ECLI:NL:RBROT:2026:686

ECLI:NL:RBROT:2026:686

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 28-01-2026
Datum publicatie 28-01-2026
Zaaknummer C/10/711256 / HA RK 25-1188
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Verzoek van het openbaar ministerie tot wraking van de rechters van de raadkamer en de strafkamer in de strafzaak over de mondkapjesdeals. Afwijzing. Opmerkingen van voorzitter zijn ongelukkig, maar duiden niet op vooringenomenheid. De voorzitter heeft in zijn regierol een aanzienlijke vrijheid, die ook geldt voor het stellen van kritische vragen en het poneren van stellingen. De gemaakte opmerkingen leveren geen zwaarwegende aanwijzingen op voor het aannemen van (de schijn van) partijdigheid.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Wrakingskamer

Zaaknummer: C/10/711256 / HA RK 25-1188

Beslissing van 28 januari 2026

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

de officieren van justitie,

bij het Functioneel Parket Rotterdam,

hierna te noemen: de officieren van justitie,

strekkende tot de wraking van

mrs. J.H. Janssen, C. Sikkel en J. van de Klashorst,

rechters in deze rechtbank,

hierna ook te noemen: de rechters.

1. De procedure

De onderliggende strafzaak, met de naam Full Sutton, gaat over de mondkapjesdeals die de verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] , [verdachte 3] en de aan hen gelieerde vennootschappen tijdens de coronapandemie hebben gesloten met onder meer het ministerie van VWS. De meervoudige strafkamer bestaat uit mr. Janssen, voorzitter, mr. Sikkel, oudste rechter, en mr. Van de Klashorst, jongste rechter.

De verdachten en hun raadslieden hebben eind 2024 via een digitale dataroom toegang gekregen tot het onderzoeksdossier van de FIOD in de strafzaak. Daarin zijn zij op geheimhouderstukken (hierna: GH) gestuit. De rechter-commissaris heeft, na onderzoek naar de mogelijke schending van het verschoningsrecht, blijkens zijn proces-verbaal van 3 december 2024 kort gezegd geoordeeld dat er geen aanwijzingen zijn dat de onderzoekers (van de FIOD) hebben kennisgenomen van GH. De verdachten en hun (voormalig) advocaten - in hun hoedanigheid van verschoningsgerechtigden - hebben op 16 december 2024 bij de raadkamer van de rechtbank klaagschriften ingediend als bedoeld in artikel 98 lid 4 jo. 552a Sv tegen de beslissingen van de rechter-commissaris.

In zowel de strafzaak als in de raadkamerprocedure is op 19 december 2024 (na elkaar) een eerste openbare zitting geweest. De samenstelling van de raadkamer is dezelfde als die van de strafkamer. In de raadkamerprocedure ligt (uiteindelijk) de beslissing voor of de beslissingen van de rechter-commissaris, die staan in het proces-verbaal van 3 december 2024, moeten worden vernietigd, het beklag gegrond moet worden verklaard en het beslag moet worden opgeheven, onder teruggave aan de verschoningsgerechtigde(n).

In de raadkamerprocedure heeft op 3 december 2025 een (vervolg)zitting plaatsgevonden. Op 4 december 2025 hebben de officieren van justitie een verzoek ingediend tot wraking van de rechters, zowel in de raadkamerprocedure als in de strafzaak. De dossiers van de raadkamerprocedure en de strafzaak zijn ter beschikking van de wrakingskamer gesteld. Op 16 december 2025 heeft de wrakingskamer het proces-verbaal van de zitting van 3 december 2025 (hierna: het proces-verbaal) ontvangen.

Het dossier in de wrakingszaak bestaat uit:

het wrakingsverzoek van 4 december 2025, met bijlagen,

de schriftelijke reactie van de rechters van 16 december 2025,

de “mondelinge toelichting wrakingsverzoek OM”.

Op 12 januari 2026 heeft de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek plaatsgevonden. De officieren van justitie mr. A.C. Schaafsma en mr. L.N. Stempher hebben daarbij het woord gevoerd. Ook de rechters zijn verschenen en hebben gereageerd en vragen beantwoord. Als toehoorders zijn onder meer [verdachte 1] , [verdachte 2] , mr. M.C.E.A. Kloosterman, mr. B.F.M. de Koning, mr. J.S. Spijkerman en mr. R.E. van Zijl verschenen.

2. Het wrakingsverzoek

De officieren van justitie leggen aan hun wrakingsverzoek ten grondslag dat uit opmerkingen van de voorzitter, gedaan tijdens de zitting van 3 december 2025 en in onderling verband bezien, gebleken is dat de rechters vooringenomen zijn. Zij hebben in het wrakingsverzoek gewezen op de volgende opmerkingen:

1. “de computers [wk: van [verdachte 1] ] bevatten veel GH”,

2. “ “je vraagt je soms af is er nou sprake van onhandigheid of bewust handelen”,

3. “ “ik weet het al”, voordat de rechters zich terugtrokken om te beraadslagen over te nemen beslissing(en), en

4. “ “ik heb goed geluisterd naar mr. Van Zijl”, na hervatting van de zitting en het meedelen van de beslissingen.

