RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 januari 2026 in de zaak tussen
[verzoekster], uit Rotterdam, verzoekster
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, UWV
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/9449
(gemachtigde: mr. B.B.A. Willering),
en
(gemachtigde: [naam 1] en [naam 2]).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de gemeente Rotterdam (ex-werkgever).
Deze uitspraak gaat over de voorlopige voorziening die verzoekster heeft gevraagd in verband met de intrekking van haar ziektewetuitkering. Het UWV heeft met de beslissing op bezwaar de intrekking van de uitkering gehandhaafd. Verzoekster is het hier niet mee eens en verzoekt daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af, omdat zij vindt dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij haar verzoek. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
1. Met het besluit van 15 februari 2024 heeft het UWV de ziektewetuitkering van verzoekster met ingang van 16 maart 2024 beëindigd. Verzoekster heeft tegen dit besluit op 27 maart 2024 bezwaar gemaakt. Op 5 september 2025 heeft de hoorzitting in bezwaar plaatsgevonden.
2. Met het bestreden besluit van 7 november 2025 heeft het UWV het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft tegen dit besluit beroep ingesteld (ROT 25/9331) en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen (ROT 25/9449).
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van het UWV. Namens de ex-werkgever is verschenen: mr. R. Duivenvoorde.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat is er gebeurd?
3. Verzoekster is op 28 november 2022 uitgevallen met psychische klachten voor haar werk als managementassistente bij de gemeente Rotterdam (de ex-werkgever).
Op 23 december 2023 heeft een eerstejaars herbeoordeling plaatsgevonden, waarbij door de verzekeringsarts is vastgesteld dat verzoekster in staat is om meer dan 65% van haar maatmanloon te verdienen. De ex-werkgever heeft het UWV daarom gevraagd de ziektewetuitkering van verzoekster te beëindigen.
Waar gaat deze zaak over?
4. Het UWV heeft in het bestreden besluit het standpunt gehandhaafd dat verzoekster vanaf 16 maart 2024 geen recht meer heeft op een ziektewetuitkering. Uit de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige – die deel uitmaken van het bestreden besluit – volgt dat verzoekster nog steeds in staat kan worden geacht meer dan 65% van haar maatmanloon te verdienen. Verzoekster zou volgens de arbeidsdeskundige € 2.892,07 per maand kunnen verdienen. Dat is 25,18% minder dan het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.
5. Verzoekster is het met dit besluit niet eens. Zij wil met haar verzoek bereiken dat haar alsnog zo spoedig mogelijk een ziektewetuitkering, of een voorschot daarop, wordt toegekend, totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep.
Spoedeisend belang
6. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningen-rechter dient eerst te bepalen of er voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening is, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
Verzoekster voert aan dat zij door de beëindiging van haar ziektewetuitkering in een acute financiële noodsituatie verkeert en daarom niet in staat is zelf in haar eerste levensbehoeften te voorzien. Zij beschikt niet over eigen vermogen. Een uitkering op grond van de Participatiewet heeft verzoekster naar eigen zeggen niet aangevraagd, omdat zij geen recht heeft op een bijstandsuitkering. Ze woont in bij haar zus die inkomsten uit arbeid heeft.
De voorzieningenrechter ziet in wat verzoekster aanvoert geen reden voor het aannemen van een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening in deze procedure.
Niet in geschil is dat verzoekster inwonend is bij haar zus (en zwager). Zij betaalt geen huur en draagt ook niet financieel bij aan de vaste lasten. Verder is niet in geschil dat het inkomen van de zus en zwager gezamenlijk (ruim) voldoende is om daarvan ook verzoekster te kunnen onderhouden. In ieder geval totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan in beroep. Een (acute) financiële noodsituatie zal zich daarom naar verwachting niet (snel) voordoen. Verder is niet gebleken dat verzoekster niet langer bij haar zus (en zwager) kan verblijven. Ook is door verzoekster niet nader onderbouwd dat zij zich in een (acute) financiële noodsituatie bevindt. Verzoekster heeft niet eerder om een voorlopige voorziening gevraagd.
Daarbij komt dat in een situatie als hier aan de orde sprake is van een voorliggende voorziening in de vorm van een bijstandsuitkering. Dat verzoekster om haar moverende redenen heeft besloten geen bijstandsuitkering aan te vragen, neemt niet weg dat dit wel van haar mocht worden verwacht. Zolang verzoekster geen afwijzende beschikking op een aanvraag om algemene bijstand heeft ontvangen, staat voor de voorzieningenrechter niet vast dat zij niet voor een bijstandsuitkering in aanmerking komt.
Verder is de voorzieningenrechter niet gebleken dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Vooralsnog bestaat geen grond voor het oordeel dat de in de rapportage van de arbeidsdeskundige in bezwaar geduide functies niet passend zouden zijn bij de krachten en bekwaamheden van verzoekster. Uit de rapportage van de arbeidsdeskundige in bezwaar blijkt dat rekening is gehouden met het opleidingsniveau van verzoekster en haar werkervaring. Ook is rekening gehouden met het feit dat verzoekster moeite heeft met ‘intensief samenwerken’. Uit het door verzoekster aangehaalde rapport van de psychiater van 9 oktober 2025 kan niet zonder meer worden afgeleid dat in verzoeksters geval (nog) geen sprake is van duurzaam benutbare mogelijkheden.
Conclusie en gevolgen
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoekster geen ziektewetuitkering krijgt, of voorschotten daarop. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: