsvermogen had in de zin van de Wajong. Hier gaat het om de beantwoording van de vraag of dat ook al zo was op eisers achttiende verjaardag, tijdens studie of in de periode van vijf jaar daarna.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat het UWV het zorgvuldigheidsbeginsel en de onderzoeksplicht heeft geschonden. De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep alle door eiser overgelegde medische informatie bij zijn oordeel heeft betrokken. Daarbij is navolgbaar uitgelegd waarom die informatie, die voornamelijk dateert van ruim na de Wajong-relevante periode, onvoldoende is om daaruit de door eiser gewenste conclusie te kunnen trekken. Uit het huisartsenjournaal volgt niet dat er rond eisers achttiende verjaardag sprake was van psychische problematiek. Dit betekent dat ook als ervan uitgegaan wordt dat eiser op zijn achttiende verjaardag nog de psychische problematiek had die eerder in zijn jeugd aanwezig was (klachten van agressieregulatie, driftigheid en bezig zijn met de aardbeving in Turkije), uit de beschikbare gegevens niet naar voren komt in welke mate en ernst de klachten op de achttiende verjaardag aanwezig waren, noch wat de impact daarvan was op het functioneren van eiser destijds. De eerste aanwijzingen van psychotische klachten bij eiser die maken dat eiser geen arbeidsvermogen meer heeft, zijn van november 2016. Deze aanwijzingen dateren daarmee van na de voor de Wajong-relevante periode. Hoewel duidelijk is dat bij eiser vanaf 2016 sprake is van ernstige (medische) problematiek die zijn belastbaarheid sterk beperkt, kan niet worden vastgesteld dat sprake was van duurzaam geen arbeidsvermogen in de Wajong-relevante periode.
Ten aanzien van de stelling van eiser dat de door hem verrichte werkzaamheden in 2013 en 2015 geen bewijs zijn van structureel en zelfstandig arbeidsvermogen overweegt de rechtbank het volgende. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft gemotiveerd toegelicht dat eiser de werkzaamheden die hij in 2013 en 2015 heeft verricht, bij reguliere werkgevers voor een langere periode van onder meer zes en acht maanden fulltime heeft uitgevoerd. Zoals het UWV in het verweerschrift heeft toegelicht, heeft eiser hiermee tot tweemaal toe een recht op een Werkloosheidwet-uitkering opgebouwd. Gelet hierop is, anders dan eiser stelt, van een tijdelijke opleving in functioneren in arbeid geen sprake.
7. Nu volgens de reeds aangehaalde rechtspraak van de Raad de bewijslast en het bewijsrisico gezien de laattijdige aanvraag bij eiser ligt, volgt uit voorgaande dat het UWV met het bestreden besluit de Wajong-uitkering op goede gronden heeft geweigerd.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Het UWV heeft de aanvraag van eiser om een Wajong-uitkering terecht afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Damen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.