Volgens de officieren van justitie blijkt uit de opmerkingen van de voorzitter dat de raadkamer twijfels heeft over de betrouwbaarheid van de ambtsedige processen-verbaal van de opsporingsambtenaren van de FIOD. Ook begrijpen de officieren van justitie uit de opmerkingen dat de raadkamer, ondanks de uitkomsten van de kwantitatieve analyses, de conclusie al heeft getrokken dat er veel GH op de computers van [verdachte 1] aanwezig zijn, waardoor de verbalisanten tijdens hun onderzoek op veel GH moeten zijn gestuit. Ook de opmerking “onhandig of bewust”, die de voorzitter heeft gemaakt over het gebrek aan wetenschap van de verbalisanten over de door hen gehanteerde zoektermen, geeft blijk van vooringenomenheid.

De officieren van justitie beschouwen de opmerkingen van de voorzitter als gedaan door de voltallige raadkamer, omdat de andere rechters de opmerkingen niet hebben weersproken.

Daarnaast menen de officieren van justitie dat de raadkamerprocedure en de strafzaak zodanig met elkaar zijn verweven dat de opmerkingen tevens moeten worden geacht in de strafzaak te zijn gedaan. De voorzitter heeft namelijk opgemerkt dat “de raadkamer een element dan wel een vehikel is” van de behandeling van de strafzaak en dat de beslissing in de raadkamerprocedure om die reden zal worden aangehouden. Het aanhouden van de beslissing op de klaagschriften zou volgens de voorzitter “ook ruimte geven in de strafzaak.” De officieren van justitie hadden op voorhand gevraagd de beslissingen in de raadkamer over te laten aan een andere samenstelling om een risico op (de schijn van) vooringenomenheid te vermijden.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben de officieren van justitie betoogd dat de voorzitter met de opmerking dat de computers van [verdachte 1] “veel GH bevatten” de schijn heeft gewekt dat de rechters meegaan in de redenering van de verdediging dat - kijkend naar de absolute aantallen - de twee computers van [verdachte 1] veel GH bevatten. Daarmee heeft de voorzitter een voorschot genomen op de uitkomst van de beantwoording van de door de raadkamer zelf geformuleerde vraag “kan het kloppen dat de verbalisanten slechts op enkele verschoningsgerechtigde stukken in de twee cases van [verdachte 1] zijn gestuit of is dat heel gek.” De formulering van de voorzitter dat het daarna de vraag is “of dat dan onhandig is geweest of meer bewust”, wijst volgens de officieren van justitie op een doelbewust dan wel met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte handelen door de FIOD. De officieren van justitie leiden daaruit af dat de stappen herstel, enkele constatering, strafvermindering en bewijsuitsluiting volgens de rechters kennelijk niet meer aan de orde zijn. Volgens de officieren van justitie gaan de gedachten van de rechters klaarblijkelijk alleen nog maar uit naar een mogelijke niet-ontvankelijkheid van het OM.

De officieren van justitie hebben bij de mondelinge behandeling ook gewezen op andere opmerkingen van de voorzitter. Zij hebben toegelicht dat zij deze niet in het wrakingsverzoek hebben opgenomen, omdat zij toen nog niet over het proces-verbaal beschikten. Volgens de officieren van justitie betreffen deze uitspraken geen nieuwe wrakingsgronden, maar een nadere duiding van de in het wrakingsverzoek opgenomen gronden.

De rechters hebben laten weten niet in de wraking te berusten en hebben schriftelijk op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna, voor zover van belang, besproken.

Volgens de rechters zijn de opmerkingen die voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling zijn genoemd nieuwe wrakingsgronden, die niet tijdig zijn voorgedragen. Zij deelden mee dat zij nog de mogelijkheid willen krijgen daar inhoudelijk op te reageren.

3. De beoordeling

Een rechter kan worden gewraakt als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.

Artikel 513 Sv bepaalt dat het wrakingsverzoek wordt gedaan zodra de omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden en tegelijk moeten worden aangedragen.

