RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11703811 CV EXPL 25-11728
datum uitspraak: 3 april 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: mevrouw P.J.M. Gouw,
tegen
[gedaagde] bv,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 6 mei 2025, met bijlagen 1 tot en met 12;
het antwoord, met bijlage;
de akte van [gedaagde] , met bijlagen.
Op 5 maart 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: [eiser] met zijn gemachtigde en mevrouw [naam] namens [gedaagde] en haar levenspartner.
2. De beoordeling
Wat is er gebeurd?
[eiser] heeft zich op 17 september 2024 bij [gedaagde] ingeschreven voor een cursus. Hiervoor heeft hij op 24 september 2024 € 7.150,00 betaald. Na een aantal lessen te hebben genoten heeft [eiser] op 11 december 2024 tussentijds opgezegd, omdat de opleiding niet aansloot bij zijn verwachtingen. [eiser] eist dat [gedaagde] (een deel van) het cursusgeld terugbetaalt.
[gedaagde] zegt dat [eiser] geen recht op terugbetaling heeft, omdat terugbetaling na opzegging is uitgesloten door middel van de Algemene Voorwaarden die van toepassing zijn op de gesloten overeenkomst.
[gedaagde] moet een bedrag van € 4.932,- aan [eiser] terugbetalen
De kantonrechter wijst de vordering van [eiser] voor een bedrag van € 4.932,- toe. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Annuleringsbeding
Hoewel de algemene voorwaarden niet in het geding zijn gebracht, bestaat er tussen partijen geen discussie over de strekking van de specifieke algemene voorwaarde waarop [gedaagde] zich beroept. De kantonrechter gaat bij de verdere beoordeling dan ook uit van een beding op grond waarvan [eiser] geen cursusgeld terugkrijgt als hij tussentijds opzegt nadat de cursus is begonnen (hierna: het annuleringsbeding).
Gelet op de rechtspraak van het Hof van Justitie EU is de rechter ambtshalve gehouden na te gaan of een contractueel beding valt binnen de werkingssfeer van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn) en zo ja, te onderzoeken of dit beding in de door de Richtlijn bedoelde zin oneerlijk is. De kantonrechter is van oordeel dat het annuleringsbeding binnen de werkingssfeer van de Richtlijn valt. Het gaat hier namelijk om een overeenkomst tussen een professionele partij ( [gedaagde] ) en een consument ( [eiser] ). Het gaat ook om een beding als bedoeld in artikel 3 van de Richtlijn waarover niet afzonderlijk is onderhandeld.
Getoetst dient vervolgens te worden of het annuleringsbeding onredelijk bezwarend of oneerlijk is. Daarbij dient beoordeeld te worden of een beding ten nadele van een consument een ‘aanzienlijke verstoring van het evenwicht’ tussen de uit een overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen veroorzaakt, waarbij vooral rekening moet worden gehouden met de toepasselijke regels van het nationale recht wanneer partijen op dit punt geen regeling hebben getroffen.
De overeenkomst tussen partijen dient gekwalificeerd te worden als een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 BW. Ingevolge artikel 7:408 lid 1 BW kan de opdrachtgever te allen tijde de overeenkomst opzeggen. Op grond van artikel 7:408 lid 3 BW is een natuurlijk persoon ter zake van de opzegging van de opdracht geen schadevergoeding verschuldigd.
Van beide hiervoor genoemde bepalingen kan op grond van artikel 7:413 lid 1 en 2 BW niet ten nadele van de consument worden afgeweken. Voor de gevolgen van de opzegging moet aansluiting gezocht worden bij artikel 7:406 lid 1 BW en artikel 7:411 BW. [eiser] kan na de opzegging loon verschuldigd zijn geworden en hij dient in beginsel de onkosten verbonden aan de opdracht, voor zover deze niet in het loon zijn begrepen, aan [gedaagde] te vergoeden.