De wrakingskamer stelt voorop dat de voorzitter van een meervoudige (raad)kamer in strafzaken ter zitting de regie voert en het verloop van de zitting en de wijze van behandeling bepaalt. De voorzitter heeft in deze regierol een aanzienlijke vrijheid. Diezelfde vrijheid geldt voor de te stellen vragen. De voorzitter bepaalt, met de andere rechters, welke vragen gesteld worden en aan wie. Dit kunnen ook kritische vragen zijn of stellingen waarop partijen kunnen reageren. Door het verkrijgen van reacties op die vragen en stellingen, vergaart de meervoudige (raad)kamer de benodigde informatie om te komen tot een oordeel. Een onwelgevallige vraag of opmerking van de voorzitter en/of de andere rechters leidt daarom in beginsel niet tot het aannemen van (een gerechtvaardigde vrees voor) partijdigheid. De vrijheid van de rechter is echter niet onbegrensd. Wanneer de bewoordingen niet anders kunnen worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid, zijn deze bewoordingen kennelijk ingegeven door vooringenomenheid, althans kan de vrees daarvoor dan objectief gerechtvaardigd zijn.

De wrakingskamer is van oordeel dat de voorzitter in dit geval onhandige uitspraken heeft gedaan in het licht van het evenwicht tussen het OM en de verdachten/advocaten, maar dat deze uitspraken geen zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor een blijk van vooringenomenheid. De wrakingskamer legt dit oordeel hierna verder uit.

Uit het proces-verbaal, waarvan de inhoud niet is betwist, blijkt dat de voorzitter een actieve en onderzoekende rol heeft gehad. Deze rol past ook binnen het gematigd accusatoir stelsel van het Nederlandse strafproces. De voorzitter heeft de procesdeelnemers meegenomen in zijn gedachteproces door meerdere malen zijn (voorlopige) zienswijze te geven en kritische vragen te stellen aan de verdachten/klagers/raadslieden, aan de officier van justitie en aan zichzelf. In dit verband heeft de voorzitter opgemerkt dat “er twee computers waren met veel GH daarop” en heeft de voorzitter daarna gezegd “je vraagt je soms af is er nou sprake van onhandigheid of bewust handelen”. Met die opmerkingen heeft de voorzitter de grens opgezocht. De opmerking dat er veel GH op de computers stonden is ongelukkig, omdat de vraag of hiervan sprake is, de essentie is van wat de officier van justitie enerzijds en de verdachten/klagers anderzijds in de raadkamerprocedure verdeeld houdt. Door het gebruik van het woord “veel” lijkt de redenering van de verdachten/klagers te worden gevolgd en niet die van de officier van justitie. Naar het oordeel van de wrakingskamer rechtvaardigen de opmerkingen van de voorzitter echter niet de conclusie dat hij vooringenomen is of dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. De opmerkingen moeten binnen de context van het verloop van de gehele zitting worden geplaatst, waarbij ook de aanzienlijke vrijheid die de voorzitter ter zitting heeft in ogenschouw moet worden genomen. Uit het proces-verbaal blijkt dat de voorzitter meerdere malen (in verschillende bewoordingen) heeft laten weten niet op de zaken vooruit te willen lopen en nog geen oordeel te kunnen geven. Verder heeft hij voorafgaand aan zijn opmerking dat er “veel” GH op de computers staat, gevraagd of hij een paar dingen op een rijtje mocht zetten “met het gevaar dat iedereen zegt dat ik vaststellingen doe die we nog helemaal niet kunnen doen”. Ook heeft hij te kennen gegeven dat hij “veel” verder niet wilde kwantificeren. Later heeft de voorzitter nog tijdens dezelfde discussie gezegd dat percentages natuurlijk altijd kleiner zijn dan absolute aantallen.

De woorden “onhandig of bewust” heeft de voorzitter in de vragende vorm gebruikt, waarmee hij duiding heeft gegeven aan zijn onderzoekende rol ter zitting. Daar komt nog bij dat hij het woord “bewust” op een later moment deed voorafgaan door “meer”. Eerder had hij dit verwoord met de vraag “of er een zekere mate van bewustheid in zit”. Uit het proces-verbaal blijkt ook dat hij deze woorden heeft gebruikt om het toetsingskader te schetsen. Deze vraag komt pas aan de orde als de vraag is beantwoord “hoe reëel het is dat er mogelijk meer geheimhouderstukken zijn gezien dan die paar keer waarbij de rechter-commissaris of geheimhoudermedewerker is benaderd.”

De opmerkingen leveren naar het oordeel van de wrakingskamer dus geen zwaarwegende aanwijzing op voor het aannemen van (de schijn van) partijdigheid van de voorzitter. Anders dan de officieren van justitie betogen, kan uit de formuleringen van de voorzitter niet worden afgeleid dat wordt meegegaan in de redenering van de verdachten/klagers. Laat staan dat daaruit blijkt dat de gedachten van de rechters alleen nog maar uitgaan naar een mogelijke niet-ontvankelijkheid van het OM.