De kantonrechter is van oordeel dat het annuleringsbeding, gelet op de daaraan verbonden financiële gevolgen, geen reële mogelijkheid tot opzegging tijdens de opleiding biedt. Bij een opzegging tijdens de opleiding, ongeacht de reden voor opzegging, is de cursist namelijk 100% van het cursusgeld verschuldigd. Het annuleringsbeding is daarom strijdig met de artikelen 7:408 lid 1 BW en 7:411 BW. Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat het annuleringsbeding in de verhouding tussen partijen onredelijk bezwarend is als bedoeld in artikel 6:233 aanhef en onder a BW en daarmee oneerlijk is in de zin van de Richtlijn. De kantonrechter stelt vast [gedaagde] in deze procedure op dat beding geen beroep kan doen.
Redelijk loon
[eiser] is op grond van artikel 7:406 lid 1 BW juncto artikel 7:408 lid 3 BW gehouden de (daadwerkelijk gemaakte) kosten verbonden aan de uitvoering van de opdracht te vergoeden.
Duidelijk is dat [eiser] een bedrag van € 7.150,- heeft betaald en dat hij een aantal boeken heeft ontvangen die een waarde van € 300,- vertegenwoordigen. Ter zitting is duidelijk geworden dat [eiser] zes van de dertien lessen heeft gevolgd en dat hij na de lessen nog een door [gedaagde] begeleid traject zou volgen. [gedaagde] heeft ter zitting onweersproken gesteld dat de gehele opleiding zo’n negen maanden duurt. [eiser] heeft na twee maanden opgezegd.
Het komt de kantonrechter niet onredelijk voor dat [eiser] in ieder geval de kosten van de boeken van € 300,- verschuldigd is. Daarna resteert een vordering van € 6.850,-. Van dit bedrag ziet een deel van € 1.633,80 op de brutomarge per deelnemer. [gedaagde] heeft verder aangevoerd dat zij kosten heeft gemaakt voor “docenten”, “locatie”, “accreditatie”, “verkoopkosten”, en “personeel”. Ten aanzien van deze kosten wordt overwogen dat [gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd welke kosten specifiek voor [eiser] zijn gemaakt.
[gedaagde] vindt betaling van 100% van de kosten van de gehele opleiding voor de duur van negen maanden terecht, terwijl vaststaat dat [eiser] slechts zes van de dertien lessen heeft gevolgd en ook geen gebruik heeft gemaakt van het traject na de lessen. [gedaagde] heeft bovendien algemene kosten opgevoerd die gemaakt zijn ten behoeve van alle cursisten, waaronder in ieder geval de loonkosten en de huur voor de leslocatie. Hoewel door [gedaagde] is aangevoerd dat het voor haar moeilijk is om de algemene kosten exact te herleiden tot [eiser] , zou het in het licht van de betwisting van [eiser] , op haar weg hebben gelegen de kosten concreet te maken. Nu [gedaagde] haar kostenberekening te algemeen heeft gehouden, terwijl slechts de onkosten verbonden aan de uitvoering van de opdracht bij de (consument-)opdrachtgever in rekening mogen worden gebracht, zal de kantonrechter het redelijk loon vaststellen.
De kantonrechter overweegt dat [eiser] voor zijn opzegging twee van de negen maanden durende cursus heeft gevolgd. Dit komt neer op (2/9=) 28%. Het komt de kantonrechter daarom redelijk voor dat [eiser] (0,28 x € 6.850,- =) € 1.918,- aan cursusgeld verschuldigd is geworden en daarnaast € 300,- voor de door hem ontvangen boeken. Dat leidt tot de conclusie dat de vordering van [eiser] wordt toegewezen tot een bedrag van (€ 7.150,- - € 300,- - € 1.918,-=) € 4.932,-.
De verklaring voor recht wordt afgewezen
De door [eiser] geëiste verklaring voor recht (dat nu [gedaagde] niet aan haar verplichtingen uit de overeenkomst heeft kunnen voldoen, [eiser] ook niet is gehouden om zijn kant van de overeenkomst na te komen), wordt afgewezen, nu duidelijk is dat [eiser] de overeenkomst heeft opgezegd en niet duidelijk is welk belang hij bij deze verklaring nog heeft.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 148,04 aan dagvaardingskosten, € 257,- aan griffierecht, € 720,- aan salaris voor de gemachtigde (twee punten x € 360,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.269,04. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 4.932,-;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.269,04;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders geëiste.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
62574