De opmerking van de voorzitter, voordat de rechters zich terugtrokken om te beraadslagen, dat hij er wel uit was, maakt dat niet anders. Het staat de voorzitter vrij om op te merken dat hij voor zichzelf een mening heeft gevormd, zonder dat als oordeel prijs te geven. Dat de voorzitter zich op deze manier uitlaat, brengt natuurlijk niet mee dat dit ook geldt voor de andere rechters in de combinatie. Uiteindelijk valt het oordeel en daarmee de beslissing immers in de beslotenheid van de raadkamer.

Evenmin wijst de opmerking van de voorzitter dat hij goed naar de advocaat van [verdachte 1] (mr. Van Zijl ) had geluisterd op (een schijn van) partijdigheid, ook niet in samenhang bezien met andere opmerkingen. De rechters hebben in hun reactie geschreven dat deze opmerking teruggreep op een eerdere opmerking van mr. Van Zijl . De wrakingskamer kan hier niet meer in zien dan dat.

Verder schrijft artikel 21 lid 3 Sv voor dat de meervoudige raadkamer zoveel mogelijk dezelfde samenstelling heeft als de meervoudige strafkamer. Op grond daarvan gaat de wrakingskamer voorbij aan de opmerkingen van de officieren van justitie over de samenstelling van de raadkamer.

De officieren van justitie hebben tijdens de mondelinge behandeling ook nog gewezen op de volgende opmerkingen van de voorzitter:

Hebben we nou boven water of daar veel naar is gekeken? Nee, heel feitelijk hebben we niet veel data waaruit blijkt hoeveel ernaar is gekeken.”, en

Ik wil helemaal niet op de zaken vooruitlopen en we willen die zaak gewoon goed doen en ik denk dat wij al hebben laten zien dat we ons niet met een kluitje het riet in laten sturen. Wij staan helemaal open voor uw [wk: mr. Van Zijls ] pleidooi.

Deze opmerkingen van de voorzitter waren nog niet in het wrakingsverzoek genoemd. De wrakingskamer ziet dat wat de officieren van justitie over deze opmerkingen hebben gezegd als nadere onderbouwing van de al eerdergenoemde wrakingsgronden. De wrakingskamer merkt deze opmerkingen dus niet aan als nieuwe gronden. De rechters hebben de eerste opmerking overigens ook in hun schriftelijke reactie genoemd om de opmerking over “veel” geheimhouderstukken in de context te plaatsen.

De wrakingskamer ziet niet dat de onder 3.6. genoemde opmerkingen van de voorzitter, ook niet in samenhang bezien met zijn overige opmerkingen, kunnen leiden tot (een schijn van) partijdigheid. Het betreffen opmerkingen die passen bij de vrijheid van de strafrechter om onderzoekende vragen te stellen en opmerkingen te maken.

Gelet hierop stelt de wrakingskamer de rechters niet meer in de gelegenheid om inhoudelijk op deze opmerkingen te reageren.

Ten slotte hebben de officieren van justitie tijdens de mondelinge behandeling gewezen op de inleidende opmerkingen van de voorzitter over zijn contact via WhatsApp met advocaat mr. T.R.B. de Greve op de avond voor de zitting van 3 december 2025. Hiervan hebben de officieren van justitie in het wrakingsverzoek geen melding gemaakt. Naar het oordeel van de wrakingskamer gaat het hier wel om een nieuwe wrakingsgrond, die op de voet van artikel 513 Sv in het wrakingsverzoek had moeten worden genoemd. Dat de officieren van justitie nog niet over het proces-verbaal beschikten bij het indienen van het wrakingsverzoek, doet hieraan niet af. Uit het proces-verbaal blijkt dat de officier van justitie direct na de opmerking vroeg naar de reden van dat contact. De opmerking is ter zitting dus niet ongemerkt aan de officier van justitie voorbijgegaan. Als deze opmerking belangrijk was geweest voor het besluit om een wrakingsverzoek in te dienen, had deze dus in het wrakingsverzoek moeten worden opgenomen. Deze grond wordt daarom buiten beschouwing gelaten en de wrakingskamer betrekt deze dan ook niet bij de beoordeling.

Omdat de opmerkingen van de voorzitter onvoldoende grond opleveren voor het toewijzen van het wrakingsverzoek jegens hem, komt de wrakingskamer niet meer toe aan het antwoord op de vraag of opmerkingen van de voorzitter zonder bijkomende omstandigheden voldoende grond kunnen opleveren voor de toewijzing van het wrakingsverzoek jegens de oudste en jongste rechter.

4. De beslissing

De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beslissing is gegeven door mr. A. Buizer, voorzitter, mr. S.C.C. Hes-Bakkeren en mr. F.P.J. Schoonen, rechters. Bij afwezigheid van de voorzitter is deze beslissing door mr. S.C.C. Hes-Bakkeren in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026 in tegenwoordigheid van mr. E. Elenbaas, griffier, en door hen ondertekend.

de griffier de oudste rechter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?